Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2005:AU5095

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
06-07-2005
Datum publicatie
08-11-2005
Zaaknummer
BESLU 04/2737
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5231, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft geweigerd eiser, die de Kaapverdiaanse nationaliteit bezit en heeft gedurende een aantal jaren op Nederlandse zeeschepen gewerkt, als werkzoekende te registreren, omdat hij geen geldige verblijfsvergunning heeft overgelegd. Eiser heeft aangevoerd dat hij mogelijk reïntegratievoorzieningen misloopt. Gemachtigde van eiser heeft aangegeven dat het procesbelang van eiser is gelegen in het feit dat het niet als werkzoekende geregistreerd zijn, gevolgen kan hebben bij het verkrijgen van een tewerkstellingsvergunning, nu hij geacht wordt zich aan zijn sollicitatieplicht te houden. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat eiser voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij (nog) een rechtens te beschermen belang heeft bij een beoordeling van het beroep.

art. 25, eerste lid, sub c, Wet SUWI.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE ROTTERDAM

Meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Reg.nr.: BESLU 04/2737-GIMB

Uitspraak

in het geding tussen

[belanghebbende] wonende te [woonplaats], eiser,

gemachtigde mr. drs. M.J.G. Schroeder, advocaat te Rotterdam,

en

de Raad van bestuur van de Centrale organisatie werk en inkomen, gevestigd te Zoetermeer, verweerder.

1. Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 6 mei 2004 heeft verweerder geweigerd eiser te registreren als werkzoekende.

Tegen dit besluit (hierna: het primaire besluit) heeft eiser bij brief van 17 juni 2004, aangevuld bij schrijven van 16 oktober 2004, bezwaar gemaakt.

Bij brief van 13 september 2004, aangevuld bij schrijven van 16 oktober 2004, heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar.

Bij besluit van 7 december 2004 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft eiser bij brief van 10 december 2004, aangevuld bij schrijven van 21 december 2004, beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij brief van 14 maart 2005 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juni 2005. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. van Delden.

2. Overwegingen

Eiser bezit de Kaapverdiaanse nationaliteit en heeft gedurende een aantal jaren op Nederlandse zeeschepen gewerkt. Op 6 mei 2004 heeft hij verweerder verzocht om hem als werkzoekende te registreren.

Bij het primaire besluit heeft verweerder dit geweigerd omdat eiser geen geldige verblijfsvergunning heeft overgelegd, hetgeen is vereist op grond van artikel 25, eerste lid, sub c, van de Wet Structuur Uitvoeringsorganisatie Werk en Inkomen (hierna: de Wet SUWI).

In bezwaar heeft eiser aangevoerd dat hij op grond van artikel 26, eerste lid, van de Werkeloosheidswet (hierna: de WW) verplicht is om zich bij het Centrum voor werk en inkomen (hierna: het CWI) als werkzoekende te laten registreren. Hij heeft op 12 mei 2004 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd en is van mening dat hij in afwachting van een beslissing op die aanvraag bij het CWI kan worden geregistreerd. Inmiddels is aan eiser bij besluit van 1 september 2004 een uitkering krachtens de WW toegekend. Het primaire besluit is echter onrechtmatig omdat de verplichte aangifte van werkloosheid als bedoeld in artikel 26, eerste lid, sub a, van de WW wordt geweigerd. Artikel 25, lid 1, sub c, van de Wet SUWI is hiermee onverenigbaar en dient buiten toepassing te blijven.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder eisers bezwaar ongegrond verklaard. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het recht op registratie toekomt aan limitatief opgesomde categorieën personen als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de Wet SUWI en in artikel 2.1, van het Besluit van 20 december 2001 tot vaststelling van een algemene maatregel van bestuur ter uitvoering van de Wet SUWI (hierna: het Besluit SUWI). Verweerder wijst erop dat eiser niet betwist dat hij niet tot die groep behoort en dat verweerder daarom ingevolge vaste jurisprudentie gehouden is eiser inschrijving te weigeren, zulks ondanks het besluit van het UWV om eiser een WW-uitkering toe te kennen.

Eiser heeft in beroep hetgeen hij in bezwaar heeft gesteld herhaald. Voorts heeft hij aangevoerd dat, hoewel hij inmiddels een uitkering krachtens de WW toegekend heeft gekregen, hij mogelijk reïntegratievoorzieningen misloopt. Overigens is bij besluit van 12 november 2004 zijn vergunningaanvraag afgewezen en heeft hij hiertegen bezwaar gemaakt, alsmede een verzoek om een voorlopige voorziening bij deze rechtbank ingediend. Dat bezwaar en verzoek zijn thans nog aanhangig.

Verweerder heeft in beroep aangevoerd dat hij volgens vaste jurisprudentie de inschrijving van een belanghebbende als werkzoekende dient te weigeren als deze niet over een verblijfsvergunning beschikt. Het feit dat eiser op grond van artikel 8, van de Vreemdelingenwet rechtmatig in Nederland verblijft doet daar niet aan af. Verweerder is gehouden aan de wet en regelgeving.

Ingevolge artikel 25, eerste lid, van de Wet SUWI komt het recht zich als werkzoekende door verweerder te laten registreren, toe aan:

a. Nederlanders;

b. vreemdelingen op wie artikel 1 of artikel 10 van verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 oktober 1968 betreffende het vrij verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap (PbEG 1968, L257) van toepassing is;

c. vreemdelingen die beschikken over een krachtens de Vreemdelingenwet 2000 afgegeven vergunning, die is voorzien van een aantekening van Onze Minister van Justitie waaruit blijkt dat aan die vergunning geen beperkingen zijn verbonden voor het verrichten van arbeid;

d. vreemdelingen die behoren tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie.

Op grond van artikel 2.1, van het Besluit SUWI komt het recht zich als werkzoekende door de CWI te laten registreren, toe aan:

a. een vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijft, in de zin van artikel 8, onderdeel b of l, van de Vreemdelingenwet 2000;

b. een vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijft, in de zin van artikel 8, onderdeel a, van de Vreemdelingenwet 2000, die onvrijwillig werkloos is terwijl het verbod, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen nog van toepassing is, mits de vergunning tot verblijf het in Nederland verrichten van arbeid niet uitsluit;

c. een vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf heeft gehouden in de zin van artikel 8, onderdeel a tot en met e, of m, van de Vreemdelingenwet 2000, mits de vergunning tot verblijf het in Nederland verrichten van arbeid niet uitsloot, indien de vreemdeling onvrijwillig werkloos is, en mits hij:

1°. voor de beëindiging van dit verblijf een aanvraag heeft ingediend om voortgezette toelating, of

2°. binnen de termijn, genoemd in artikel 69, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, of buiten die termijn, in geval artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht toepassing heeft gevonden, bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft ingesteld tegen intrekking van de toelating in de zin van artikel 8, onderdeel a tot en met e, of m, van de Vreemdelingenwet 2000.

2. Het recht op registratie eindigt voor een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid, onder c, zodra:

a. onherroepelijk op de aanvraag, het bezwaar of het beroep is beslist, of

b. de uitzetting van de vreemdeling is gelast, tenzij die uitzetting ingevolge de Vreemdelingenwet 2000 of op grond van een rechterlijke beslissing achterwege dient te blijven.

De rechtbank overweegt als volgt.

Nu verweerder na het instellen van het beroep tegen het uitblijven van een tijdige beslissing op het bezwaar van eiser van 17 juni 2004 alsnog bij besluit van 7 december 2004 een reële beslissing op het bezwaar heeft genomen, dient het beroep tegen het uitblijven van een besluit niet-ontvankelijk te worden verklaard. Eiser heeft bij een uitspraak ter zake immers geen belang meer.

Gelet op het bepaalde in artikel 6:20, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt het beroep van eiser geacht mede gericht te zijn tegen het bestreden besluit.

De rechtbank ziet zich op de eerste plaats gesteld voor de vraag of eiser nog een procesbelang heeft bij de beoordeling van het bestreden besluit.

Naast hetgeen eiser heeft aangevoerd in zijn schrijven van 21 december 2004, te weten het mogelijk mislopen van reïntegratievoorzieningen, heeft zijn gemachtigde tijdens de behandeling ter zitting onder meer aangegeven dat het procesbelang van eiser is gelegen in het feit dat het niet als werkzoekende geregistreerd zijn, gevolgen kan hebben bij het verkrijgen van een tewerkstellingsvergunning, nu hij geacht wordt zich aan zijn sollicitatieplicht te houden.

De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat eiser voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij (nog) een rechtens te beschermen belang heeft bij een beoordeling van het beroep. De rechtbank zal derhalve overgaan tot een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit.

De rechtbank dient te beoordelen of verweerder terecht heeft geweigerd eiser als werkzoekende te registreren.

De rechtbank stelt vast dat niet in geding is dat eiser de Kaapverdiaanse nationaliteit heeft en niet behoort tot de categorieën personen genoemd in artikel 25, eerste lid, van de Wet SUWI in samenhang met artikel 2.1, van het Besluit SUWI. Uit deze bepalingen vloeit voort dat eiser niet het recht toekomt zich door verweerder als werkzoekende te doen registreren. Hieraan doet niet af dat eiser ten tijde van het bestreden besluit een verblijfsrechtelijke status ontleende aan artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000, nu deze status niet ontleend wordt aan een verblijfstitel als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de Wet SUWI in samenhang met artikel 2.1, van het Besluit SUWI.

Voorzover eiser heeft beoogd om artikel 25, lid 1, sub c, van de Wet SUWI - zijnde een bepaling van een wet in formele zin -, vanwege strijd met de verplichte aangifte van werkloosheid als bedoeld in art. 26, eerste lid, sub a, van de WW, buiten toepassing of zelfs onverbindend te laten verklaren door de rechtbank, is de rechtbank van oordeel dat haar deze bevoegdheid niet toekomt. Zij verwijst hierbij naar het arrest van de Hoge-Raad van 14 april 1989, gepubliceerd in NJ 1989, 469.

Uit het bovenstaande volgt dat verweerder bij het bestreden besluit terecht eiser niet als werkzoekende heeft geregistreerd, zodat eisers beroep ongegrond zal worden verklaard.

De rechtbank ziet aanleiding om verweerder, voor wat betreft het beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen, te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep tot aan deze uitspraak redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank bepaalt de proceskosten op € 80,50 aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Van overige kosten waarop een veroordeling betrekking kan hebben, is de rechtbank niet gebleken.

3. Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen het primaire besluit niet-ontvankelijk,

verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond,

veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 80,50 en wijst de Centrale organisatie werk en inkomen aan als de rechtspersoon die deze kosten aan eiser moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.F.C. Francken als voorzitter en mr. L.A.C. van Nifterick en mr. L.M.A. Gimbrère als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van mr. C.E. Delvaux als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2005.

De griffier: De voorzitter:

Afschrift verzonden op:

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiser wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.