Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2005:AU6062

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-11-2005
Datum publicatie
14-11-2005
Zaaknummer
580391
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres vordert van gedaagde betaling van achterstallige contributie. Gedaagden stellen dat zij de betaling hebben uitgesteld, omdat eiseres nalatig blijft om een mankement aan het riool (tijdig) te laten verhelpen. Gedaagden zijn daardoor in ernstige mate met stankoverlast geconfronteerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak: 10 november 2005

V O N N I S VAN DE RECHTBANK ROTTERDAM

Sector kanton

I N Z A K E :

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

[Vereniging van eigenaars],

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

gemachtigde: mr. K.K.M. Aerts-de Kok

T E G E N :

1. [gedaagde 1]

2. [gedaagde 2],

wonende te Rotterdam,

gedaagden,

gemachtigde: de heer I. Kolukirik.

Partijen zullen hierna worden genoemd: “de vereniging” respectievelijk “[gedaagden]”.

1. HET VERDERE VERLOOP VAN DE PROCEDURE:

De kantonrechter heeft op 8 juni 2005 een tussenvonnis gewezen.

Op 2 september 2005 heeft een comparitie van partijen plaatsgevonden, waarvan proces verbaal is opgemaakt.

De datum van de uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. DE VERDERE BEOORDELING VAN DE VORDERINGEN:

Het tussen partijen bestaande geschil betreft enerzijds de verplichting van [gedaagden] tegenover de vereniging om de periodieke voorschotbijdragen te voldoen en anderzijds de - op zich niet betwiste - verplichting van de vereniging om te zorgen voor behoorlijk onderhoud aan het gebouw en daarop betrekking hebbende klachten adequaat te verhelpen. Dat [gedaagden] de voorschotbijdragen op enig moment niet meer hebben voldaan staat vast. Zij stellen met de betaling daarvan te zijn opgehouden toen zij geconfronteerd werden met de gevolgen van een kapotte riolering en de vereniging volgens [gedaagden] niet bereid bleek de daarop betrekking hebbende klacht binnen korte tijd te verhelpen.

Door [gedaagden] is gesteld dat zij als gevolg van het nalaten van de vereniging schade hebben geleden. Na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld hebben [gedaagden] niet kunnen aantonen dat zij kosten hebben moeten maken. Wel hebben zij aannemelijk kunnen maken dat zij een (aanzienlijk) verminderd woongenot hebben gehad, bestaande uit het geruime tijd moeten bewonen van een appartement waarin een ondragelijke stank hangt.

De vereniging heeft zich ten aanzien van de vordering van [gedaagden] verweerd door enerzijds te stellen dat [gedaagden] geen opschortingsrecht toekwam omdat de verplichtingen tot betaling van de bijdragen en de onderhoudsverplichting van de vereniging onvoldoende met elkaar samenhangen en anderzijds heeft de vereniging gesteld dat voor toewijzing van een bedrag wegens immateriële schade geen rechtsgrond bestaat.

De kantonrechter overweegt dat [gedaagden], die - naar de kantonrechter begrijpt - in juli 2003 in hun appartement zijn komen wonen, in november 2003 voor de eerste maal hebben geklaagd over de gevolgen van een kapotte riolering en de vereniging hebben verzocht die te herstellen.

Dat er wat met de riolering aan de hand was, staat als een paal boven water. Immers op de facturen van het door de vereniging ingeschakelde bedrijf staat vermeld dat op

26 december 2003 de riolering is doorgefreesd in verband met een ernstige verstopping en dat de offerte voor de vervanging van het riool al naar de vereniging is verzonden. Op 28 december 2003 is opnieuw het riool doorgefreesd. Op de factuur staat o.m. vermeld:

“Deze had staan persen en gehele portiek vervuild. Riool doorgefreesd en portiek gereinigd. Vol met celstofdoekjes en vet. Klacht verholpen”.

De vervanging van het riool vindt uiteindelijk plaats omstreeks juli 2004. Op de factuur staat vermeld:

“Betreft het aan straatzijde met behulp van graafmachine vrijgraven van riool alsmede in bergingen vervangen van riool i.s.m. rattenbestrijding. Riool geheel weggeteerd. Stond in de grond te lozen, enorme stankoverlast en wateroverlast. Dit reeds besproken met dhr Van Leeuwen van uw kantoor”.

De stelling van [gedaagden] dat de riolering in hun woning samenkomt en dat die heeft gelekt en stank heeft verspreid, is onweersproken gebleven.

Bij deze stand van zaken moet een oordeel worden gegeven over de verschuldigdheid van de bijdragen enerzijds en de door [gedaagden] gestelde derving van hun woongenot anderzijds.

Uit het door de vereniging bij repliek overgelegde overzicht blijkt dat [gedaagden] al vanaf juli 2003 - toen zij dus in de woning kwamen - een achterstand in de betaling van de bijdragen hebben opgebouwd. Dat zij hun betalingsverplichtingen hebben opgeschort als gevolg van het niet tijdig verhelpen van het gebrek is dan ook niet komen vast te staan. Dit betekent dat de vordering van de vereniging als volgt zal worden toegewezen.

De hoofdsom is onweersproken gebleven en mitsdien toewijsbaar.

In de hoofdsom bevindt zich een bedrag van € 164,58 aan buitengerechtelijke kosten. Deze zullen worden meegenomen in de beoordeling van de redelijkheid van die kosten als geheel, nu de vereniging die buitengerechtelijke kosten ook nog separaat vordert. Ten aanzien van die kosten overweegt de kantonrechter dat die - gezien de hoogte van de vordering en omvang van de verrichte werkzaamheden - tot een bedrag van € 270,80 redelijk zijn te achten. Het meerdere, waaronder de “kosten uittreksel”, zal worden afgewezen.

De vordering tot veroordeling van in de toekomst te verschijnen termijnen zal worden afgewezen, aangezien onvoldoende is gebleken dat [gedaagden] met die verplichting in verzuim zullen geraken.

De gevorderde rente over de buitengerechtelijke kosten is niet toewijsbaar, nu niet is gesteld dat de kosten vóór dagvaarding dan wel vóór de ingebrekestelling door de vereniging zijn betaald aan de gemachtigde.

Ten aanzien van de vordering van [gedaagden] overweegt de kantonrechter het volgende.

[gedaagden] zijn van rechtswege lid van de vereniging. Tegenover voldoening van de op hen rustende verplichting tot betaling van de bijdragen staat de verplichting van de vereniging tot het plegen van een behoorlijk onderhoud aan de gemeenschappelijke voorzieningen. De daarmee samenhangende kosten plegen vervolgens te worden omgeslagen over de leden - indien het onderhoudsfonds ontoereikend is. [gedaagden] zijn in zoverre van de vereniging afhankelijk dat zij niet zelf - op kosten van de vereniging - reparaties aan de gemeenschappelijke voorzieningen kunnen laten uitvoeren, zaakwaarneming daargelaten.

Het lidmaatschap van [gedaagden] van een vereniging zoals de vereniging die vormt, is op zich geen beletsel voor een vordering van [gedaagden] op die vereniging, die immers een rechtspersoon vormt en daarmee zelfstandig drager is van rechten en verplichtingen. Dat een aan [gedaagden] toe te kennen bedrag mogelijk mede door henzelf zal worden gedragen nu zij van de vereniging lid zijn staat evenmin aan toekenning van schadevergoeding in de weg.

Uit de summier verstrekte informatie van de vereniging blijkt dat er sprake was van aanzienlijk achterstallig onderhoud aan (in casu) de riolering. Dat [gedaagden] hiermee langdurig en op onplezierige wijze zijn geconfronteerd staat voldoende vast, evenals de omstandigheid dat het de verantwoordelijkheid en taak van de vereniging was om dat onderhoud (tijdig) te laten verrichten. Dat zij daarbij in gebreke is gebleven staat voldoende vast. De vereniging is dan ook tekortgeschoten in de op haar (mede) jegens [gedaagden] rustende verbintenis.

De vraag is vervolgens hoe de door [gedaagden] geleden schade moet worden gekwalificeerd. Reeds is overwogen dat het slechts gaat om derving van hun woongenot. Dit is een nadeel dat is te beschouwen als vermogensschade. Het gebruik van de aan [gedaagden] toebehorende zaak is gedurende een bepaalde periode (sterk) verminderd geweest. Dit gebruik zelf is weliswaar geen zelfstandig vermogensbestanddeel, maar de schade vindt in zoverre haar grondslag in het vermogen, nu zij voortvloeit uit een aantasting van een tot het vermogen behorend vermogensbestanddeel. Deze aantasting is op geld waardeerbaar.

Ten aanzien van de omvang van die vermogensschade hebben [gedaagden] geen gedetailleerde onderbouwing geleverd. De kantonrechter beseft dat die ook moeilijk is te geven - zeker nu de beleving van de opgetreden stankoverlast niet objectief is vast te stellen. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat van een concrete schadeberekening geen sprake kan zijn. Voor de begroting van de schade is van belang de duur van de inbreuk, de ernst en de aard van de aansprakelijkheid. Deze factoren tezamen leiden ertoe dat de kantonrechter de schade van [gedaagden] naar billijkheid zal schatten op € 1.000,-.

De proceskosten van de procedure zullen worden gecompenseerd, nu beide partijen gedeeltelijk in het ongelijk zijn gesteld.

3. DE BESLISSING:

De kantonrechter:

in conventie:

veroordeelt [gedaagden] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de vereniging te voldoen de somma van € 1.623,30 vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over € 1.352,50 vanaf 21 april 2004 tot de dag der algehele voldoening;

in reconventie:

veroordeelt de vereniging om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [gedaagden] te voldoen de somma van € 1.000,-;

in conventie en in reconventie:

compenseert de proceskosten in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr J. Sap en uitgesproken ter openbare terechtzitting te Rotterdam.