Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2005:AU5235

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-10-2005
Datum publicatie
31-10-2005
Zaaknummer
218514 / HA ZA 04-1713
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

toerekenbaar tekortschieten van verplegend personeel in dienst bij ziekenhuis bij de verzorgring van eiser als patiënt; maatstaf; bewijslast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2006, 36
GJ 2005/116
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

R E C H T B A N K R O T T E R D A M

sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 218514 / HA ZA 04-1713

Uitspraak: 12 oktober 2005

VONNIS van de enkelvoudige kamer

in de zaak van:

[EISER],

wonende te Rotterdam,

eiser,

procureur mr. H. Carels,

- tegen -

de publiekrechtelijke rechtspersoon

ERASMUS MEDISCH CENTRUM,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

procureur mr. W.J. Hengeveld,

advocaat mr. J. Meyst-Michels.

1. Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 7 juni 2004 en de door eiser overgelegde producties;

- conclusie van antwoord, met één productie;

- conclusie van repliek, met één productie;

- conclusie van dupliek, met één producties;

- akte aan de zijde van eiser.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voorzover van belang - het volgende vast:

2.1

Op 2 oktober 2003 is eiser, destijds 69 jaar oud, in verband met oogmotoriek-stoornissen, hevige onrust en verwardheid opgenomen op de afdeling neurologie van het Erasmus Medisch Centrum (hierna: Erasmus MC). Eiser vertoonde agressief gedrag maar had ook zijn heldere momenten.

2.2

In verband met eisers zorgwekkende gemoedstoestand is in overleg met de familie besloten hem met zogenaamde onrustbanden in het ziekenhuisbed

vast te leggen. Tevens werd eiser door middel van sedatie met het middel Haldol kalm gehouden.

Omdat eiser zich regelmatig wist los te maken uit de onrustbanden en het bed verliet, stond zijn bed op de laagste stand en waren de onrusthekken aan het bed naar beneden.

2.3

Op 15 oktober 2003 heeft eiser, terwijl hij met onrustbanden in zijn bed was vastgelegd, zich uit die banden weten los te maken en het bed verlaten en is hij door verpleegkundige De Vries in verwarde toestand aangetroffen liggend op de vloer van de gang van de afdeling neurologie van het Erasmus MC. Eiser is toen door verplegend personeel overeind geholpen, naar het toilet geholpen en daarna weer in bed getild door twee personen van het verplegend personeel.

Bij een controleronde de volgende ochtend werd geconstateerd dat eiser een dikker been had. Nader onderzoek door een arts wees uit dat eiser een botbreuk (bovenbeenfractuur) had.

3. De vordering

De vordering luidt om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad

- te verklaren voor recht dat gedaagde aansprakelijk is voor de schade die eiser

als gevolg van het ongeval op of omstreeks 15 oktober 2003 heeft geleden;

- gedaagde te veroordelen aan eiser te betalen de schade die hij als gevolg van

dat ongeval heeft geleden, nader op te maken bij staat en te vereffenen

volgens de wet en vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 oktober 2003,

tot de dag de algehele voldoening;

- gedaagde te veroordelen in de proceskosten.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft eiser heeft aan de vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

3.1

Gedaagde is tekortgeschoten in haar zorgplicht met betrekking tot de veiligheid van eiser als patiënt, nu eiser, hoewel hij op 15 oktober 2003 voor zijn veiligheid in onrustbanden aan het ziekenhuisbed was vastgelegd, desondanks zijn bed weten te verlaten en vervolgens ten val is gekomen in de gang van de afdeling neurologie van het Erasmus MC, waardoor eiser letsel (een botbreuk) heeft opgelopen en schade heeft geleden. Gedaagde is voor deze schade van eiser aansprakelijk.

3.2

De onrustbanden kunnen, indien op juiste wijze aangebracht, niet eigenhandig door de patiënt worden losgemaakt. Indien eiser op juiste wijze in de onrustbanden zou zijn vastgezet, had hij nooit zelfstandig zijn bed kunnen verlaten en dus ook niet kunnen vallen. Daarmee is het vermoeden gerecht-vaardigd dat de onrustbanden op onjuist wijze, onzorgvuldig en niet volgens het toepasselijke protocol zijn aangebracht.

3.3

Gedaagde heeft een veiligheidsnorm geschonden, omdat het toepasselijke protocol van gedaagde (productie 1 bij de conclusie van antwoord) op diverse onderdelen niet is nageleefd.

De in het protocol voorgeschreven werkwijze is niet gevolgd, nu de verantwoor-delijke verpleegkundige zich ervan had moeten vergewissen dat de onrustbanden afdoende, overeenkomstig het toepasselijke protocol waren vastgemaakt en had daarvan melding moeten doen in het medisch dossier over eiser.

Indien eiser - zoals gedaagde stelt - zich regelmatig losmaakte uit de onrust-banden (daarvan wordt in het medisch dossier geen melding gemaakt), was dat een reden temeer de instructies die zijn vermeld in het protocol onder het kopje “werkwijze/nazorg” te volgen. Eiser had daarom onder voortdurende observatie moeten staan. Gedaagde heeft nagelaten eiser minimaal ieder uur te observeren.

Dit gebrekkig toezicht is de conditio-sine-qua-non voor de omstandigheid dat eiser uit bed is gestapt.

Voorts zou eiser gezien zijn fysieke toestand, in aanmerking nemende dat hij werd gesedeerd, er niet in geslaagd zijn het bed te verlaten, indien de onrust-hekken aan het bed omhoog gezet waren.

3.4

In het kader van de op gedaagde rustende algemene zorgplicht diende zij zorg

te dragen voor een adequate verslaglegging in het medisch dossier over eiser.

Uit de aantekeningen van de verpleegkundige rapportage is de toedracht van het gebeurde op 15 oktober 2003 niet te achterhalen. Eiser kan zich gezien zijn fysieke en geestelijke toestand niets meer herinneren.

De omstandigheid dat de exacte toedracht niet meer te achterhalen is, moet aan gedaagde worden toegerekend. Deze tekortkoming behoort te leiden tot omkering van de bewijslast en een verzwaarde stelplicht voor gedaagde ten aanzien van het gebeurde op 15 oktober 2003.

3.5

De door eiser geleden schade bestaande uit de posten smartengeld, buiten-gerechtelijke kosten en materiële kosten, zoals vergoedingen wegens verblijf in het ziekenhuis en kosten van de medisch adviseur, laat zich thans nog niet begroten, omdat eiser nog herstellende is en een eindtoestand niet is bereikt.

4. Het verweer

Gedaagde heeft de vordering van eiser gemotiveerd betwist en geconcludeerd tot afwijzing daarvan, met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van eiser in de kosten van het geding.

5. De beoordeling

5.1

Het geschil betreft de vraag of sprake is van enig toerekenbaar tekortschieten

van (naar de rechtbank begrijpt: verplegend personeel in dienst bij) gedaagde

bij de verzorging van eiser als patiënt.

5.2

Bij de beoordeling van het handelen van verplegend personeel dient als maatstaf of het verplegend personeel heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk en bekwaam en redelijk handelend vakgenoot in soortgelijke omstandig-heden mocht worden verwacht. Van gedaagde mag verwacht worden dat zij zich houdt aan de door haarzelf opgestelde voorschriften (protocollen) met betrek-king tot verantwoorde patiëntenzorg. Afwijking van die voorschriften is slechts aanvaardbaar indien zulks in belang van goede patiëntenzorg wenselijk is.

Op grond van de hoofdregel, vermeld in artikel 150 van het Wetboek van Burger-lijke Rechtsvordering, is het in beginsel aan eiser te stellen en bij voldoende betwisting te bewijzen, dat gedaagde in haar zorgplicht is tekortgeschoten.

5.3

Eiser stelt dat gedaagde jegens hem is tekortgeschoten, omdat eiser hoewel

hij voor zijn veiligheid in onrustbanden aan het ziekenhuisbed was vastgelegd, desondanks het bed heeft weten te verlaten en vervolgens ten val is gekomen en daarbij een botbreuk heeft opgelopen. Volgens eiser moet worden aangenomen dat de onrustbanden op onjuiste wijze, althans niet afdoende waren vastgemaakt en is het aan gedaagde tegenbewijs te leveren, daar gedaagde een veiligheids-norm heeft geschonden.

5.4

Naar het oordeel van de rechtbank kan gedaagde niet aansprakelijk worden gehouden voor de schade ten gevolge van het eiser overkomen ongeval.

Eiser heeft niet gesteld en evenmin is gebleken dat hij de botbreuk heeft opgelopen doordat hij uit bed is gevallen of bij het uit bed stappen ten val is gekomen.

De val van eiser op 15 oktober 2003 in de gang van de afdeling neurologie van het Erasmus MC staat naar het oordeel van de rechtbank in zodanig verwijderd verband tot de gestelde tekortkoming (de wijze van het aanleggen van de onrust-banden bij eiser), dat deze niet aan gedaagde kan worden toegerekend.

Nu het vereiste causaal verband tussen het ongeval en de gestelde tekortkoming ontbreekt, zal de vordering op deze grond worden afgewezen.

5.5

De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat de door eiser gestelde feiten en omstandigheden niet de conclusie rechtvaardigen dat gedaagde jegens eiser is tekortgeschoten in haar zorgplicht en/of dat zij een veiligheidsnorm heeft geschonden.

5.6

Uit het bij conclusie van antwoord overgelegde protocol van gedaagde Document ID 00098 getiteld “Fixeren van de patiënt door middel van een onrustband” volgt dat het doel van fixatie van een patiënt door middel van

een onrustband is het voorkomen van lichamelijk letsel bij de patiënt door te verhinderen dat de patiënt onverwacht uit bed (stoel) stapt of valt.

De rechtbank leidt uit deze doelomschrijving af dat het aanleggen van onrust-banden beoogt te voorkomen dat een patiënt bij ongecontroleerde bewegingen (bijvoorbeeld in zijn slaap of onder anesthesie) uit bed valt of stapt.

Met het aanleggen van onrustbanden wordt derhalve niet beoogd een garantie te bieden dat de patiënt aan bed gekluisterd blijft of dat het hem geheel onmogelijk is zelfstandig het bed te verlaten.

De rechtbank tekent daarbij aan dat volgens protocol ID 00098 onrustbanden niet zo strak mogen worden aangelegd dat ze gevaar opleveren voor de gezondheid van de patiënt, zodat het heel wel mogelijk is dat een zeer beweeglijke patiënt (als eiser toen kennelijk was), zich met veel rukken en trekken uit de onrustbanden heeft weten los te wringen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat gedaagde niet weersproken heeft gesteld dat niet gebleken is dat de sluitingen van de bij eiser aangebrachte onrustbanden geopend waren en dat eiser er nimmer in geslaagd is de sluitingen van de onrustbanden los te maken.

5.7

Het verwijt dat de onrustbanden onjuist/onzorgvuldig, niet conform het toepasselijke protocol zijn aangelegd is onvoldoende onderbouwd en moet worden verworpen. Uit niets blijkt dat de onrustbanden bij eiser onjuist of onzorgvuldig zouden zijn aangelegd. De enkele omstandigheid dat het eiser kennelijk toch gelukt is zich uit de onrustbanden los te wringen, rechtvaardigt nog niet de door eiser verdedigde gevolgtrekking dat het niet anders kan zijn dat de onrustbanden onjuist of onzorgvuldig zijn aangelegd, nu daaromtrent door eiser geen concrete feiten of omstandigheden zijn gesteld.

Aan de door eiser overgelegde brief van 19 februari 2004 van revalidatiearts W.C.G. Blanken kan niet de door eiser beoogde betekenis worden toegekend,

nu niet duidelijk is op basis van welke gegevens Blanken tot zijn conclusie komt dat de banden op een onjuiste wijze moeten zijn vastgezet en eiser het bij conclusie van antwoord daartegen gevoerde verweer van gedaagde geheel onweersproken heeft gelaten.

Voor zover eiser heeft bedoeld aan te voeren dat gedaagde in strijd gehandeld heeft met protocol Document ID 00100 getiteld: “Het fixeren van de patiënt door middel van polsbanden (pols- en enkelbanden)”, dient deze stelling te worden verworpen, nu eiser geen feiten of omstandigheden heeft gesteld die deze conclusie kunnen rechtvaardigen.

5.8

Uit de bij conclusie van dupliek overgelegde verpleegkundige rapportage valt op te maken dat eiser vanaf de datum van opname in het Erasmus MC met grote regelmaat vast lag in onrustbanden, dat hij zich kennelijk telkenmale uit de aangelegde onrustbanden wist los te wringen, over de onrusthekken klom en regelmatig het ziekenhuisbed verliet en lopend over de gang van de afdeling van het ziekenhuis werd aangetroffen, waarna eiser telkenmale door verplegend personeel naar bed is teruggeleid.

De relatief grote hoeveelheid aantekeningen in de verpleegkundige rapportage over een betrekkelijk korte periode van opname van eiser in het Erasmus MC, rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank niet de conclusie dat verplegend personeel onvoldoende zorg aan eiser zou hebben besteed, noch dat eiser niet voldoende geobserveerd zou zijn (voortdurende observatie wordt in de overgelegde protocollen niet voorgeschreven), noch dat de medische toestand van eiser niet volledig zou zijn weergegeven in het verpleegdossier.

De enkele omstandigheid dat in het medisch dossier niet is aangetekend dat de onrustbanden afdoende, overeenkomstig het toepasselijke protocol waren vastgemaakt, leidt niet tot de conclusie dat gedaagde onzorgvuldig heeft gehandeld dan wel een veiligheidsnorm heeft geschonden, nog daargelaten dat het betreffende protocol niet voorschrijft dat in het verpleegdossier moet worden aangetekend dat de onrustbanden overeenkomstig het protocol zijn vastgemaakt.

5.9

Het betoog van eiser dat er redenen zijn de bewijslast ten aanzien van het gebeurde op 15 oktober 2003 om te keren, omdat eiser door toedoen van gedaagde in bewijsnood verkeert nu gedaagde heeft nagelaten voor een adequate verslaglegging in het medisch dossier zorg te dragen, moet gelet op hetgeen hiervoor onder 5.8 is overwogen worden verworpen.

5.10

Eiser wijst er in zijn laatste akte op dat volgens de door gedaagde overgelegde aantekeningen van de verpleegkundige rapportage het ongeval van eiser zou hebben plaatsgevonden op 11 oktober 2003, doch verbindt daar geen consequenties aan, zodat de rechtbank deze opmerking, wat daar overigens van zij, laat voor wat die is.

5.11

Eiser wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten.

6. De beslissing

De rechtbank,

wijst af de vordering van eiser;

veroordeelt eiser in de proceskosten tot aan deze uitspraak aan de zijde van gedaagde bepaald op € 241,- aan vast recht en op € 904,- aan salaris voor de procureur;

verklaart dit vonnis voorzover het de proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman.

Uitgesproken ter openbare terechtzitting.

275/1729