Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2005:AU4413

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-09-2005
Datum publicatie
17-10-2005
Zaaknummer
05/993 PARKBL
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Naheffingsaanslag parkeerbelasting wegens ontbreken leesbare parkeervergunning achter voorruit voertuig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2005-2063
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Registratienummer: PARKBL 05/993-NIFT

Uitspraakdatum: 30 september 2005

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 26 Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[Belanghebbende], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de directeur gemeentebelastingen Rotterdam, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Met dagtekening van 7 januari 2005 heeft verweerder aan eiser voor het op 27 oktober 2004 parkeren van een voertuig met kentekennummer DF-GN-81 op de locatie Havenzichtstraat te Rotterdam een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.

Tegen deze aanslag is door eiser bij brief van 6 januari 2005 bezwaar gemaakt.

Bij uitspraak met dagtekening van 21 februari 2005 heeft verweerder de naheffingsaanslag gehandhaafd.

Bij brief van 28 februari 2005 heeft eiser beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij brief van 22 april 2005 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 september 2005. Eiser is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. van der Vlegel.

2. Beoordeling van het geschil

Terzake van het parkeren op 27 oktober 2004 op de locatie Havenzichtstraat te Rotterdam is aan eiser een naheffingsaanslag van de gemeente Rotterdam opgelegd ten bedrage van

€ 46,25, bestaande uit € 1,25 aan verschuldigde parkeerbelasting en € 45,-- aan kosten terzake van het opleggen van de aanslag. De aanslag is, na daartegen gemaakt bezwaar door eiser, bij uitspraak van 21 februari 2005 door verweerder gehandhaafd.

In beroep heeft eiser aangevoerd dat hij over een parkeervergunning (hierna: vergunning) beschikt om in de Havenzichtstraat te parkeren en dat hij voor deze vergunning heeft betaald, dus parkeerbelasting heeft voldaan. Voorts heeft eiser aangevoerd dat de vergunning zichtbaar was geplakt achter de voorruit van de personenauto.

Verweerder heeft hetgeen eiser heeft aangevoerd gemotiveerd bestreden.

De rechtbank overweegt als volgt.

Niet weersproken is dat de auto van eiser stond geparkeerd op een plaats en tijdstip welke door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam is aangewezen als een onder het regime van de Verordening parkeerregulering en parkeerbelasting 2004 (hierna: Verordening) vallende parkeerplaats. Dit houdt in dat op deze locatie en gedurende bepaalde tijdvakken uitsluitend kan worden geparkeerd met een van gemeentewege verstrekte vergunning, dan wel met een parkeerkaartje dat is verkregen uit de betaalautomaat.

Niet in geschil is dat eiser in het tijdvak 2004 voor het voertuig met kentekennummer DF-GN-81 beschikte over een vergunning om te mogen parkeren in de Havenzichtstraat.

Vast staat, en overigens niet betwist, dat aan het gebruik van de vergunning de voorwaarde is verbonden dat deze op een van buitenaf leesbare plaats direct achter de voorruit van een voertuig dient te worden aangebracht.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser tegenover de gemotiveerde betwisting door verweerder niet aannemelijk gemaakt dat de vergunning van buitenaf op een voldoende leesbare wijze achter de voorruit van zijn auto was geplaatst. De rechtbank merkt hierbij op dat door eiser niet is betwist dat aan hem in het belastingjaar 2004 tenminste vier maal een naheffingsaanslag is opgelegd, waarbij hij in twee gevallen eveneens heeft gesteld dat de parkeervergunning zichtbaar achter de voorruit zou zijn geplakt, hetgeen zijn stelling niet geloofwaardiger maakt.

Uit het vorenstaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat eiser heeft geparkeerd zonder zichtbare vergunning, terwijl hij daar wel over beschikte en hij daarvoor verschuldigde belasting heeft voldaan.

Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat het niet voldoen aan de voorschiften die aan de vergunning zijn verbonden gezien wordt als parkeren zonder vergunning.

Verweerder voert het beleid om maximaal twee maal voor het tijdvak waarvoor de vergunning geldig is de naheffingsaanslag te vernietigen in het geval er geen vergunning achter de voorruit is geplaatst. Niet betwist is dat verweerder reeds twee naheffingsaanslagen van eiser in het tijdvak 2004 heeft vernietigd wegens het niet beschikken over een geldig betaalbewijs.

Niet gebleken is dat eiser in het onderhavig geval door middel van een parkeerkaartje parkeerbelasting heeft betaald.

Uit het vorenstaande volgt derhalve dat het beroep van eiser ongegrond dient te worden verklaard.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. L.A.C. van Nifterick.

De beslissing is op 30 september 2005 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. A.J.J. van der Vlist, griffier.

De griffier: De rechter:

Afschrift aangetekend

verzonden aan partijen:

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag; dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.