Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2005:AU3218

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-03-2005
Datum publicatie
26-09-2005
Zaaknummer
520468
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gedaagde heeft met Dexia Bank Nederland een lease-overeenkomst m.b.t. een aandelenpakket gesloten. Gedaagde is met nakoming van de betalingsverplichting in gebreke gebleven. Dexia vordert nakoming van de overeenkomst van de zijde van gedaagde, welke vordering onder de in het vonnis genoemde omstandigheden wordt toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2005, 436
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak: 16 maart 2005

V O N N I S VAN DE RECHTBANK ROTTERDAM

Sector kanton

I N Z A K E :

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Dexia Bank Nederland B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres bij exploot van dagvaarding d.d. 19 augustus 2004,

verweester in reconventie,

gemachtigde: Maas Delta Deurwaarders te Rotterdam,

T E G E N :

[geda[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde bij gemeld exploot,

eiseres in reconventie,

gemachtigde: mr. E. Oversier, advocaat te Hoofddorp

1. HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE:

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende processtukken:

- dagvaarding;

- conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie;

- conclusie van repliek, tevens antwoord in reconventie, tevens voorwaardelijk akteverzoek;

- conclusie van dupliek, tevens repliek in reconventie, tevens antwoordakte;

- conclusie van dupliek in reconventie;

alsmede van de achter de processtukken gevoegde producties.

De datum van de uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. DE VASTSTAANDE FEITEN:

Tussen partijen - verder te noemen Dexia en [gedaagde] staat, mede gelet op de door partijen overgelegde producties, als niet dan wel onvoldoende weersproken, het volgende vast:

2.1 Dexia is de rechtsopvolgster onder algemene titel van de Bank Labouchere N.V. (hierna Labouchere).

2.2 Op 25 mei 2000 heeft [gedaagde] met Labouchere een lease-overeenkomst gesloten onder de naam “Winstverdriedubbelaar” met contractnummer [nummer] (hierna : de overeenkomst). De overeenkomst heeft een looptijd van 36 maanden waarbij [gedaagde] van Labouchere een door haar gekocht pakket aandelen/effecten met een aankoopbedrag van € 8.032,98 least voor een lease-som van € 9.718,50. Deze lease-som is opgebouwd uit het voormelde aankoopbedrag en een bedrag van € 1.685,52 aan rente.

2.3 [gedaagde] diende volgens de overeenkomst de genoemde leasesom als volgt aan Labouchere/Dexia te voldoen:

gedurende de looptijd van de overeenkomst elke maand, in totaal dus 36 keer, een maandtermijn van € 46,82 via automatische incasso te betalen op of omstreeks de 1e dag van iedere maand;

€ 45,38 op of omstreeks de 35e maand;

€ 7.987,60 aan het einde van de overeenkomst, volgens de overeenkomst in principe te verrekenen met de verkoopopbrengst van de aandelen.

2.4 In de overeenkomst wordt Labouchere ook aangeduid als “Legio-Lease” of de “Bank” en worden de geleaste aandelen/effecten ook “waarden” genoemd.

2.5 Artikel 5 van de overeenkomst houdt in:

“Zodra lessee al datgene aan Legio-Lease heeft betaald wat hij haar krachtens deze overeenkomst en de daarbij behorende Bijzondere Voorwaarden Effecten Lease verschuldigd is of zal worden, is lessee automatisch en van rechtswege eigenaar van de waarden geworden”.

2.6 De op de overeenkomst toepasselijke “Bijzondere Voorwaarden Effecten Lease” (hierna de bijzondere voorwaarden) houden onder meer in:

“(...)

2. Legio-Lease en lessee komen overeen dat het eigendom van de waarden op lessee overgaat door vervulling van de opschortende voorwaarde dat lessee aan al zijn verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst heeft voldaan. Teneinde te bewerkstelligen dat lessee alsdan van rechtswege eigenaar van de waarden wordt, worden de in de overeenkomst genoemde waarden voorwaardelijk overgedragen aan lessee en wel onder de opschortende voorwaarde dat lessee aan al zijn verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst heeft voldaan. Deze voorwaardelijke overdracht geschiedt doordat genoemde waarden onverwijld na de verkrijging ervan door Legio-Lease ten name van lessee worden bijgeschreven in de administratie van de Bank Labouchere, overeenkomstig artikel 17 van de Wge, ter uitvoering van de in de eerste zin van dit artikel omschreven verbintenis tot voorwaardelijke overdracht. Legio-Lease behoudt de eigendom van de waarden totdat lessee aan al zijn verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst heeft voldaan (...). Lessee kan niet over de waarden beschikken, behoudens met voorafgaande schriftelijke toestemming van Legio-Lease. Legio-Lease draagt het risico van het verloren gaan van de waarden tot deze eigendom van lessee zijn geworden.

3. Alle baten en waardeveranderingen van de waarden komen lessee toe. Legio-Lease zal (...) de dividendbaten zo spoedig mogelijk na betaalbaarstelling daarvan aan lessee doen toekomen (...). Ingeval van keuzedividend zal de keuze van Legio-Lease worden bepaald door lessee (...). Indien met betrekking tot de waarden andere rechten kunnen worden uitgeoefend zullen deze rechten ter keuze van de Bank worden uitgeoefend.

(...)”

2.7 Dexia heeft aan het einde van de looptijd van de overeenkomst een eindafrekening tegen 30 juni 2003 opgesteld ingevolge welke [gedaagde] een bedrag van € 4.220,04 aan haar dient te voldoen.

2.8 [gedaagde] heeft, ondanks sommaties, geweigerd het genoemde restbedrag aan Dexia te voldoen.

2.9 Dexia heeft in een brochure met betrekking tot de WinstVerDriedubbelaar ondermeer het volgende opgenomen:

“…

Uit welke maandbedragen kan ik kiezen?

U kiest een vast maandbedrag van f 50,-, f 100,-, f 150,-, f 250,- of f 500,-. Uw maandbedrag bestaat geheel uit 0,96% rente [12,1 % effectief per jaar]. Uw maandbedrag blijft gedurende de hele looptijd gelijk, ondanks het feit dat u in het laatste jaar drie keer zoveel aandelen heeft als aan het begin. In het eerste jaar bestaat een deel van uw maandbedrag uit rente die u eigenlijk in het derde jaar zou moeten betalen.

Zijn er nog andere kosten?

Uw inleg bestaat volledig uit rente. De premie voor het recht en de plicht om het tweede en het derde aandelenpakket te mogen kopen tegen dezelfde prijs als het eer-ste pakket is gelijk aan het dividend op uw aandelen. De minimale premie per jaar is gelijk aan het bruto dividend uitgekeerd in 1999. Mocht het zo zijn, dat er minder dividend wordt uitgekeerd dan verwacht, dan wordt het verschil aan het einde van de looptijd verrekend. Zo verdienen uw aandelen voor u de driedubbele koerswinst!

Lease-overeenkomst

Zo snel mogelijk na ontvangst van uw aanmelding koopt Legio-Lease uw eerste pakket aandelen op de AEX-effectenbeurs. Tegelijkertijd wordt het bijbehorende kooprecht en -plicht voor uw tweede en derde aandelenpakket voor u verzorgd Daarna ontvangt u uw leasecontract op basis van de exacte aankoopkoersen ter ondertekening.

Einde en uitbetaling

Na afloop van uw leasecontract [na drie jaar] kunnen de aandelen worden verkocht en ontvangt u de volledige verkoopopbrengst, slechts onder aftrek van de aankoop-prijs. Uw uitbetaling ontvangt u dan binnen één week op uw bank- of girorekening. Zou de verkoop van de aandelen onverhoopt minder opbrengen dan de aankoopprijs, dan zou u het verschil moeten bijbetalen. U kunt dan desgewenst gebruik maken van de verlengingsgarantie.

Verlengingsgarantie

Na de looptijd van drie jaar bent u niet verplicht om uw aandelen te verkópen. Moch-ten uw aandelen onverhoopt minder waard zijn geworden, dan zou u het verschil tussen de af te lossen hoofdsom en de verkoopopbrengst van uw aandelen moeten bijbetalen. Maar u hoeft uw aandelen dan niet met verlies te verkopen, want u krijgt van ons de garantie dat u uw contract altijd kunt verlengen in afwachting van betere tijden. Wij zullen u te zijner tijd uitvoerig informeren en adviseren.

Doen!

De Legio-Lease WinstVerDriedubbelaar is een uniek concept waarmee u optimaal gebruik maakt van de mogelijkheden in de wereld van het "Grote Geld". Een VerDriedubbeling van de winst in slechts 3 jaar tijd behoort ook voor u tot de mogelijkheden. Stuur ons snel uw aanmeldingsformulier in de bijgaande gratis antwoord-envelop. Doe dit in ieder geval vóór 5 juli 2000.

Na een rekenvoorbeeld over de verschillende opbrengsten staat vermeld:

Over de laatste 6 periodes van 3 jaar bedroeg de stijging van het aandelenpakket ABN-AMRO, Ahold en ING gemiddeld 26,7% per jaar (peildatum 31 december). In bovenstaand prognosevoorbeeld wordt uitgegaan van een gemiddelde koersstijging van 14% per jaar, dus bijna de helft lager. Ter vergelijking: de AEX, de officiële graadmeter van de Amsterdam Exchanges, steeg sinds haar ont-staan begin 1983 met gemiddeld ruim 17% per jaar. Over de laatste tien periodes van drie jaar was de stijging gemiddeld 15,3% per jaar. De waar-de van uw belegging kan fluctueren. In het verleden behaalde resultaten zijn geen garantie voor de toekomst.

Op de achterzijde van de brochure is in een kader vermeld:

Let op!

? Beleggen bij wie en in welke vorm ook brengt financiële risico’s met zich mee. Dat geldt ook voor beleggen met geleend geld via de WinstVerDriedubbelaar. Beleggen geeft u kans op een hoger, maar ook op een lager dan gemiddeld rendement. Dit risico is voor u.

? De waarde van uw belegging kan fluctueren. Naarmate in meer risicovolle beleggingsvormen wordt belegd, zullen de te behalen rendementen onderhevig zijn aan grotere schommelingen en kan dus ook de eindopbrengst meer afwijken van de in de voorbeelden gehanteerde bedragen

? Wij wijzen u erop dat de gehanteerde rendementen zijn gebaseerd op rendementen uit het verleden. In het verleden behaalde resultaten bieden geen garantie voor de toekomst

? De gepresenteerde bedragen zijn uitsluitend bedoeld als rekenvoorbeeld.”

2.10 In de door [gedaagde] ingevulde en ondertekende aanmeldingsbon is ondermeer vermeld:

“JA, ook ik wil al over drie jaar een hoog belastingvrij bedrag uitbetaald krijgen. Koop nu voor mij het eerste pakket aandelen ABN-AMRO, Ahold en ING.

Ik kies voor een maandbedrag van: Verwachte belastingvrije uitbetaling na drie jaar*:

X f 100,- f 8.261,-

…”.

De gevraagde in ingevulde gegevens van [gedaagde] betroffen:

- naam;

- geslacht;

- adres;

- postcode

- woonplaats;

geboortedatum;

Bank/girorekeningnummer;

telefoonnummer.

Tevens is vermeld:

“Stuur mij zo spoedig mogelijk het leasecontract, de garantie van Bank Labouchere en de fiscale opinie van mr.drs. R.G. van der Graaf FB. Na akkoordbevinding stuur ik een getekend exemplaar retour en de zaak is rond….”

In een kader staat op het formulier vermeld:

Insturen vóór 27 mei 2000.

Inschrijving sluit bij f 250 miljoen

2.11 In de door [gedaagde] getekende overeenkomst, zoals aangehaald onder overweging 2.2 zijn de gegevens van [gedaagde] al ingevuld en hoefde zij nog slechts een handtekening te plaatsen.

3. HET GESCHIL EN DE STELLINGEN VAN PARTIJEN:

3.1 Dexia vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen om aan haar tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 4.189,33 wegens hoofdsom, € 868,88 wegens contractuele rente ad 0,96% per maand vanaf 30 juni 2003 tot en met 12 september 2003, € 649,55 aan buitengerechtelijke kosten, in totaal derhalve € 4.917,21 vermeerderd met de contractuele rente over € 4.189,33 vanaf 13 september 2003 tot de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het geding. De voorwaardelijke vordering van Dexia luidt dat [gedaagde] zal worden veroordeeld tot betaling van een bedrag gelijk aan het verschil tussen de aankoopwaarde van de in artikel 1 van de overeenkomst genoemde effecten minus de waarde van bedoelde effecten op de datum van verkoop.

Dexia heeft in de dagvaarding aan haar vordering ten grondslag gelegd dat [gedaagde] haar betalingsverplichting uit hoofde van de overeenkomst niet is nagekomen. Zij stelt dat zij [gedaagde] diverse keren heeft aangemaand en dat zij haar bij aangetekende incassobrief van 14 augustus 2003 in de gelegenheid heeft gesteld om het verschuldigde bedrag zonder rente en kosten te voldoen. Ook heeft zij [gedaagde] telefonisch op haar betalingsplicht gewezen. Toen dit geen resultaat had heeft zij redelijkerwijs bovengenoemde kosten moeten maken om tot incassering buiten rechte te komen.

Naar aanleiding van het verweer van [gedaagde] heeft Dexia bij conclusie van repliek betwist dat zij haar onvoldoende heeft voorgelicht omtrent de risico’s die verbonden zijn aan effectenlease-producten. Dexia stelt dat zij aan [gedaagde] destijds de in dit geding overgelegde brochure, overeenkomst, algemene voorwaarden, rekenvoorbeeld en fiscale opinie ter informatie heeft toegestuurd. Dexia stelt zich op het standpunt dat het [gedaagde] op basis van de verstrekte informatie voldoende duidelijk had moeten zijn dat de waarde van de belegging kon fluctueren en dat de mogelijkheid van bijbetaling bestond als de waarde van zijn aandelen op de einddatum van de overeenkomst lager zou zijn dat de af te lossen aankoopprijs, zeker nu dit expliciet in de brochure staat vermeld. Met betrekking tot de beweerde schending van de zorgplicht begrijpt Dexia dat [gedaagde] doelt op de schending van het “know your customer beginsel” dat ten tijde van het aangaan van de overeenkomst was vastgelegd in artikel 28 lid 1 van de Nadere Regeling toezicht effectenverkeer 1999 (hierna: NR 1999). Dit artikel ontbeert een voldoende basis in de wet, aldus een uitvoerig betoog van Dexia. Zij licht verder toe dat bedoelde onderzoeksplicht geen betrekking heeft op de acceptatie van de opdracht, maar dat deze slechts bestaat voor zover de in te winnen informatie van belang is bij de uitvoering van de door cliënt gegeven opdracht. De uitvoering van de opdracht die [gedaagde] aan de bank heeft verstrekt behoeft echter geen enkele nadere invulling. Die opdracht voorziet immers in het aankopen van specifieke effecten op specifieke data tegen specifieke koersen. Enige nadere invulling op basis van de financiële positie, de beleggingservaring en de beleggingsdoelstelling van [gedaagde] kan aan de uitvoering niet gegeven worden. Een effecteninstelling die zich verbindt adviesdiensten te verlenen, moet zich in de financiële positie van haar cliënt verdiepen. Op een effecteninstelling die nog helemaal geen adviesrelatie met de potentiële cliënt heeft, rust geen dergelijke verplichting. Dexia voegt hieraan toe dat het maken van reclame voor een bepaald beleggingsproduct iets heel anders is dan het geven van een beleggingsadvies tot aankoop daarvan. Dexia stelt meer in het algemeen dat de NR 1999 alleen op effectendiensten betrekking heeft en niet op de kredietverlening. De financiële verplichtingen die [gedaagde] door middel van de overeenkomst op zich heeft genomen, vloeien voort uit de daarin besloten kredietverlening aan [gedaagde] en niet aan de aan haar verleende effectendiensten, te weten de aankoop van de effecten voor rekening van [gedaagde]. Dexia stelt dat zij [gedaagde] in verband met de kredietverlening heeft getoetst bij het Bureau Kredietregistratie (BKR). Op grond van het vorenstaande stelt Dexia zich op het standpunt dat zij in haar (contractuele) zorgplicht jegens [gedaagde] niet is tekort geschoten.

Ook het verweer van [gedaagde] dat er sprake is van dwaling wordt door Dexia bestreden. Zij wijst erop dat de WinstVerDriedubbelaar geen rendement garandeert, dat [gedaagde] wist, althans kon weten dat zij belegde met geleend geld en dat over het begrip “rente” in redelijkheid geen twijfel kon bestaan, als zijnde te betalen rente wegens een overeenkomst tot geldlening. Er was geen sprake van een spaarproduct. In de brochure is bovendien gewezen op het risico van een restschuld, terwijl daarnaast de risico’s van beleggen algemeen bekend zijn.

Dexia stelt verder - gemotiveerd - dat van misleiding en schending van het bepaalde in art. 6:194 BW geen sprake is geweest, dat zij zich niet onrechtmatig gedragen heeft jegens [gedaagde] en dat zij recht heeft op volledige nakoming van hetgeen partijen zijn overeengekomen.

Bij repliek heeft Dexia haar vordering uitgebreid met een voorwaardelijke vordering, die erop neerkomt dat zij op grond van art. 6:278 BW aanspraak kan maken op betaling door [gedaagde] van het verschil tussen de aankoopwaarde en de verkoopwaarde van de ten behoeve van [gedaagde] aangekochte aandelen.

3.2 [gedaagde] heeft in conventie en in reconventie - samengevat en zakelijk weergegeven het volgende naar voren gebracht.

[gedaagde] meent dat de vordering van Dexia moet worden afgewezen. Primair stelt [gedaagde] dat sprake is van bedrog, subsidiair acht [gedaagde] Dexia schuldig aan misbruik van omstandigheden. Meer subsidiair stelt [gedaagde] dat er sprake is van dwaling. Ook betwist zij de hoogte van de vordering. Daarnaast stelt [gedaagde] dat zij een reconventionele vordering heeft op Dexia. Die komt erop naar dat de overeenkomst met Dexia zal worden vernietigd en dat die (subsidiair) zal worden ontbonden en Dexia aan [gedaagde] schadevergoeding moet betalen, gelijk aan de ingelegde bedragen, vermeerderd met de wettelijke rente en/of dat Dexia zal worden veroordeeld aan [gedaagde] te voldoen de somma van € 1.730,94, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf een door de kantonrechter te bepalen datum, en als voorwaardelijke vordering dat Dexia zal worden veroordeeld tot het in het geding brengen van geluidsbanden van gesprekken tussen Dexia en [gedaagde], op verbeurte van een dwangsom, alles onder veroordeling van Dexia in de kosten van de procedure.

Hiertoe stelt [gedaagde] dat Dexia onjuiste inlichtingen aan haar heeft verstrekt nu Dexia de indruk wekte dat er sprake was van een premieproduct met een risicolooskarakter, een soort verzekering. Ook stelt [gedaagde] dat er sprake is van een groot verschil in deskundigheid tussen haar en Dexia, dat Dexia een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven en dat Dexia bij het aangaan van de overeenkomst toerekenbaar is tekortgeschoten in de zorgplicht die Dexia jegens [gedaagde] heeft. Dexia heeft volgens [gedaagde] gehandeld in strijd met de normen van de gedragsregels die zijn vastgelegd in het Besluit toezicht effectenverkeer 1995 en de Nadere Regeling toezicht effectenverkeer 1999 (hierna: NR 1999). Dexia heeft voorts gehandeld in strijd met de normen zoals deze zijn vastgelegd in de Algemene Bankvoorwaarden. Zo is Dexia haar mededelingsplicht niet nagekomen, en heeft zij [gedaagde] niet gewaarschuwd voor de specifieke risico's van het product en de omvang van de mogelijke verliezen, ook heeft zij het zogenoemde “know your costumer”-beginsel geschonden. [gedaagde] betwist nog dat Dexia daadwerkelijk aandelen voor haar zou hebben gekocht en dat Dexia [gedaagde] tijdens de looptijd van de overeenkomst niet heeft gewaarschuwd dat de aankoopkoersen inmiddels boven de markprijs lagen. Dexia heeft verder nagelaten een mechanisme in te bouwen waardoor een eventueel verlies zou kunnen worden beperkt, ondanks het gegeven dat een dergelijke bescherming niet kostbaar zou zijn geweest. Dat Dexia aandelen voor [gedaagde] zou hebben gekocht en die ook daadwerkelijk voor een bepaald bedrag weer zou hebben verkocht heeft Dexia volgens [gedaagde] onvoldoende aannemelijk gemaakt en zij betwist dat dan ook.

[gedaagde] bestrijdt dat Dexia een beroep op art. 6:278 BW toekomt, aangezien aan de voorwaarden voor toepassing van dat artikel niet is voldaan.

Als haar persoonlijke situatie stelt [gedaagde] dat zij geen enkele ervaring heeft met beleggen.

4. DE BEOORDELING VAN DE VORDERING:

in conventie en in reconventie:

bedrog, misbruik van omstandigheden en dwaling:

[gedaagde] heeft primair gesteld dat de overeenkomst onder invloed van een wilsgebrek tot stand is gekomen en op die grond moet worden vernietigd. De kantonrechter verwerpt die stelling. Gelet op de inhoud van de overeenkomst en de daarbij gevoegde “Bijzondere Voorwaarden Effecten Lease” waarover [gedaagde] bij het aangaan van de lease-overeenkomst kon beschikken, en in aanmerking genomen, enerzijds, de eisen die daaromtrent uit een oogpunt van informatieverschaffing aan Dexia moeten worden gesteld en anderzijds de mate van onderzoek die van [gedaagde] mocht worden verwacht, kan niet met vrucht worden volgehouden dat [gedaagde] in dwaling is gebracht of misleid, noch dat sprake is van misbruik van omstandigheden. Hierbij speelt een rol dat de bewoordingen van de overeenkomst en de daarin gehanteerde begrippen op zich duidelijk zijn en, zo dit niet het geval is, het op de weg van [gedaagde] had gelegen zich nader te informeren alvorens zij het product accepteerde. Ten aanzien van de stelling van [gedaagde] dat zij misleidende telefonische informatie heeft gehad en dat de geluidsbanden daarvan dienen te worden overgelegd door Dexia, overweegt de kantonrechter dat die stelling te algemeen is om nader te worden onderzocht. [gedaagde] heeft slechts algemene bewoordingen gebruikt en niets specifiek met betrekking tot de beweerdelijke gesprekken gesteld, zodat de daarop gebaseerde voorwaardelijke vordering van [gedaagde] zal worden afgewezen.

misleidende reclame:

Bij de beantwoording van de vraag of de door Dexia verspreide reclame-uitingen ten opzichte van [gedaagde] misleidend waren dient uitgegaan te worden van de vermoedelijke verwachting van een gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende consument ( Hof van Justitie EG, 16 juli 1998 NJ 2000,374; Rechtbank Amsterdam 7 juli 2004 NJF 2004,411). Daarbij zij aangetekend dat de overdrijving, in de reclame aanwezig, over het algemeen eerst dan als misleidend in de zin van artikel 6:194 BW moet worden aangemerkt, wanneer de eventueel nadelige eigenschappen of aspecten van het aangeprijsde product worden verzwegen op zodanige wijze dat er redelijkerwijs van kan worden uitgegaan dat de hiervoor bedoelde consument niet tot deelname aan het door Dexia gepropageerde product zou hebben besloten als hij van die nadelige aspecten wel kennis zou hebben gehad.

In dit geval moet de vraag of sprake was van misleiding voorts beoordeeld worden aan de hand van de tekst van alle stukken die door Dexia voorafgaande aan het afsluiten van het contract aan [gedaagde] zijn toegezonden. Aangenomen moet immers worden dat Dexia heeft beoogd, en [gedaagde] ook heeft kunnen begrijpen, dat al deze stukken, gelezen in onderling verband en samenhang, van belang waren voor de beoordeling van het door Dexia aangeboden product en de door [gedaagde] te nemen beslissing, of zij wel of niet zou gaan deelnemen.

Tegen deze achtergrond moet worden geoordeeld dat Dexia zich jegens [gedaagde] niet schuldig heeft gemaakt aan misleiding. Weliswaar is Dexia weinig terughoudend in de aanprijzing van de "WinstVerDriedubbelaar", doch de hiervoor aangeduide consument heeft moeten begrijpen dat het driedubbele of enig positief resultaat niet zondermeer werd gegarandeerd, nu op meerdere plaatsen in bedoelde stukken wordt aangegeven dat het resultaat afhankelijk was van de niet met zekerheid te voorspellen ontwikkeling van de koersen van de aandelen waarin zou worden belegd, en dat een negatief resultaat ook niet was uitgesloten, en voor risico van de consument zou komen. Bedoelde consument heeft ook moeten begrijpen dat hij zich verbond voor een periode die tenminste drie jaar bedroeg, en dat hij aldus niet de mogelijkheid had tussentijds uit te stappen.

In de overeenkomst wordt de te betalen rente met zoveel woorden genoemd, en van misleiding op dat punt is evenmin sprake. Ook kan uit de onder punt 2 van dit vonnis aangehaalde onderdelen van de stukken in redelijkheid niet worden volgehouden dat [gedaagde] moet hebben gedacht dat zij een soort verzekering heeft afgesloten en dat de betalingen moesten worden aangemerkt als “premie”.

Tenslotte heeft [gedaagde] moeten begrijpen welke gevolgen verbonden zouden zijn aan een verlenging van de termijn waarvoor de aandelen werden geleasd. In het bijzonder moet het die consument duidelijk zijn geweest dat dan ook voortgegaan moest worden met betaling van de rente over het geleende bedrag, en dat bij verlenging van het contract het resultaat beter maar ook slechter kon worden.

Voor het overige wordt verwezen naar hetgeen hierboven is opgemerkt met betrekking tot de wilsgebreken. Bij lezing van de aan haar toegezonden stukken moet [gedaagde] redelijkerwijs hebben kunnen begrijpen welke verplichtingen zij bij ondertekening van het contract aanging, en wat de gevolgen van het contract zouden zijn, zij het dat [gedaagde] kan worden nagegeven dat de gegeven waarschuwingen zijn omgeven door uiterst positieve en juichende teksten.

de zorgplicht:

[gedaagde] heeft aangevoerd dat op Dexia jegens haar een zorgplicht rustte. Zij beroept zich in het bijzonder op hetgeen is bepaald in de NR 1999. [gedaagde] heeft betoogd dat Dexia onzorgvuldig met haar belangen is omgesprongen. Aldus heeft de Dexia de op haar rustende zorgplicht verzaakt. De kantonrechter overweegt dienaangaande als volgt.

In het algemeen kan worden aangenomen dat op Dexia een zorgplicht rust ten aanzien van haar (potentiële) cliënten, waarbij als criterium kan gelden dat de maatschappelijke functie van de banken en bemiddelaars in effecten een bijzondere zorgplicht meebrengt, zowel jegens hun cliënten uit hoofde van de met hen bestaande contractuele verhouding, als ten opzichte van derden met wier belangen zij rekening behoren te houden op grond van hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. De kantonrechter stelt vast dat Dexia in feite optrad als bemiddelaar in effecten in de zin van art. 1, onder b, sub 1 Wet toezicht effectenverkeer. In navolging van de uitspraak van de Commissie van Beroep DSI van 27 januari 2005 (LJN AS 4115) volgt hieruit dat de voor dergelijke instellingen geldende regelingen, waaronder de NR 1999 van toepassing is, ook bij een product als het onderhavige. Hieraan wordt de gevolgtrekking verbonden dat Dexia jegens [gedaagde] de bijzondere zorg dient te betrachten waartoe een effecteninstelling als professionele en op het terrein van de effectenhandel bij uitstek deskundig te achten dienstverlener in het algemeen gehouden is.

Bij de beantwoording van de vraag of en in welke mate Dexia gehouden was onderzoek te doen naar de omstandigheden van [gedaagde] en daarmee rekening diende te houden, dient het volgende te worden vooropgesteld. Doordat Dexia het aanbod heeft gedaan de effectenlease-overeenkomst te sluiten en [gedaagde] te kennen heeft gegeven te overwegen dit aanbod te aanvaarden, is tussen Dexia en [gedaagde] een rechtsverhouding ontstaan. Immers, ook als partijen anders dan door “onderhandelingen” betrokken zijn bij het voorbereiden van een tussen hen te sluiten overeenkomst zijn zij tot elkaar komen te staan in een rechtsverhouding die wordt beheerst door hetgeen, uit de wet (in ruime zin) en de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit. Voorts dient bij de beoordeling van de wijze waarop in deze rechtsverhouding Dexia diende rekening te houden met de belangen van [gedaagde] tot uitgangspunt te worden genomen, dat een instelling als Dexia - als bij uitstek professioneel en deskundig op dit terrein - jegens particuliere, niet professionele, cliënten tot een bijzondere zorgplicht is gehouden. Ook in een geval als het onderhavige, waarbij Dexia een standaardproduct aan een groot publiek aanbood, geldt dat, zoals in art. 24, aanhef en onder b, Bte 95 en art. 25 NR 1999 is bepaald, een effecteninstelling in het algemeen dient te handelen in het belang van zijn cliënt. Evenzeer dient Dexia zich te gedragen naar hetgeen is bepaald in de artt. 28 en 33 NR 1999, aangezien niet valt in te zien waarom deze bepalingen niet op onderhavige situatie van toepassing zouden (kunnen) zijn. Immers, de wijze van financiering van de aanschaf van aandelen staat er niet aan in de weg dat de bemiddelaar in effecten zich naar deze regeling dient te gedragen. Verder kan in het midden blijven of deze regeling onverbindend is, zoals Dexia heeft betoogd. De NR 1999 kan in ieder geval worden gezien als een uitwerking van de zorgplicht in de branche waartoe Dexia behoort.

Uit de bepalingen, in onderling verband en samenhang gelezen, volgt dat een effecteninstelling, voordat zij een effectenlease-overeenkomst aangaat met een wederpartij die daartoe geld van haar leent, inlichtingen dient te vragen omtrent de financiële omstandigheden van deze wederpartij. Voorts dient de effecteninstelling zich ervan te vergewissen dat deze wederpartij inzicht heeft in het gevaar dat voor haar is verbonden aan een dergelijke overeenkomst. In de genoemde bepalingen ligt besloten dat een effecteninstelling met de specifieke omstandigheden van haar wederpartij rekening dient te houden. Zijn de financiële omstandigheden van de wederpartij van dien aard dat het naar algemene maatstaven onverantwoord voorkomt de overeenkomst aan te gaan, dan dient een effecteninstelling zulks te ontraden. Een dergelijke gedragslijn kan al daarom niet als te bezwarend worden aangemerkt omdat, indien een particulier de instelling zou verzoeken hem krediet te verschaffen ter financiering van effectentransacties tot een bedrag als waarom het hier gaat, in het algemeen inlichtingen van de verzoeker zullen worden gevraagd ter beoordeling van diens kredietwaardigheid en zijn mogelijkheid om een eventueel verlies te dragen.

Uit de vastgestelde feiten en uit de standpunten van partijen is gebleken dat Dexia niet heeft geïnformeerd naar de financiële positie van [gedaagde], noch ook dat zij een cliëntenprofiel, hoe eenvoudig ook, heeft opgesteld. Evenmin is gebleken dat Dexia de specifieke omstandigheden van [gedaagde] kende. Zij heeft daarmee dus ook geen rekening gehouden. Voorts is niet gebleken dat Dexia zich ervan heeft vergewist dat [gedaagde] zich van de aan het aangaan van de overeenkomst verbonden gevaren voldoende bewust was. Dexia heeft [gedaagde] in ieder geval niet in niet mis te verstane bewoordingen gewezen op het risico dat voor deze aan het beleggen met geleend geld was verbonden. Evenmin heeft zij [gedaagde] gewaarschuwd voor het risico van daling van de koers van de aandelen onder de vaste koers die in de overeenkomst is vermeld. Integendeel: Dexia heeft slechts een toetsing bij het BKR uitgevoerd - die in feite een bescherming van haar eigen belang diende. Daar staat echter het volgende tegenover.

[gedaagde] heeft slechts gesteld dat zij geen enkele beleggingservaring heeft. De vraag is of dat een omstandigheid is die op zichzelf genomen al voldoende is om te kunnen concluderen dat Dexia op grond van de bijzondere zorg die zij jegens [gedaagde] betaamde zich ervan had moeten weerhouden de overeenkomst aan te gaan. Niet vastgesteld kan worden dat [gedaagde] door de overeenkomst op onverantwoorde wijze werd blootgesteld aan de gevolgen van koersverliezen. Voor zo’n oordeel is ten minste van belang dat wordt vastgesteld dat [gedaagde] zich een dergelijk risico niet zou hebben kunnen veroorloven. Daarvan is echter niets gebleken. Het enkele feit dat [gedaagde] geen beleggingservaring heeft is zonder bijkomende omstandigheden onvoldoende om die vergaande conclusie te kunnen dragen. Dit betekent dat niet gezegd kan worden dat Dexia - indien zij de hiervoor genoemde zorgplicht op juiste wijze had ingevuld - zich had behoren te onthouden van het aanbieden van de WinstVerDriedubelaar.

Het verweer van [gedaagde] met betrekking tot de hoogte van de vordering van Dexia wordt gepasseerd. Niet alleen heeft Dexia ten aanzien van de gehanteerde afrekening aansluiting gezocht bij hetgeen partijen zijn overeengekomen, daarnaast heeft [gedaagde] slechts in algemene bewoordingen gesteld dat Dexia de gestelde schade niet zou hebben geleden. Enige concrete invulling van die stelling heeft zij niet gegeven, zodat de kantonrechter geen aanleiding ziet die stelling nader te onderzoeken.

Ook de stelling van [gedaagde] dat Dexia geen buitengerechtelijke werkzaamheden heeft verricht - althans niet tot het bedrag dat thans wordt gevorderd - wordt verworpen. Dexia heeft sommatiebrieven overgelegd en daarmee voldoende aangetoond dat zij buiten rechte de mogelijkheid heeft willen bieden om de vordering te incasseren. Het daarvoor berekende bedrag acht de kantonrechter - mede met het oog op het rapport Voorwerk II - niet onredelijk.

Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat de primaire vordering van Dexia zal worden toegewezen, de vorderingen van [gedaagde] zullen worden afgewezen en dat [gedaagde] zal worden veroordeeld in de kosten van het geding.

5. DE BESLISSING:

De kantonrechter:

in conventie:

veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Dexia te betalen de somma van € 4.917,21 vermeerderd met de contractuele rente ad 0,96% per maand over € 4.189,33 vanaf 13 september 2003 tot de dag der algehele voldoening;

in (voorwaardelijke en onvoorwaardelijke) reconventie:

wijst de vorderingen van [gedaagde] af;

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het geding, aan de zijde van Dexia begroot op € 251,49 aan verschotten en € 450,- aan salaris voor de gemachtigde.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. J. Sap en uitgesproken ter openbare terechtzitting te Rotterdam.