Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2005:AU8202

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15-12-2005
Datum publicatie
15-12-2005
Zaaknummer
10/150182-02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

art. 190 lid 2 Sv; maatregelen ter voorkoming onthulling persoonsgegevens; vordering ex 190 lid 2 Sv officier van justitie ontvankelijk; verhoorbox en stemvervormer vallen ook onder de maatregelen van 190 lid 2 Sv.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 190
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2006/108
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

SECTOR STRAFRECHT

(zitting houdende te Haarlem)

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

RC-nummer: 03/3064

Volgnummer: RK 05/1637

Parketnummer: 10/150182-02

Door de officier van justitie is hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank van 28 oktober 2005 in het kader van de strafzaak tegen verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

Dit hoger beroep is behandeld in raadkamer van 7 december 2005.

Verdachte [verdachte] is verschenen. Zijn raadsvrouw, mr. L.C. van Walree, advocaat te Rotterdam, is niet verschenen. mr. G.F. van der Hardt Aberson, advocaat te Rotterdam, treedt op namens mr. Van Walree.

Van het verhandelde ter zitting is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt, waarvan de inhoud als hier ingelast moet worden beschouwd.

Het hoger beroep van de officier van justitie richt zich tegen de afwijzing van het deel van de vordering om de getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] in een verhoorbox met stemvervorming te horen.

Met betrekking tot de ontvankelijkheid officier van justitie

De raadsman voert aan dat de officier van justitie niet ontvankelijk dient te worden verklaard. Onder verwijzing naar het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch d.d. 18 juli 2005 (LJN: AU0192) is de verdediging van mening dat – kort samengevat – de door het openbaar ministerie gevorderde wijze van horen geen vordering is in de zin van artikel 190, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, zodat hiervan geen hoger beroep mogelijk is.

De tekst van artikel 190, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering luidt als volgt.

De rechter-commissaris kan hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van de officier van justitie of op het verzoek van de verdachte of van de getuige, bepalen dat het vragen naar een bepaald gegeven, bedoeld in het eerste lid, achterwege zal worden gelaten, indien er gegrond vermoeden bestaat dat de getuige in verband met het afleggen van zijn verklaring overlast zal ondervinden of in de uitoefening van zijn beroep zal worden belemmerd. De rechter-commissaris neemt de maatregelen die redelijkerwijs nodig zijn om onthulling van dit gegeven te voorkomen.

In dit artikellid wordt een koppeling gelegd tussen de maatregelen en het niet bekend worden van specifieke persoonsgegevens. Naar het oordeel van de rechtbank maken de maatregelen zoals gevorderd door de officier van justitie derhalve ook deel uit van de vordering zoals genoemd in dit artikellid. Juist deze maatregelen dienen immers te bewerkstelligen dat persoonsgegevens niet bekend worden.

Dat, anders dan de verdediging betoogt, ook voormeld arrest van het gerechtshof ruimte laat voor toetsing in hoger beroep van de gevorderde maatregelen blijkt uit de overweging dat de raadkamer een rol kan hebben in nader in dat arrest aangeduide situaties.

Het voorgaande leidt dan ook tot het oordeel dat de officier van justitie ontvankelijk is.

Met betrekking tot de gevorderde maatregelen

De officier van justitie vordert dat de getuigen gehoord worden door de rechter-commissaris, waarbij deze in zijn verhoor het vragen aan de getuigen naar naam, voornaam, leeftijd, beroep en woon- of verblijfplaats, als bedoeld in artikel 190, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, achterwege zal laten en er zorg voor draagt dat tijdens deze getuigenverhoren de minimale eisen, gesteld aan de plaats van verhoor en de omstandigheden waaronder deze verhoren zullen plaatsvinden, in acht worden genomen (zoals opgenomen onder punt 12 van de richtlijn bedreigde getuige/anonieme getuige, vastgesteld in de landelijke vergadering van rechters-commissaris d.d. 20 februari 2002 (hierna te noemen: de richtlijn)) te weten:

- het horen op een beveiligde (niet vooraf bekende) locatie;

- het grimeren of vermommen van getuige, waarbij de rechter-commissaris zich ervan dient te vergewissen dat het de getuige is die wordt vermomd;

- getuige zittend in een verhoorbox, met stemvervorming.

De raadsman heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

De rechtbank overweegt het volgende.

De vergadering van rechters-commissaris heeft het noodzakelijk geacht te komen tot de richtlijn op basis van de volgende argumenten:

- uniforme wijze van behandeling (rechtszekerheid);

- het op zorgvuldige wijze omgaan met de belangen van een bedreigde getuige dan wel getuigen waarbij de anonimiteit van belang is en de belangen van de verdediging;

- het kunnen waarmaken van de zorgplicht van de staat jegens een bedreigde getuige of getuige waarvan de anonimiteit gewaarborgd moet blijven;

- verbetering van kwaliteit en professionaliteit.

Punt 12 van de richtlijn omschrijft de minimale eisen aan plaats van verhoor en de omstandigheden waaronder het verhoor van een getuige met toepassing van artikel 190, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering moet plaats hebben.

De vordering van de officier van justitie behelst deze minimale eisen.

Uit de stukken noch uit hetgeen naar voren is gebracht in raadkamer is gebleken van omstandigheden die zouden moeten leiden tot afwijking van punt 12 van de richtlijn. Immers, inbreuk op het ondervragingsrecht van de verdediging door verhoor in de verhoorbox met stemvervorming is, zoals de rechtbank in raadkamer is gebleken, minimaal. Met name gelaatsuitdrukking en variatie in spraak zijn ook met toepassing van de verhoorbox en stemvervorming duidelijk waar te nemen.

Afwegend enerzijds het belang van het openbaar ministerie, namelijk het zorgvuldig omgaan met de belangen van de getuigen zoals genoemd in artikel 190, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering alsmede de mogelijkheid om in de toekomst te werken met (buitenlandse) infiltranten, en anderzijds het belang van de verdediging om het ondervragingsrecht minimaal te beperken, dient het belang van het openbaar ministerie onder genoemde omstandigheden te prevaleren.

De rechtbank:

- Vernietigt de beschikking van de rechter-commissaris voor zover deze betrekking heeft op de afwijzing van het verhoor van de getuigen zittend in een verhoorbox, met stemvervorming;

- Verklaart het hoger beroep gegrond en bepaalt mitsdien dat het verhoor van genoemde getuigen dient plaats te vinden zittend in een verhoorbox, met stemvervorming.

Deze beschikking is gegeven op 14 december 2005 door

mr. M.T. Hoogland, voorzitter,

mrs. M.T. Goossens en M.S.F. Voskens, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.A. Oomen, griffier.

Deze beschikking is door de voorzitter en de griffier ondertekend.