Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2005:AU4040

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
03-10-2005
Datum publicatie
11-10-2005
Zaaknummer
104928 / RK 05-63, 10/996506-04
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wraking; artikel 512 e.v. Wetboek van Strafvordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE ROTTERDAM

NEVENZITTINGSPLAATS RECHTBANK TE MAASTRICHT

Zaaknummer: 104928/ RK 05-63

Parketnummer: 10 / 996506-04

De rechtbank te Rotterdam, meervoudige kamer belast met de behandeling van wrakingszaken;

Beschikking op het namens:

[Naam verzoeker],

[Geboortedatum en geboorteplaats],

[Adres en woonplaats],

door zijn raadsman, mr. B.C.W. van Eijck, ter zitting van de raadkamer strafzaken in deze rechtbank van 3 oktober 2005 mondeling voorgedragen verzoek, strekkende tot wraking van de rechter [Naam rechter], op de gronden zoals vermeld in het proces-verbaal van de raadkamerbehandeling van 3 oktober 2005, parketnummer 10 / 996506-04, en zoals nader toegelicht ter zitting van deze kamer op 3 oktober 2005, waarvan proces-verbaal.

BEOORDELING

Het verzoek tot wraking is gebaseerd op de gronden, welke zijn opgenomen in het proces-verbaal van de raadkamerbehandeling van 3 oktober 2005, welke gronden ter zitting van deze kamer van 3 oktober 2005 door de raadsman zijn toegelicht.

Wraking is het middel dat de verdachte in het strafproces ten dienste staat om het hem - onder meer ingevolge artikel 6, lid 1, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheiden (EVRM) - toekomende recht op behandeling van zijn strafzaak door een onpartijdige rechter af te dwingen. Gelet op het bepaalde in artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering is wraking mogelijk op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

Van dergelijke feiten en omstandigheden kan in de eerste plaats sprake zijn gelet op de persoonlijke instelling van de rechter. In dat verband heeft als uitgangspunt te gelden dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij een uitzonderlijke omstandigheid een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de rechter jegens de verdachte enige vooringenomenheid koestert, althans dat de - objectief gerechtvaardigde – vrees bestaat dat de rechter niet onpartijdig is.

De rechtbank is van oordeel dat van een gebrek aan onpartijdigheid in deze – subjectieve - zin in het onderhavige geval geen sprake is. Aanwijzingen dat [Naam rechter] bij de behandeling van de strafzaak jegens verdachte enige vooringenomenheid heeft gekoesterd zijn de rechtbank niet gebleken.

Wraking is voorts mogelijk als feiten en omstandigheden, los van de persoonlijke instelling van de rechter, de verdachte grond geven te vrezen dat de rechter niet onpartijdig is, in welk kader van belang is dat ook de schijn van partijdigheid wordt vermeden.

In dat licht heeft de rechtbank vastgesteld dat uit de overgelegde correspondentie blijkt dat er maandenlang (vanaf januari 2005 t/m september 2005) e-mailverkeer heeft plaatsgevonden tussen de behandelend officier van justitie en/of haar parketsecretaris en [Naam rechter], die pas nadat de raadslieden daarom hadden gevraagd aan de raadslieden is verstrekt.

Gelet op het feit dat deze correspondentie pas zo laat en pas op verzoek van de raadslieden is verstrekt vindt de rechtbank het voorstelbaar dat verdachte niet elke zinsnede uit de correspondentie op de voor de betreffende correspondent meest gunstige wijze uitlegt.

De rechtbank doelt hier met name op de volgende zinsneden die naar haar oordeel hetzij multi-interpretabel zijn hetzij verder gaan dan het enkel bepalen van zittingsdagen:

- "(...) het gvo zou daartoe dan moeten gesloten; zouden de verhoren nog niet zijn afgerond, dan zou de zaak daartoe weer naar de RC kunnen worden terugverwezen; (...)" (e-mail van [Naam rechter] aan de behandelend officier van justitie d.d. 19 mei 2005 15:23 uur, 9e bolletje);

- "(...) en daarnaast uiteraard afhankelijk van de beslissing van de rechtbank op de vier bezwaarschriften!- kan dan aansluitend, zonder al te veel vertraging, de regiezitting in de vier [YYY-zaken] doorgaan" (e-mail van [Naam rechter] aan de behandelend officier van justitie d.d. 22 augustus 2005 16:28 uur, 4e alinea, 8e regel);

- "(...) In de hiervoor weergegeven planning heb ik de presentatie (over de zgn. "gum-regel", toev. Rb.) opgenomen als "aftrap" in alle zaken, quasi in het verlengde van het voordragen van de tenlasteleggingen tijdens de regiezitting. (...)" (e-mail van [Naam rechter] aan de behandelend officier van justitie d.d. 22 augustus 2005 16:28 uur, 2e pagina 2e en 3e regel);

- "Ik stuur dit mailtje c.c. naar [Naam RC te Rotterdam], (...) met het verzoek om (zoals telefonisch reeds besproken) daadwerkelijk ruimte vrij te houden voor verhoren tussen de regiezitting en de eerste zittingsdag" (p.s. van de hiervoor genoemde e-mail).

Tevens heeft de rechtbank hierbij het oog op het feit dat [Naam rechter] niet expliciet afwijzend heeft gereageerd op een zinsnede in de e-mail van de officier van justitie d.d. 19 augustus 2005 als: "het zou kunnen dat ik [xxx] oproep als getuige, in het kader van het requisitoir iets doe, maar het zou ook bij het voorhouden van de stukken kunnen gebeuren. Kortom wilt u even met mij meedenken hoe dit vorm te geven/moment te kiezen in de inhoudelijke zitting".

De rechtbank begrijpt heel wel dat de nodige zinsneden die hiervoor zijn geciteerd uit hun context zijn gehaald doch de rechtbank acht het, mede in het licht van artikel 262, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, voldoende aannemelijk dat een verdachte, juist omdat hij verdachte is, aan dergelijke zinsneden een negatieve uitleg geeft. Aldus komt de rechtbank tot het oordeel dat bij verdachte het idee heeft kunnen postvatten dat [Naam rechter] vooringenomen is geweest. De rechtbank heeft daarbij ook meegewogen dat haar uit de overgelegde e-mail correspondentie is gebleken dat de correspondentie tussen [Naam rechter] en de behandelend officier van justitie en/of haar parketsecretaris aanmerkelijk meer heeft omvat dan waartoe artikel 258, zesde lid, van het Wetboek van Strafvordering, mede gelet op de ook in de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel ter zake verwoorde directieve rol van de voorzitter (TK 2003-2004, 29254, nr. 3, blz. 4-12), de ruimte biedt.

Gelet op het vorenstaande is naar het oordeel van de rechtbank in casu onvoldoende vermeden dat de schijn van partijdigheid kon ontstaan, en valt niet uit te sluiten dat [Naam rechter] bij verdachte de schijn van partijdigheid heeft gewekt.

Het verzoek tot wraking van [Naam rechter] dient derhalve te worden toegewezen.

BESLISSING

Wijst het verzoek tot wraking van [Naam rechter] toe.

Aldus gewezen op 5 oktober 2005 door mrs. J.R. Sijmonsma, P.J.M. Bruijnzeels en F.A.G.M. Vluggen, rechters, in het bijzijn van de griffier P.J. van der Zee.

PZ