Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2005:AU0035

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
28-02-2005
Datum publicatie
26-07-2005
Zaaknummer
03/3041 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat in arbeidsongeschiktheidszaken uitgegaan dient te worden van een rechtstreeks causaal verband tussen het besluit van verweerder waarbij de loondoorbetalings-verplichting is opgelegd op grond van artikel 71a, negende lid, van de WAO en de door eiseres geleden schade die voortvloeit uit artikel 7:629, eerste lid, in verbinding met het elfde lid, onder c, van het BW.

De werkneemster kreeg het wettelijk minimumloon uitbetaald van eiseres. Eiseres heeft niet meer aan de werkneemster uitbetaald dan waartoe zij wettelijk verplicht was Het resterende bedrag van €1636,05 betreft schade die is veroorzaakt door het besluit van 15 april 2003 van verweerder. Volgt veroordeling van verweerder tot betaling van € 1636,05.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE ROTTERDAM

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Reg.nr.: WAO 03/3041-KRD

Uitspraak

in het geding tussen

A, gevestigd te B, eiseres,

gemachtigde I. Tromp, werkzaam bij Tromp Advies te Hardinxveld-Giessendam,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder (vestiging Rotterdam).

1. Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 15 april 2003 heeft verweerder de loondoorbetalingsverplichting van eiseres voor de werkneemster X (hierna: de werkneemster) verlengd. Het tijdvak gedurende welk de loondoorbetalingsverplichting is verlengd omvat 4 maanden en duurt van 3 april 2003 tot en met 3 augustus 2003.

Bij besluit van 8 september 2003 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Bij brief van 13 mei 2004 heeft verweerder de rechtbank medegedeeld dat de loondoorbetalings-verplichting die is opgelegd over de periode van 3 april 2003 tot en met 3 augustus 2003 wordt ingetrokken.

Eiseres heeft ter zitting van 14 mei 2004 een specificatie overgelegd volgens welk de schade € 10.054,32 bedraagt, waarvan € 6.050,82 de loondoorbetaling aan de werkneemster betreft.

Bij uitspraak van 25 juni 2004 heeft de rechtbank het beroep van eiseres tegen verweerders besluit van 8 september 2003 gegrond verklaard en het besluit vernietigd. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat het onderzoek wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over de door eiseres gevorderde schadevergoeding.

Verweerder heeft bij brief van 27 september 2004 op de door eiseres gestelde schadepost gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 januari 2005. Eiseres is verschenen bij haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door G.J. Samson.

2. Overwegingen

Ter zitting van 14 mei 2004 heeft eiseres gesteld schade te hebben geleden ten gevolge van het door verweerder onrechtmatig genomen besluit. Het loon ten bedrage van € 6.050,82 was inmiddels al over de periode van 3 april 2003 tot en met 3 augustus 2003 door eiseres aan de werkneemster doorbetaald, daarnaast zijn er kosten gemaakt voor advies- en proceskosten ten bedrage van € 4.003,50.

In haar uitspraak van 25 juni 2004 heeft de rechtbank al haar oordeel gegeven over de gevraagde vergoeding van de kosten van advies en de proceskosten, zodat, voorzover die niet zijn toegewezen bij de bovengenoemde uitspraak, deze niet alsnog via de weg van artikel 8:73 van de Awb kunnen worden gevorderd. De rechtbank verwijst in dit verband naar jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep zoals gepubliceerd in AB 1999/348.

Het voorgaande betekent dat nog slechts de vordering terzake van de loonkosten tot een bedrag van € 6.050,82 in geschil is.

Verweerder heeft bij fax van 23 september 2004 (en later bij brief van 27 september 2004) aangegeven dat de betrokken werkneemster verweerder toestemming heeft gegeven haar WAO-uitkering, die is gebaseerd op 70% van het dagloon, over de periode van 3 april 2003 tot en met 3 augustus 2003 over te maken aan eiseres. Omstreeks 13 juli 2004 is € 4414,77 aan eiseres overgemaakt.

Voor het resterende bedrag is verweerder van oordeel dat eiseres zich tot de betrokken werkneemster dient te wenden. Verweerder is van mening dat het hier een puur arbeidsrechtelijke kwestie betreft die alleen eiseres en de betrokken werkneemster raakt.

Daarbij meent verweerder dat de schade niet rechtstreeks wordt veroorzaakt door de beslissing van 8 september 2003, omdat er pas schade ontstaat op het moment dat blijkt dat de werkneemster geen gehoor geeft aan het verzoek van eiseres het bestreden gedeelte van het onverschuldigd betaalde loon terug te betalen.

Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder toegelicht primair van mening te zijn dat er geen direct causaal verband is tussen de betaling van het loon en de door eiseres gestelde schade en subsidiair dat er geen plicht is voor de werkgever om meer dan 70% van het loon bij ziekte uit te betalen. De vordering die nog resteert betreft de 30%.

Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres desgevraagd bevestigd dat de vordering thans nog € 1636,05 bedraagt.

Voorts is door eiseres naar voren gebracht dat artikel 7: 629, eerste lid, in verbinding met het elfde lid, onder c, van het Burgerlijk Wetboek voorschrijft dat de werkgever bij onvoldoende reïntegratieinspanningen 70% van het loon dient uit te betalen, maar ten minste het voor betrokkene geldende wettelijk minimumloon. Nu de werkneemster het minimumloon kreeg uitbetaald, is dit ook gedurende de periode dat de loondoorbetalingsverplichting was opgelegd aan de werkneemster uitbetaald.

De rechtbank is van oordeel dat in arbeidsongeschiktheidszaken uitgegaan dient te worden van een rechtstreeks causaal verband tussen het besluit van verweerder waarbij de loondoorbetalingsverplichting is opgelegd op grond van artikel 71a, negende lid, van de WAO en de door eiseres geleden schade die voortvloeit uit artikel 7:629, eerste lid, in verbinding met het elfde lid, onder c, van het BW. Dit oordeel volgt uit de uitspraak van 11 februari 2003 van de Centrale Raad van Beroep, gepubliceerd in USZ 2003/141.

Op grond van de zich in het dossier bevindende loonstroken ten behoeve van de werkneemster heeft de rechtbank vastgesteld dat zij inderdaad het wettelijk minimumloon uitbetaald kreeg van eiseres.

Dit leidt tot de conclusie dat eiseres niet meer aan de werkneemster heeft uitbetaald dan waartoe zij wettelijk verplicht was en dat derhalve vastgesteld dient te worden dat het resterende bedrag van €1636,05 schade betreft die is veroorzaakt door het besluit van 15 april 2003 van verweerder.

Het vorenstaande betekent dat verweerder moet worden veroordeeld tot betaling van € 1636,05.

De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van dit beroep na de uitspraak van 25 juni 2004 tot aan deze uitspraak redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank bepaalt de proceskosten op € 322,00 aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Van overige kosten waarop een veroordeling in de proceskosten betrekking kan hebben, is de rechtbank niet gebleken.

3. Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

veroordeelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding aan eiseres van de schade die deze lijdt, welke schade door de rechtbank is bepaald op € 1636,05,

veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 322,00 en wijst het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan als de rechtspersoon die deze kosten aan eiseres moet vergoeden,

wijst het meerdere of anders gevorderde af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Kruisdijk.

De beslissing is, in tegenwoordigheid van mr. H.T. van de Erve als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2005.

De griffier: De rechter:

Afschrift verzonden op:

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiseres wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.