Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2005:AT8213

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-06-2005
Datum publicatie
24-06-2005
Zaaknummer
04/3271
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft op basis van de situatie ter plaatse, onder meer de ligging van de huisjes, de onderlinge afstand en de materialen waaruit de huisjes zijn opgebouwd, en op grond van ervaring en deskundigheid van medewerkers van de afdeling Bouwtoezicht en de brandweer geconcludeerd dat niet aan de vereiste weerstand van 20 minuten is voldaan. Hierdoor is volgens verweerder sprake van overtreding van de in artikel 2.113, eerste lid, van het Bouwbesluit 2003 gestelde prestatie-eis.

Aangezien de in het Bouwbesluit 2003 aangewezen bepalingsmethode (NEN 6068) niet kan worden toegepast komt verweerder een zekere mate van vrijheid toe om te beoordelen of aan de gestelde prestatie-eis en daarmee aan de functionele eis is voldaan. De rechtbank leidt dit met name af uit de nota van toelichting waaruit blijkt dat bij het ontbreken van een prestatie-eis ten genoegen van verweerder moet worden aangetoond dat aan de functionele eis is voldaan. Naar het oordeel van de rechtbank komt verweerder ook een dergelijke beoordelingsruimte toe, indien wel sprake is van een prestatie-eis, maar niet aan de hand van de bepalingsmethode kan worden vastgesteld of aan deze eis is voldaan.

Het is niet in strijd met de systematiek van het Bouwbesluit 2003 om een verdeling te maken van brandcompartimenten van 1000 m², waarbij de recreatiehuisjes worden gezien als subbrandcompartimenten. Met betrekking tot de subbrandcompartimentering overweegt de rechtbank dat verweerder hierbij terecht aansluiting heeft gezocht bij het bepaalde in paragraaf 2.14.2 van het Bouwbesluit 2003, nu het hier gaat om gebouwen met een logiesfunctie.

Verweerder heeft eisers terecht aangeschreven om uit een oogpunt van brandveiligheid voorzieningen te treffen en daarbij alternatieven naar voren te brengen.

Bij terugverwijzing van de zaak naar de rechtbank heeft de Afdeling de proceskosten in hoger beroep vastgesteld op € 644,-- en bepaald dat de rechtbank omtrent de vergoeding van deze kosten dient te beslissen. Het gaat daarbij om kosten van een rechtspersoon die geen partij is in dit geding. Hoewel het niet in overeenstemming is met artikel 8:75 van de Awb om die kosten in deze procedure te betrekken, ontstaat bij het achterwege laten van een dergelijke veroordeling een lacune, die in het kader van een goede rechtsbescherming als ongewenst moet worden beschouwd. Hierdoor heeft het naar het oordeel van de rechtbank de voorkeur om - ter uitvoering van de opdracht van de Afdeling - in afwijking van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb verweerder te veroordelen in de kosten die deze rechtspersoon heeft moeten maken in verband met het door haar ingestelde hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE ROTTERDAM

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Reg.nr.: GEMWT 04/3271 VER

Uitspraak

in het geding tussen

[x] e.a., wonende te onderscheidenlijk Rotterdam, Vlaardingen, Spijkenisse, Schiedam, Maassluis, Abbenbroek, Capelle aan de IJssel, Dordrecht en Hoogvliet, eisers,

in dezen vertegenwoordigd door de Stichting Rotterdam aan Zee, gevestigd te Rotterdam,

gemachtigde mr. I. Correljé, advocaat te Vlaardingen,

en

het dagelijks bestuur van de deelgemeente Hoek van Holland, verweerder.

1. Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluiten van 27 februari 2004 heeft verweerder eisers op grond van artikel 17, eerste lid, van de Woningwet aangeschreven om binnen een termijn van zes weken bepaalde voorzieningen te treffen aan de bij hen in bezit dan wel in gebruik zijnde recreatieverblijven op [y] te Hoek van Holland ter verbetering van de brandveiligheid, een en ander onder oplegging van een last onder dwangsom van € 250,-- per dag met een maximum van € 2.000,--.

Eisers hebben tegen deze besluiten (hierna: de primaire besluiten) bij verweerder bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 24 mei 2004, voor zover thans van belang, heeft verweerder de bezwaren ten dele gegrond, onder wijziging van de desbetreffende aanschrijvingen, en ten dele ongegrond verklaard, waarbij verweerder de begunstigingstermijn heeft verlengd tot en met 21 juni 2004.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) hebben eisers bij brief van 12 juli 2004 bij de rechtbank beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij brief van 1 februari 2005 een verweerschrift ingediend, waarna bij brief van 17 mei 2005 door verweerder een rapportage is overgelegd van Van Overveld Bouwbesluit Advies BV te Voorschoten.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 mei 2005. Enkele eisers waren in persoon aanwezig. Tevens waren van de zijde van eisers aanwezig G. Uitenbroek, voorzitter van de Stichting Rotterdam aan Zee, de gemachtigde en dr.ir. N.P.M. Scholten van TNO Bouw en Ondergrond te Delft. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.I. Siem, bijgestaan door R.N.M.H.E. van den Barselaar (dS+V), R. Meekes (brandweer) en dr.ir. M. van Overveld van Van Overveld Bouwbesluit Advies BV.

2. Overwegingen

Eind 2001/begin 2002 heeft er door de gemeentelijke brandweer en de afdeling Bouwtoezicht van de gemeente Rotterdam een onderzoek plaatsgevonden naar de brandveiligheid op het recreatieterrein aan de [a] te Hoek van Holland waar de onderhavige recreatiehuisjes zich bevinden. Dit onderzoek heeft bestaan uit een opname(s) ter plaatse, waarbij onder meer metingen zijn verricht, en het maken van luchtfoto’s. Er heeft geen onderzoek plaatsgevonden in de huisjes. Op basis van dit onderzoek is vastgesteld dat sprake was van een zorgelijke toestand en overtreding van wettelijke voorschriften. Om hieraan iets te doen zijn aanpassingen aan de recreatiehuisjes noodzakelijk geacht alsmede het aanbrengen van bepaalde voorzieningen op of aan het terrein zelf, zoals brandslanghaspels.

Na pogingen van de kant van de gemeente en verweerder om in onderling overleg de brandveiligheid van de huisjes te verbeteren en na een zogeheten voornemens- of zienswijzeprocedure heeft verweerder eisers bij de primaire besluiten aangeschreven aan de huisjes bepaalde voorzieningen te treffen, overeenkomstig een per recreatiehuisje opgesteld overzicht dan wel het nachtverblijf in het huisje te staken dan wel een gekoppeld rookmeldsysteem aan te brengen tussen twee of meer recreatiehuisjes. Verweerder heeft eisers hierbij medegedeeld dat indien hieraan niet binnen een termijn van zes weken wordt voldaan eisers een dwangsom verbeuren van € 250,-- per dag met een maximum van € 2.000,--.

Bij het bestreden besluit, voor zover thans van belang, heeft verweerder de bezwaren grotendeels ongegrond verklaard en de begunstigingstermijn verlengd tot 21 juni 2004. Een deel van de bezwaren is gegrond verklaard onder aanpassing van vier aanschrijvingen, waarbij een deel van de aan te brengen voorzieningen aan de desbetreffende huisjes is komen te vervallen.

In beroep stellen eisers dat in strijd met het Bouwbesluit 2003 aan de aanschrijvingen geen brandanalyse ten grondslag is gelegd. Ten aanzien van de door verweerder aangenomen veilige afstand van 3 meter tussen de huisjes is volgens eisers sprake van willekeur. Eisers betwisten dat het voorschrijven van oplossingen past binnen de systematiek van het Bouwbesluit. Er is volgens eisers geen wettelijke grondslag op grond waarvan het nachtlogies kan worden verboden. Eisers menen dat het plaatsen van rookmelders geen gelijkwaardig alternatief is, omdat dit niet kan worden gebaseerd op paragraaf 2.13.2 van het Bouwbesluit 2003, nu deze paragraaf ziet op de beperking van een brand en een rookmelder dient ter waarschuwing voor de bewoners om de huisjes snel te verlaten. Volgens eisers heeft verweerder zich ten onrechte in dezen bevoegd geacht om handhavend op te treden ten aanzien van de bij de huisjes behorende bergingen. Tot slot menen eisers dat voor zover een brandonveilige situatie zou bestaan, deze onveiligheid voornamelijk bestaat uit de ontoegankelijkheid van het terrein voor de brandweer, welke situatie als gevolg van handelen van verweerder is ontstaan.

Verweerder acht zich bevoegd om op te treden en stelt dat er voldoende onderzoek aan zijn aanschrijvingen ten grondslag ligt, waarbij verweerder zich mag baseren op de ervaring en deskundigheid van de eigen medewerkers. Verweerder meent ook dat er een wettelijke grondslag is voor het aandragen van alternatieven, waaronder het verbod van nachtlogies. Verweerder heeft ter onderbouwing van zijn standpunt inzake de geldende voorschriften uit het Bouwbesluit 2003 verwezen naar het in beroep overgelegde rapport van Van Overveld Bouwbesluit Advies BV.

De rechtbank overweegt het volgende.

Ingevolge artikel 2, eerste en tweede lid, van de Woningwet, voor zover hier van belang, worden bij algemene maatregel van bestuur voorschriften worden gegeven uit oogpunt van veiligheid omtrent nieuwbouw (eerste lid) en bestaande bouw (tweede lid).

Artikel 17, eerste lid, van de Woningwet bepaalt dat indien een gebouw, niet zijnde een woning, woonkeet of woonwagen, wegens strijd met de in artikel 2, eerste lid, bedoelde voorschriften of uit anderen hoofde noodzakelijke voorzieningen behoeft dan wel wegens strijd met de in artikel 2, tweede lid, bedoelde voorschriften voorzieningen behoeft, burgemeester en wethouders degene, die als eigenaar of uit anderen hoofde tot het treffen van die voorzieningen bevoegd is, kunnen aanschrijven binnen een door hen te bepalen termijn de door hen aan te geven voorzieningen te treffen.

In artikel 23, derde lid, van de Woningwet is bepaald dat indien burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat de kosten, verbonden aan de uitvoering van een aanschrijving, niet in redelijke verhouding staan tot de daarvan te verwachten opbrengsten en de aanschrijving betrekking heeft op een niet tot bewoning bestemd gebouw, een bouwwerk, niet zijnde een gebouw, dan wel op een standplaats, laten zij bij die aanschrijving de keuze tussen enerzijds het treffen van de voorzieningen en anderzijds het binnen een door hen in de aanschrijving te bepalen termijn staken of doen staken van het gebruik, in verband waarmee de voorzieningen worden gelast.

Ingevolge artikel 26, eerste lid, van de Woningwet kunnen burgemeester en wethouders - met inachtneming van de in deze bepaling gegeven voorschriften - overgaan tot toepassing van bestuursdwang, welke beschikking ingevolge het tweede lid gelijktijdig met de desbetreffende aanschrijving bekend moet worden gemaakt.

In artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat een bestuursorgaan dat bevoegd is tot toepassing van bestuursdwang in de plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom kan opleggen.

De voorschriften als bedoeld in artikel 2, eerste en tweede lid, van de Woningwet zijn gegeven in het Bouwbesluit 2003.

De in de wet aan burgemeester en wethouders gegeven bevoegdheid tot het doen uitgaan van een aanschrijving en tot toepassing van bestuursdwang dan wel het geven van een last onder dwangsom zijn overgedragen aan verweerder.

Tussen partijen is niet in geschil dat eisers het in hun macht hebben om aan de aanschrijving te voldoen. Evenmin is betwist dat, indien sprake zou zijn van een overtreding, eisers als overtreders kunnen worden aangemerkt.

Partijen verschillen van mening over de systematiek van het Bouwbesluit 2003 en de uitleg van voorschriften van dit besluit. Dit verschil van inzicht ligt ten grondslag aan de betwisting door eisers van verweerders bevoegdheden in dezen.

De rechtbank stelt dienaangaande voorop dat verweerder ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Woningwet de bevoegdheid heeft om een aanschrijving te doen uitgaan, indien sprake is van overtreding van een voorschrift uit het Bouwbesluit 2003 ten aanzien van de brandveiligheid van bestaande bouwwerken. Uit artikel 26 van de Woningwet volgt dat verweerder daarbij de bevoegdheid toekomt om deze aanschrijving gepaard te laten gaan met een bestuursdwangaanschrijving, in de plaats waarvan ingevolge artikel 5:32 van de Awb een last onder dwangsom kan worden opgelegd. Uit een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 september 1998 (BR 1999, 125) volgt dat een dergelijke bestuursdwangaanschrijving - of daarvoor in de plaats, de last onder dwangsom - rechtstreeks op de Woningwet is gebaseerd en niet op artikel 125 van de Gemeentewet. De rechtbank ziet in het feit dat verweerder zowel in de primaire besluiten als in het bestreden besluit mede heeft verwezen naar laatstgenoemde bepaling echter geen aanleiding om daaraan consequenties te verbinden, gelet op de daarnaast vermelde wettelijke grondslag in de aanschrijvingen en het feit dat eisers door de verwijzing naar artikel 125 van de Gemeentewet niet in hun belangen zijn geschaad.

Het Bouwbesluit 2003 is op 1 januari 2003 in werking getreden en bevat een ingrijpende verandering in de opbouw en redactie van het besluit met als doel de voorschriften toegankelijker en gebruiksvriendelijker te maken. Blijkens de nota van toelichting van het Bouwbesluit 2003 (Stb. 2001, 410) is met dit besluit niet beoogd een (ingrijpende) inhoudelijke wijziging tot stand te brengen ten opzichte van het voorheen - vanaf 1 oktober 1992 - geldende Bouwbesluit (hierna: Bouwbesluit (oud).

Het Bouwbesluit 2003 geeft voorschriften voor zowel nieuwbouw als bestaande bouw (vergelijk ook artikel 2, eerste en tweede lid, van de Woningwet), waarbij de voorschriften voor bestaande bouw van een lager niveau zijn dan de eisen die worden gesteld aan nieuwbouw. Daarnaast zijn de voorschriften voor bestaande bouw beperkt tot de onderwerpen veiligheid, gezondheid en bruikbaarheid.

Anders dan voorheen worden de voorschriften inzake veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid en dergelijke in het Bouwbesluit 2003 opgehangen aan de gebruiksfunctie van het desbetreffende bouwwerk. In het Bouwbesluit 2003 worden 12 (hoofd-)gebruiksfuncties onderscheiden, waaronder de logiesfunctie. Per beoordelingsaspect, zoals de brandveiligheid, worden de voorschriften gegeven voor de te onderscheiden gebruiksfuncties.

De opbouw per afdeling dan wel per beoordelingsaspect van het Bouwbesluit 2003 is als volgt. De afdeling begint met het stellen van een functionele eis, gevolgd door een prestatie-eis. Met het voldoen aan de prestatie-eis wordt voldaan aan de functionele eis. Om te kunnen vaststellen of is voldaan aan de prestatie-eis wordt verwezen naar een bepalingsmethode, zoals vastgelegd in een door de Stichting Nederlands Normalisatie Instituut (hierna: NEN) uitgegeven norm. In een enkel geval worden deze voorschriften gevolgd door een bepaling waarin is aangegeven dat de functionele eis voor een of meer gebruiksfuncties niet van toepassing is.

Voorts is nog van belang dat ingevolge artikel 1.5 van het Bouwbesluit 2003 de mogelijkheid aanwezig is om, binnen het kader van de functionele eis, af te wijken van de in het besluit aangegeven prestatie-eisen door het stellen van voorschriften die gelijkwaardig zijn aan deze prestatie-eisen. Artikel 1.5 wordt daarom ook wel de gelijkwaardigheidsbepaling genoemd en luidt als volgt:

‘Aan een in het tweede tot en met zesde hoofdstuk gesteld voorschrift dat moet worden toegepast om te voldoen aan een met betrekking tot een bouwwerk of een gedeelte daarvan gestelde eis, behoeft niet worden voldaan, voorzover anders dan door toepassing van dat voorschrift het bouwwerk of het betrokken gedeelte daarvan ten minste dezelfde mate van veiligheid, bescherming van de gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en bescherming van het milieu biedt, als is beoogd met het betrokken voorschrift.’

Bij toepassing van de gelijkwaardigheidsbepaling dient - blijkens de nota van toelichting - ten genoegen van burgemeester en wethouders te worden aangetoond dat het bouwwerk tenminste eenzelfde mate van veiligheid, bescherming van de gezondheid, en dergelijke biedt als is beoogd met het betrokken voorschrift. Dit artikel geeft verweerder derhalve niet de bevoegdheid om zelfstandig andere of nadere voorschriften te stellen, maar geeft verweerder wel de bevoegdheid om een alternatief te stellen in de plaats van de in het Bouwbesluit 2003 gestelde prestatie-eisen. Deze bepaling geeft derhalve reeds aan hoe groot de beoordelingsruimte van verweerder in dezen is.

In dit geding gaat het - met name - om de in paragraaf 2.13.2 van het Bouwbesluit 2003 gegeven voorschriften uit het oogpunt van veiligheid, de voorschriften ter beperking van uitbreiding van brand bij bestaande bouw. Deze voorschriften zijn gegeven met als - achterliggend - doel dat de gebruikers van de gebouwen de gelegenheid hebben om veilig te ontkomen, waarbij voorts wordt voorkomen dat de brand in korte tijd een zodanige omvang aanneemt dat hij voor de brandweer niet meer is te beheersen.

In artikel 2.110, eerste lid, van het Bouwbesluit 2003 is bepaald dat een bestaand bouwwerk zodanig is dat de uitbreiding van brand voldoende wordt beperkt. Dit is de functionele eis. Aan de hand van de in artikel 2.110, tweede lid, van het Bouwbesluit 2003 bedoelde aansturingstabel dient ingevolge artikel 2.113, eerste lid, van het Bouwbesluit 2003 de volgens NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment naar een ander brandcompartiment, een besloten ruimte waardoor een brand- en rookvrije vluchtroute voert, en een niet besloten veiligheidstrappenhuis, niet lager te zijn dan 20 minuten. Dit is de zogeheten prestatie-eis. Er ontbreekt een bepaling waarin staat dat de functionele eis niet van toepassing is.

Tussen partijen is niet in geschil dat in dit geval de bepalingsmethode van NEN 6068 niet kan worden toegepast. Verweerder zal derhalve op een andere manier moeten aantonen dat sprake is van overtreding van het voorschrift, de functionele eis, dat de uitbreiding van brand voldoende moet worden beperkt, en van de daarbij gestelde prestatie-eis, van 20 minuten weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag.

Verweerder heeft zich hierbij laten leiden door de situatie ter plaatse, onder meer de ligging van de huisjes, de onderlinge afstand en de materialen waaruit de huisjes zijn opgebouwd, en heeft op basis van ervaring en deskundigheid van medewerkers van de afdeling Bouwtoezicht en de brandweer geconcludeerd dat niet aan de vereiste weerstand van 20 minuten is voldaan. Hierdoor is volgens verweerder sprake van overtreding van de in artikel 2.113, eerste lid, gestelde prestatie-eis.

De rechtbank overweegt dat nu de in het Bouwbesluit 2003 aangewezen bepalingsmethode (NEN 6068) niet kan worden toegepast aan verweerder een zekere mate van vrijheid toekomt om te beoordelen of aan de gestelde prestatie-eis en daarmee aan de functionele eis is voldaan. De rechtbank leidt dit met name af uit de nota van toelichting waaruit blijkt dat bij het ontbreken van een prestatie-eis ten genoegen van burgemeester en wethouders - in dezen: verweerder - moeten worden aangetoond dat aan de functionele eis is voldaan. Naar het oordeel van de rechtbank komt verweerder ook een dergelijke beoordelingsruimte toe, indien wel sprake is van een prestatie-eis, maar niet aan de hand van de bepalingsmethode kan worden vastgesteld of aan deze eis is voldaan.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder hierbij in voldoende mate een analyse heeft gemaakt van de situatie ter plaatse en de brand(on)veiligheid. Het is niet aannemelijk geworden dat verweerder dan wel de gemeente Rotterdam onvoldoende eigen deskundigheid en ervaring in huis heeft om een dergelijk onderzoek te kunnen uitvoeren. De enkele stelling dat de besluitvorming onzorgvuldig is geweest nu verweerder heeft nagelaten om door een extern deskundige een brandanalyse te laten uitvoeren is daarvoor onvoldoende. Evenmin kan worden geoordeeld dat de onderhavige regelgeving de inschakeling van een extern deskundige voorschrijft. Aan de conclusie dat het aan de aanschrijvingen ten grondslag liggende onderzoek voldoet aan de daaraan te stellen eisen van zorgvuldigheid en volledigheid kan niet afdoen dat de medewerkers van de brandweer zelf niet in de recreatiehuisjes zijn geweest. Niet is gebleken dat dit in het onderhavige geval, gelet op de al aanwezige informatie bij diverse diensten van de (deel)gemeente, noodzakelijk is om een zorgvuldige analyse te kunnen uitvoeren, terwijl eisers evenmin hebben gesteld dat de aan de binnenzijde aan te brengen gevelbekleding - als een van de alternatieven - reeds aanwezig is. De rechtbank overweegt in dit verband voorts dat verweerder ter bepaling van de vraag of aan de vereiste weerstand is voldaan heeft kunnen aansluiten - mede op basis van de aanwezige deskundigheid en ervaring - aan een wel daarvoor uit de bepalingsmethode toepasbaar criterium - de afstandseis van 3 meter -. Het gegeven dat deze afstandseis niet conform de bepalingsmethode is gehanteerd doet hieraan niet af en kan in het voordeel van eisers worden uitgelegd. Tevens heeft verweerder terecht toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 2.113, tweede lid, van het Bouwbesluit 2003.

Verweerder heeft in het kader van zijn beoordelingsruimte - ten tijde in geding - op goede gronden kunnen weigeren om reeds vooruit te lopen op de nieuwe norm NEN 6068.

Eisers betwisten - ter onderbouwing van hun standpunt dat geen sprake is van een brandonveilige situatie - de door verweerder gemaakte onderverdeling in brand- en subbrandcompartimenten.

In dit verband overweegt de rechtbank dat het niet in strijd is met de systematiek van het Bouwbesluit 2003 om een verdeling te maken van brandcompartimenten van 1000 m², waarbij de recreatiehuisjes worden gezien als subbrandcompartimenten. Met betrekking tot de verdeling in brandcompartimenten schrijft artikel 2.112, eerste lid, van het Bouwbesluit 2003 voor dat een brandcompartiment zich uitstrekt over niet meer dan een perceel. Nu het begrip ‘perceel’ in het Bouwbesluit 2003 niet is gedefinieerd, ziet de rechtbank niet in waarom verweerder in dit verband geen aansluiting heeft kunnen zoeken bij de eigendomsverhoudingen op het recreatieterrein. Partijen zijn het er over eens dat het recreatieterrein waarop de huisjes liggen in eigendom is van de gemeente Rotterdam. Het gehele terrein kan derhalve worden gezien als een perceel. Hierdoor is geen sprake van strijd met het bepaalde in artikel 2.112, eerste lid, van het Bouwbesluit 2003, terwijl ook wordt voldaan aan de in het negende lid van dit artikel 2.112 genoemde maximale oppervlakte. Dat verweerder uiteindelijk bij toepassing van artikel 1.5 van het Bouwbesluit 2003 aan deze maximale oppervlakte voorbij is gegaan, is een bevoegdheid die hem in het kader van deze gelijkwaardigheidsbepaling toekomt.

Met betrekking tot de subbrandcompartimentering overweegt de rechtbank dat verweerder hierbij terecht aansluiting heeft gezocht bij het bepaalde in paragraaf 2.14.2 van het Bouwbesluit 2003, nu het hier gaat om gebouwen met een logiesfunctie. Hoewel dit niet direct uit artikel 2.120 van het Bouwbesluit 2003 is af te leiden heeft de wetgever beoogd om voor gebouwen die ten dienste staan van een functie waarbij door mensen in die gebouwen wordt geslapen verdergaande voorschriften op te stellen. Blijkens de toelichting bij de voorgestelde wijziging van het Bouwbesluit 2003, zoals die per 1 september 2005 (naar verwachting) in werking zal treden, wordt artikel 2.120, eerste lid, van het Bouwbesluit 2003 gewijzigd om te benadrukken dat de voorschriften over subbrandcompartimenten - artikel 2.120 en volgende - alleen zijn bedoeld voor gebruiksfuncties waarin wordt geslapen. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de woorden ‘te benadrukken’ dat met deze wijziging geen verandering is beoogd, waardoor geconcludeerd moet worden dat ook het huidige artikel 2.120 van het Bouwbesluit 2003 is bedoeld voor gebouwen waarin wordt geslapen, zoals een gebouw met een logiesfunctie. Deze conclusie kan ook worden getrokken op basis van de in artikel 2.120, tweede lid, van het Bouwbesluit 2003 bedoelde aansturingstabel, in welke tabel enkel verwijzingen naar van toepassing zijnde voorschriften plaatsvinden voor zover het gaat om functies die (mede) inhouden dat bij de uitoefening daarvan wordt geslapen (woonfunctie, celfunctie, gezondheidszorgfunctie en logiesfunctie).

In reactie op het namens eisers ter zitting door Scholten gehouden pleidooi met betrekking tot artikel 257 van het Bouwbesluit (oud) wijst de rechtbank in de eerste plaats op het doel van het opzetten van het Bouwbesluit 2003, te weten toegankelijker en gebruiksvriendelijker. Daarnaast blijkt niet dat een indeling in subbrandcompartimenten in strijd is met artikel 257 van het Bouwbesluit (oud). De rechtbank leidt uit deze bepaling niet af dat - destijds - alleen een onderverdeling in subbrandcompartimenten kan (kon) plaatsvinden indien sprake was van een logiesgebouw. Hierbij overweegt de rechtbank dat het Bouwbesluit 2003 in tegenstelling tot het Bouwbesluit (oud) voor het geven van voorschriften aansluiting zoekt bij de gebruiksfunctie, hetgeen ook tot uitdrukking komt in een enigszins andere definiëring (logiesfunctie tegenover logiesverblijf), en dat de gebruiksfunctie in dit geval wordt uitgeoefend in een recreatiehuisje, niet zijnde een logiesgebouw, waarvoor het Bouwbesluit 2003 in de paragraaf 2.14.2 nadere voorschriften geeft.

Verweerder heeft bij de indeling in subbrandcompartimenten het afstandsvereiste van 3 meter gesteld, waarvan hiervoor reeds is geoordeeld dat dit valt binnen verweerders beoordelingsruimte.

Anders dan eisers menen vallen de bij de recreatiehuisjes behorende bergingen niet onder het begrip ‘overige gebruiksfunctie’, maar uitsluitend onder het begrip ‘nevenfunctie’. Voor de bergingen gelden derhalve dezelfde voorschriften als voor de recreatiehuisjes.

De rechtbank concludeert dat verweerder - mede onder toepassing van het bepaalde in artikel 1.5 van het Bouwbesluit 2003 - in redelijkheid heeft kunnen stellen dat sprake is van strijd met de ingevolge het Bouwbesluit 2003 gestelde functionele eis en de daarbij behorende prestatie-eis.

Op grond van artikel 23, derde lid, van de Woningwet heeft verweerder de bevoegdheid om als alternatief het gebruik te laten staken in verband waarmee de voorzieningen worden gelast. Uit het vorenstaande volgt dat het gaat om het treffen van voorzieningen uit een oogpunt van brandveiligheid dan wel ter beperking van de mogelijkheden van uitbreiding van brand bij gebouwen met een logiesfunctie. Op grond van genoemde bepaling is verweerder, binnen het hem hierbij gegeven beoordelingskader, bevoegd om het gebruik als logiesverblijf - als alternatief - te verbieden.

Ook overigens kan het beroep van eisers niet leiden tot een gegrondverklaring. Verweerder heeft eisers derhalve terecht aangeschreven om uit een oogpunt van brandveiligheid voorzieningen te treffen en daarbij alternatieven naar voren te brengen. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling in dit geding.

In de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 september 2004 heeft de Afdeling het hoger beroep van de Stichting Rotterdam aan Zee tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en de zaak terugverwezen naar de rechtbank. Daarbij heeft de Afdeling de proceskosten in hoger beroep vastgesteld op € 644,-- en bepaald dat de rechtbank omtrent de vergoeding van deze kosten dient te beslissen. In dit verband overweegt de rechtbank dat het niet in overeenstemming met artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet worden geacht om die kosten in deze procedure te betrekken in een proceskostenveroordeling, nu het gaat om kosten van een rechtspersoon die geen partij is in dit geding. Bij het achterwege laten van een dergelijke veroordeling ontstaat echter een lacune, die in het kader van een goede rechtsbescherming als ongewenst moet worden beschouwd. Hierdoor heeft het naar het oordeel van de rechtbank de voorkeur om - ter uitvoering van de opdracht van de Afdeling - in afwijking van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb verweerder te veroordelen in de kosten die de Stichting Rotterdam aan Zee heeft moeten maken in verband met het door haar ingestelde hoger beroep.

De rechtbank wijst het verzoek van eisers om een veroordeling van verweerder tot vergoeding van schade af.

3. Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep ongegrond,

veroordeelt verweerder in de kosten die de Stichting Rotterdam aan Zee in verband met het door haar ingestelde hoger beroep ten bedrage van € 644,-- heeft moeten maken en bepaalt dat de gemeente Rotterdam deze kosten dient te betalen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Verweij.

De beslissing is, in tegenwoordigheid van mr. A.Th.A.M. Schouw als griffier, in het openbaar uitsproken op 20 juni 2005.

De griffier: De rechter:

Afschrift verzonden op:

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eisers worden begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA ’s-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.