Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2005:AU5083

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
26-10-2005
Datum publicatie
27-10-2005
Zaaknummer
10/101314-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het is mede aan de schuld van verdachte te wijten geweest dat het slachtoffer - de vriendin van de medeverdachte – in het Zuiderpark te Rotterdam het leven heeft gelaten. Verdachte heeft samen met zijn mededader aan het slachtoffer, dat al zwaar onder invloed was van verdovende middelen en alcohol en fysiek in een zeer slechte conditie verkeerde buiten in de vrieskou op een bankje in het park pillen en bier gegeven. Mede als gevolg daarvan is zij in slaap gevallen en daarna overleden.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 307
Wetboek van Strafrecht 310
Wetboek van Strafrecht 311
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummers van de berechte zaken: 10/101314-04 + 10/06361104 (ter terechtzitting gevoegd)

Parketnummer van de vordering tenuitvoerlegging: 10/061094-04

Datum uitspraak: 26 oktober 2005

Tegenspraak

Na aanhouding bepaalde tijd: verschenen

VONNIS

van de RECHTBANK TE ROTTERDAM, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken

tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres: [adres]

ten tijde van het onderzoek ter terechtzitting gedetineerd in de Penitentiaire Inrichtingen Zuid West, Huis van Bewaring “De Dordtse Poorten” te Dordrecht, doch thans niet langer gedetineerd.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

12 oktober 2005.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding onder parketnummer 10/063611-04 en in de inleidende dagvaarding onder parketnummer 10/101314-04, zoals deze ter terechtzitting overeenkomstig de vorderingen van de officier van justitie is gewijzigd ter terechtzitting van 1 maart 2005 en ter terechtzitting van 31 augustus 2005. Van deze dagvaardingen en vorderingen zijn kopieën in dit vonnis gevoegd (bladzijden genummerd A1 tot en met A11).

DE EIS VAN DE OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Hambeukers heeft gerekwireerd - zakelijk weergegeven - de -vrijspraak van de in de zaak met parketnummer 10/101314-04 onder primair ten laste gelegde moord [naam slachtoffer] en de bewezenverklaring van de eveneens onder primair ten laste gelegde doodslag op dat slachtoffer, alsmede de bewezenverklaring van het in de zaak onder parketnummer 10/063611-04 tenlastegelegde en de veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek van voorarrest.

VORDERING TENUITVOERLEGGING VOORWAARDELIJKE VEROORDELING

De officier van justitie heeft voorts ingediend een vordering tot tenuitvoerlegging, ertoe strekkende dat de rechtbank de tenuitvoerlegging zal gelasten van het voorwaardelijk gedeelte groot 2 maanden van de aan de verdachte bij vonnis van de politierechter in deze rechtbank d.d. 2 juli 2004 onder parketnummer 10/061094-04 opgelegde gevangenisstraf.

Ter terechtzitting heeft de officier van justitie alsnog gevorderd dat de tenuitvoerlegging zal worden afgewezen, doch dat de proeftijd, aan verdachte bij vonnis onder voormeld parketnummer opgelegd, zal worden verlengd voor de duur van één jaar, teneinde verdachte ertoe te bewegen om de hem bij voormeld vonnis opgelegde bijzondere voorwaarde gedurende langere tijd na te leven.

NIET BEWEZEN

Het in de zaak met parketnummer 10/101314-04 primair, subsidiair, meer subsidiair en meest subsidiair ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

De rechtbank is van oordeel dat met name niet overtuigend is bewezen dat het oogmerk bij verdachte, ook niet in voorwaardelijke zin, was gericht op de dood van het slachtoffer.

BEWEZEN

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 10/101314-04 uiterst subsidiair ten laste gelegde en het in de zaak met parketnummer 10/063611-04 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze, dat:

Ten aanzien van parketnummer 10/101314-04 uiterst subsidiair:

hij in de periode van 6 december 2003 tot en met 12 december 2003 te Rotterdam, samen en in vereniging met een ander aanmerkelijk onvoorzichtig en onachtzaam en nalatig

[naam slachtoffer] (een combinatie van) medicijnen (promethazine en

temazepam) en alcohol

heeft gegeven

ter inname

terwijl die [slachtoffer] mede tengevolge van andere

stoffen in een roes en/of hulpeloze toestand was geraakt en in een (zeer)

slechte algemene lichamelijke toestand verkeerde en/of

vergiftigingsverschijnselen vertoonde en/of (ernstige) vergiftigd was,

en/of

- die [slachtoffer] in de buitenlucht heeft laten verblijven

in het Zuiderpark

en

- naar het Zuiderpark, althans een plaats in de buitenlucht heeft gebracht en

- die [slachtoffer] (aldus) heeft blootgesteld aan de kans dat zij onderkoeld zou

raken en/of (anderszins) (groot) gezondheidsrisico zou lopen,

waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Ten aanzien van parketnummer 10/063611-04:

hij op 03 september 2004 te Rotterdam

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een doos

inhoudende een Dolby Surroundset,

toebehorende aan de Blokker BV, welke diefstal werd gevolgd van

geweld tegen

[naam slachtoffer 2] (werkzaam als bedrijfsleidster bij de Blokker), gepleegd met het

oogmerk om

bij betrapping op heterdaad aan zichzelf het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld

bestond uit

het trappen tegen die doos (terwijl die [slachtoffer 2] die doos in haar

handen had) waarbij die doos tegen het lichaam van die [slachtoffer 2] is gekomen;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezen verklaarde tenlastelegging kennelijke verschrijvingen voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

BEWIJS

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de inhoud van wettige bewijsmiddelen.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist, in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

TOELICHTING OP DE BEWEZENVERKLARING TEN AANZIEN VAN DE ZAAK MET PARKETNUMMER 10/101314-04 UITERST SUBSIDIAIR:

Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is de rechtbank het volgende gebleken:

- Het slachtoffer [naam slachtoffer] heeft haar gezondheid jarenlang ondermijnd door het gebruik van verdovende middelen, medicijnen en drank. In het laatste jaar van haar leven is haar gezondheidstoestand sterk achteruit gegaan. Van deze achteruitgang zijn medeverdachte S., met wie het slachtoffer een jarenlange relatie had, als ook verdachte in een wat later stadium getuige geweest. Blijkens hun verklaringen waren zij zich van de bijzonder slechte conditie van het slachtoffer ook bewust.

- Op 6 december 2003, althans op een avond kort daarna, zijn het slachtoffer, verdachte en de medeverdachte S. in de woning aan de [adres woning] samen aanwezig geweest en hebben daar gedrieën verdovende middelen, pillen en alcohol gebruikt.

- Door verdachte en S. is blijkens de door hen afgelegde verklaringen geconstateerd dat het slachtoffer zich die bewuste avond -mede als gevolg van haar gebruik- in een zeer slechte conditie bevond en zich nauwelijks nog kon voortbewegen of staande houden. Men beoordeelde haar toestand op dat moment als nog erger dan voorheen.

- Het reeds zwaar onder invloed verkerende slachtoffer heeft er die avond langdurig op aangedrongen om cocaïne te gaan halen, omdat zij nog (meer) cocaïne wilde gebruiken en die kennelijk niet meer in de woning voorhanden was. Verdachte en S. hebben hiermee ingestemd en hebben met het slachtoffer de woning verlaten om in de Millinxbuurt cocaïne te gaan kopen.

- blijkens de informatie verstrekt door het KNMI waaide het op 6 december 2003 in Rotterdam Zuid zwak tot matig (kracht 2 tot 4) en werd in de late avond een minimumtemperatuur van ca. -1 graad Celsius bereikt. Aan de grond daalde de temperatuur tot ca. -3 graden Celsius. Op 7 december 2003 daalde de minimumtemperatuur in de nacht en vroege ochtend naar ca. -3 graden Celsius, aan de grond -5 graden Celsius. De wind bleef onveranderd. Ook op 8 december 2003 heeft het tijdens de nacht, een deel van de ochtend en de avond licht gevroren. De minimumtemperatuur bedroeg ca. -4 graden Celsius. De wind was tot zwak afgenomen.

- Gedrieën zijn verdachte, S. en het slachtoffer in de richting van de Millinxbuurt gaan lopen. Het slachtoffer was er op dat moment fysiek zo slecht aan toe dat zij - blijkens de verklaringen van verdachte en S. - nauwelijks in staat was om de afstand van de Menenkamp naar de Millinxbuurt lopend te overbruggen. Zij kon slechts kort achtereen lopen, zakte met regelmaat ineen en moest tijdens het lopen worden ondersteund. Tijdens het lopen hebben verdachte en S. met elkaar besproken dat het slachtoffer al teveel drugs en pillen op had.

- Na in de Millinxbuurt geweest te zijn en daar al dan niet cocaïne te hebben gekocht zijn verdachte, S. en het slachtoffer weer op weg gegaan naar huis. Omdat het slachtoffer evenwel niet meer in staat was om verder te lopen en zij op dat moment ook opnieuw verdovende middelen c.q. pillen wilde gebruiken, zijn verdachte, S. en het slachtoffer op een bankje in het Zuiderpark in Rotterdam gaan zitten.

- Ter plaatse heeft S. het slachtoffer wederom een aanzienlijke hoeveelheid pillen (promethazine en temazepam) gegeven en heeft verdachte het slachtoffer bier gegeven om de pillen mee weg te slikken.

- Het slachtoffer heeft hierop de promethazine en temazepam met bier ingenomen. Ook verdachte en S. hebben deze pillen geslikt. Ten gevolge daarvan zijn zij alledrie ter plekke in een diepe slaap gevallen, een uitwerking waarmee beiden hebben verklaard uit ervaring bekend te zijn geweest.

- Toen verdachte en de medeverdachte wakker werden, constateerden zij dat [slachtoffer] van het bankje was gevallen en dat zij niet meer bewoog. Verdachte en de medeverdachte hebben haar hierop in de bosschages neergelegd en achtergelaten.

- Op 12 december 2003 is het levenloze lichaam van het slachtoffer in het Zuiderpark in de bosjes aangetroffen.

- Volgens verdachte en S. was het slachtoffer ten tijde van de wandeling op of rond

6 december 2003 gekleed in een leren jas, T-shirt, lange broek, gympen en sokken. Ten tijde van het aantreffen op 12 december 2003 ontbraken zelfs nog de jas en de schoenen.

Op grond van de vorenomschreven feitelijke gang van zaken komt de rechtbank tot het volgende oordeel.

Verdachte en S. wisten beiden dat het slachtoffer al langere tijd in een erbarmelijke lichamelijke conditie verkeerde en hebben kunnen constateren dat haar toestand op de avond c.q. in de nacht dat zij gezamenlijk de woning hebben verlaten om cocaïne te gaan kopen nog eens aanzienlijk verslechterd was. Zij was immers niet meer tot zelfstandig voortbewegen in staat. Tot slot heeft het aan beiden niet kunnen ontgaan dat het die avond c.q. nacht buiten zeer koud was.

Verdachte en zijn mededader hebben onder die omstandigheden in de vrieskou en terwijl het slachtoffer in bijzonder slechte toestand verkeerde aan het slachtoffer promethazine, temazepam en alcohol gegeven, zonder zich te bekommeren om de gevolgen die een hoge dosis drugs en pillen voor het slachtoffer zou kunnen betekenen. Zij wisten dan wel hadden in ieder geval moeten weten dat zij op zijn minst genomen daardoor voor enige tijd in een diepe slaap zou geraken. Verdachte en zijn mededader hebben haar daarna in het park achtergelaten zonder dat was onderzocht of zij buiten kennis of inmiddels overleden was. Verdachte heeft met zijn mededader aldus dermate onvoorzichtig, onachtzaam en nalatig gehandeld dat de dood van het slachtoffer mede aan zijn schuld te wijten is geweest.

De rechtbank heeft hierbij gebruik gemaakt van de (deels) bekennende verklaringen van verdachte, ondanks dat hij deze nadien heeft teruggenomen.

De rechtbank acht deze bekennende verklaringen geloofwaardig, mede aangezien de inhoud van die verklaringen grotendeels wordt ondersteund door de bekennende verklaringen van de medeverdachte en elementen daarin zoals onder andere de plaats waar het slachtoffer naar toe is gebracht ook corresponderen met objectief vastgestelde gegevens, zoals de plaats waar het slachtoffer is aangetroffen. De verklaring van verdachte dat hij die bewuste avond /nacht in het geheel niet in het gezelschap van de medeverdachte en het slachtoffer is geweest acht de rechtbank niet geloofwaardig, aangezien verdachte zelf ook tegenover anderen dan de politie over zijn aanwezigheid ter plaatse heeft verteld.

De omstandigheid dat verdachte en de medeverdachte zelf ook onder invloed van verdovende middelen en / of alcohol waren, doet hieraan verder niet af, temeer daar uit de bewijsmiddelen blijkt dat zij zich voor het verstrekken van de middelen van de precaire situatie van het slachtoffer bewust waren.

STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

De bewezen feiten leveren op:

Ten aanzien van parketnummer 10/101314-04 uiterst subsidiair:

Medeplegen van aan zijn schuld de dood van een ander te wijten zijn.

Ten aanzien van parketnummer 10/063611-04:

Diefstal, gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad het bezit van het gestolene te verzekeren.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn strafbaar.

STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is strafbaar.

MOTIVERING VAN DE STRAF

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Het is mede aan de schuld van verdachte te wijten geweest dat het slachtoffer - de vriendin van de medeverdachte – in het Zuiderpark te Rotterdam het leven heeft gelaten. Verdachte heeft samen met zijn mededader aan het slachtoffer, dat al zwaar onder invloed was van verdovende middelen en alcohol en fysiek in een zeer slechte conditie verkeerde buiten in de vrieskou op een bankje in het park pillen en bier gegeven. Mede als gevolg daarvan is zij in slaap gevallen en daarna overleden. Met name de achteloosheid waarmee verdachte en zijn mededader aan de belangen van een medemens zijn voorbij gegaan en het feit dat zij haar zonder zich verder meer om haar te bekommeren in het park hebben achtergelaten kan schokkend worden genoemd. Het toont in geen geval respect voor het menselijk leven en dit handelen is door de dood van het slachtoffer ook onherstelbaar geworden. Dit is een bijzonder tragische gebeurtenis.

Naast dit feit heeft verdachte op 3 september 2004 nog een winkeldiefstal gepleegd waarbij hij geweld tegen het personeel niet heeft geschuwd om zich van het bezit van het gestolene te verzekeren. Voor het vrouwelijke personeelslid van de winkel moet het een beangstigende ervaring zijn geweest. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke feiten nog lange tijd nadien psychisch nadelige gevolgen kunnen ondervinden.

Gelet op de ernst van de feiten kan niet anders gereageerd worden dan met het opleggen van een gevangenisstraf van enige duur.

Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank meegewogen dat verdachte blijkens een uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 16 december 2004 op 2 juli 2004 - onder meer wegens geweldsdelicten - is veroordeeld tot een (deels) voorwaardelijke vrijheidsstraf. Ter zake van deze voorwaardelijke vrijheidsstraf wordt thans de verlenging van de proeftijd wordt gevorderd.

De rechtbank heeft kennis genomen van het omtrent verdachte opgemaakte psychologisch rapport d.d. 30 november 2004, opgemaakt door Drs. J.J. van der Weele, psycholoog te Goes en van het omtrent verdachte opgemaakte psychiatrisch rapport d.d. 13 februari 2005, opgemaakt door L. Beverloo, psychiater te Rotterdam.

Uit het rapport van de psycholoog komt naar voren dat er bij de verdachte sprake is van een

gebrekkig ontwikkelde persoonlijkheidsstructuur en een sterke afhankelijkheid van met name alcohol, maar ook van andere middelen, zodanig dat hij weinig controle meer heeft over zijn gebruik. Behoudens wanneer opzet bewezen zou zijn, kan verdachte ten aanzien van veronderstelde nalatigheid als licht verminderd toerekeningsvatbaar worden aangemerkt.

Uit het door de deskundige L. Beverloo opgemaakte rapport komt het volgende naar voren dat bij betrokkene geen sprake is van een psychiatrische stoornis in engere zin. Wel is sprake van een ernstige verslaving aan alcohol, drugs- en pillenmisbruik. Ten tijde van het ten laste gelegde verkeerde verdachte onder invloed van alcohol en diverse pillen, hetgeen hem een verminderd vermogen gaf om situaties naar behoren in te schatten en te handelen, hetgeen al met al reden is om verdachte licht verminderd toerekeningsvatbaar te achten.

De rechtbank neemt de hiervoor weergegeven bevindingen en conclusies van de deskundigen over en maakt deze tot de hare.

De rechtbank heeft tenslotte kennis genomen van een omtrent verdachte uitgebracht voorlichtingsrapport van DeltaBouman d.d. 10 januari 2005, opgemaakt door Mevr. P.C. Tijs-Janssoone, waarin is aangegeven dat verdachte in het kader van de hulpverlening contact heeft met veldwerkers van DeltaBouman en met de heer Djaio, zorgmakelaar van DeltaBouman.

Voorts is in dit rapport aangegeven dat opname in de afkickkliniek van DeltaBouman, waarvoor verdachte reeds in september 2004 is aangemeld, is geïndiceerd om het risico van terugval in het gebruik van alcohol na zijn detentie te voorkomen. Aangegeven is voorts dat er in een vervolgtraject aandacht besteed zou kunnen worden aan een dagbesteding en verdere ambulante begeleiding van verdachte.

De rechtbank acht de geschetste activiteiten op zich een goede ontwikkeling in het leven van verdachte, doch ziet geen aanleiding de navolging van deze plannen door het opleggen daarvan als bijzondere voorwaarde bij een deels voorwaardelijke detentie nog nader te moeten ondersteunen.

Alles afwegend komt de rechtbank tot de conclusie dat de na te noemen straf passend en geboden is.

DE VORDERING TOT TENUITVOERLEGGING

Bij op tegenspraak gewezen vonnis van de politierechter in deze rechtbank d.d.

2 juli 2004 is de verdachte terzake van -kort gezegd- twee diefstallen met geweld, bedreiging, vernieling, belediging en oplichting veroordeeld - voor zover van belang- tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat - gelet op de inhoud van genoemd voorlichtingsrapport van DeltaBouman en het daarin genoemde belang van een spoedige aanvang van de opname van de verdachte in een afkickkliniek en aandacht voor de invulling van een dagbesteding en verdere ambulante begeleiding van verdachte - de vordering tot tenuitvoerlegging moet worden afgewezen en de proeftijd dient te worden verlengd met 1 jaar.

Verdachte heeft ter terechtzitting te kennen gegeven ook open te staan voor hulpverlening.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 47, 57, 307, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart niet bewezen, dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 10/101314-04 onder primair, subsidiair, meer subsidiair en meest subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

- verklaart bewezen, dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 10/101314-04 onder uiterst subsidiair en in de zaak onder parketnummer 10/063611-04 ten laste gelegde, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

- stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

- verklaart de verdachte strafbaar;

- veroordeelt de verdachte terzake van de bewezen verklaarde feiten tot een gevangenisstraf voor de tijd van NEGEN (9) maanden;

- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

- wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 10/061094-04;

- verlengt de bij vonnis d.d. 2 juli 2004 van de politierechter in deze rechtbank aan verdachte onder parketnummer 10/061094-04 opgelegde proeftijd met 1 (EEN) jaar.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Van de Grampel, voorzitter,

en mrs. Havik en Janssen, rechters,

in tegenwoordigheid van Nederlof, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 14 september 2005, zijnde de oudste en de jongste rechter buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.