Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2005:AT8173

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-06-2005
Datum publicatie
24-06-2005
Zaaknummer
578253
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een verhuurster van een bedrijfsruimte vordert van de verhuurder kosten een boete, gerechtelijke- en buitengerechtelijke kosten en schadevergoeding. Het verhuurde pand is door de huurder voor geruime tijd niet daadwerkelijk gebruikt. In deze periode is het pand gekraakt. Hierdoor kon het gehuurde bij het einde van de huurovereenkomst niet aan de verhuurster worden opgelevert. Verhuurster heeft als gevolg van de kraak schade geleden, welke zij op de verhuurder verhaalt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2005, 125
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak: 22 juni 2005

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector kanton

[eiseres],

Wonende te [woonplaats],

eiseres bij exploot van dagvaarding van 3 september 2004,

verweerster in reconventie,

gemachtigde: mr. C.J.M. Stubenrouch, advocaat en procureur te Rotterdam,

t e g e n

De stichting

Stichting ROC voor Educatie en Beroepsonderwijs Zadkine,

gevestigd en kantoorhoudende te Rotterdam,

gedaagde,

eiseres in reconventie,

rolgemachtigde: Flanderijn & Van Eck Deurwaarders te Rotterdam.

Partijen worden hierna verder aangeduid als “[eiseres]” en “Zadkine.”

1.HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE:

Verhuurster heeft, na wijziging van eis, gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad Zadkine te veroordelen tot betaling aan [eiseres] van:

1. de contractuele boete van € 1.701,75;

2. de achterstallige servicekosten van € 8.939,04;

3. de gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten tot aan de datum van de uitspraak in kort geding ad € 14.553,18;

4. de gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten terzake van de bodemprocedure ad € 4.638,--

5. schending opleveringsverplichting ad € 13.612,20;

welke bedragen dienen te worden verhoogd met de wettelijke rente en met welke bedragen een bedrag van € 18.070,67 kan worden verrekend, kosten rechtens.

Zadkine heeft van antwoord geconcludeerd tot niet ontvankelijk verklaring, althans afwijzing van de vordering, met veroordeling van Zadkine in de kosten van de procedure. In reconventie heeft Zadkine, na wijziging van haar eis, gevorderd [eiseres] te veroordelen aan Zadkine te betalen een bedrag van € 35.584,72 te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 september 2004, althans de dag van indiening van deze conclusie tot de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure.

Vervolgens is van repliek in conventie en van dupliek in conventie geconcludeerd.

In reconventie is van repliek en van dupliek geconcludeerd. Zadkine heeft nog een akte genomen.

De kantonrechter heeft de datum van de uitspraak van het vonnis bepaald op heden.

2. DE VASTSTAANDE FEITEN:

De aan het geschil ten grondslag liggende feiten kunnen, voor zover erkend dan wel niet of onvoldoende weersproken, alsook voor zover blijkende uit de overgelegde en in zoverre niet betwiste producties, voor zover thans van belang, als volgt worden samengevat.

2.1. Vanaf 1 augustus 1996 heeft [eiseres] het pand [pand] als kantoor/lesruimte verhuurd aan een rechtsvoorganger van Zadkine.

2.2. Partijen zijn een schriftelijke huurovereenkomst aangegaan en op de huurovereenkomst zijn de “ algemene bepalingen huurovereenkomst kantoorruimte en andere bedrijfsruimte niet ex artikel 7A:1624 BW” van toepassing verklaard.

2.3. In deze algemene voorwaarden is onder meer, in artikel 2.1., het volgende beding opgenomen: “Huurder dient het gehuurde -gedurende de gehele duur van de overeenkomst- daadwerkelijk, behoorlijk en zelf te gebruiken uitsluitend overeenkomstig de in de huurovereenkomst aangegeven bestemming (..) Tevens dient hij het gehuurde te voorzien en voorzien te houden van voldoende inrichting en inventaris”

2.4. Op 27 juni 2003 heeft Zadkine de huurovereenkomst opgezegd tegen 1 augustus 2004. [eiseres] heeft de opzegging geaccepteerd in een brief van 15 juli 2003.

In deze brief wijst [eiseres] Zadkine op het bepaalde in artikel 2.1. van de algemene bepalingen van de huurovereenkomst.

2.5. Op 8 februari 2004 is het gehuurde gekraakt.

2.6. [eiseres] heeft ontruiming van de krakers gevorderd. De voorlopige voorzieningen rechter heeft de ontruimingsvordering op 13 mei 2004 afgewezen.

2.7. Zadkine heeft het gehuurde leeg opgeleverd op 11 november 2004, nadat zij in een voorlopige voorziening de krakers heeft doen ontruimen. De krakers hebben het gehuurde op 8 november 2004 verlaten.

3. HET GESCHIL EN DE STELLINGEN VAN PARTIJEN:

3.1. [eiseres] heeft, naast de hiervoor beschreven vaststaande feiten en voor zover thans van belang, het volgende aan haar vordering ten grondslag gelegd.

Zadkine heeft het gehuurde geruime tijd niet daadwerkelijk gebruikt, waardoor het gehuurde gekraakt kon worden. Het pand stond al geruime tijd, mogelijk een jaar, leeg toen het gekraakt werd. Omdat Zadkine stelde dat zij het pand nog wel gebruikte voor “confronterende gesprekken in het kader van assesment-trainingen” is haar gevraagd medewerking te verlenen aan een kort geding met het doel de ontruiming van de krakers te bewerkstelligen. Zadkine heeft medewerking verleend aan de bewijsvoering in het kort geding. Zadkine heeft haar verplichtingen uit de huurovereenkomst geschonden door het gehuurde niet te gebruiken. Ze heeft daarmee een kraakrisico geschapen en is aansprakelijk voor de schade die daarvan het gevolg is. Tot de schade behoren ook de buitengerechtelijke en gerechtelijke kosten die [eiseres] noodgedwongen heeft moeten maken. Zadkine dient de huurpenningen te voldoen tot en met de maand van opleveren, en ook de servicekosten.

3.2. Zadkine heeft tegen de vorderingen van [eiseres] gemotiveerd verweer gevoerd.

Zadkine is wellicht strikt formeel haar verplichting om het gehuurde te gebruiken niet nagekomen, maar dit brengt niet mee dat [eiseres] daardoor schade heeft geleden.

Als al sprake is van schade, dan is Zadkine daarvoor niet aansprakelijk. Door de kraak werd leegstand voorkomen. [eiseres] heeft gedoogd dat Zadkine het gehuurde niet gebruikte, nu zij Zadkine niet heeft gesommeerd tot in gebruikname. Van schade ten gevolge van het kraken is geen sprake, nu de krakers zich keurig hebben gedragen.

Het aanspannen van een kansloos kort geding komt voor rekening en risico van [eiseres]. De gevorderde kosten worden betwist en zijn onvoldoende onderbouwd.

Een bodemprocedure tegen de krakers is, als deze al wordt gevoerd, kansloos nu elk belang ontbreekt. [eiseres] heeft zelf schuld aan de kraakactie. Wanneer kosten toewijsbaar zijn, dient die toewijzing te worden beperkt tot de forfaitaire bedragen die plegen te worden toegekend. Zadkine heeft de huur, verhoogd met de wettelijke rente voldaan, na eerst een beroep op opschorting te hebben gedaan. De contractuele boete wegens te laat betalen is buitensporig hoog en dient te worden gematigd tot nihil.

De navordering betreffende de kosten van stadsverwarming is niet onderbouwd.

Het is strijdig met goed huurderschap om deze kosten jarenlang te laten oplopen.

De kosten dienen te worden gematigd. De te late oplevering van het gehuurde vormt geen schade omdat niet vaststaat dat [eiseres] op 1 augustus 2004 over een nieuwe huurder kon beschikken. In reconventie vordert Zadkine bedragen ter zake van een maand te veel betaalde huur en een bankgarantie die door [eiseres] werd ingeroepen. Een maand huur is onverschuldigd betaald, de bankgarantie is ten onrechte ingeroepen en er zijn onverschuldigd servicekosten betaald, zodat deze dienen te worden terugbetaald.

3.3. Voor de verdere stellingen van partijen wordt verwezen naar de gewisselde processtukken, die als hier herhaald en ingelast worden beschouwd en voor zover nodig zullen die stellingen worden besproken in het kader van de beoordeling van de vordering.

4. DE BEOORDELING VAN DE VORDERINGEN IN CONVENTIE EN IN RECONVENTIE:

4.1. Als huurder was Zadkine gedurende de huurtijd op grond van het bepaalde in artikel 2.1 van de algemene bepalingen bij de huurovereenkomst, gehouden om het gehuurde daadwerkelijk in gebruik te hebben. Zadkine heeft erkend dat zij in ieder geval vanaf

25 juni 2003 niet aan deze verplichting heeft voldaan, ondanks het verzoek van [eiseres] van 15 juli 2003 om het gehuurde daadwerkelijk te blijven gebruiken.

Zadkine stelt zich op het standpunt dat [eiseres] vervolgens heeft verzuimd om Zadkine te sommeren het gehuurde in gebruik te nemen, nu zij wist, althans kon weten dat Zadkine het gehuurde niet daadwerkelijk gebruikte. Zadkine meent met andere woorden dat zij niet in verzuim was ter zake van de nakoming van haar verplichting.

De kantonrechter deelt deze opvatting niet. Zadkine is de verplichting om het gehuurde te gebruiken aangegaan vanaf het moment waarop zij het gehuurde is gaan huren.

Er is dan ook naar haar aard sprake van een voortdurende verplichting tot ingebruikneming en in gebruik houden. Het niet nakomen van deze verplichting levert, ook zonder ingebrekestelling, een niet nakomen op. De kantonrechter oordeelt dat Zadkine tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichting tot het in gebruik nemen en in gebruik houden van het gehuurde.

4.2. De kantonrechter oordeelt voorts dat het [eiseres] niet kan worden verweten dat zij geen maatregelen heeft genomen om Zadkine aan haar verplichting te houden.

De verantwoordelijkheid voor het in gebruik houden van het gehuurde rust op Zadkine en het is bepaald onjuist te stellen dat [eiseres], door niet op te treden tegen de niet nakoming door Zadkine, de bestaande situatie heeft gedoogd. Door te stellen dat [eiseres] daarmee zelf het risico van een kraakactie heeft opgeroepen miskent Zadkine ten onrechte dat zij het is die haar verplichtingen niet is nagekomen.

4.3. Het staat vast dat Zadkine niet heeft voldaan aan haar verplichting om het gehuurde op te leveren op 1 augustus 2004, het moment waarop de huurovereenkomst tot een einde is gekomen. Zij heeft, kennelijk na 1 augustus 2004, in een voorlopige voorziening de krakers ontruimd en vervolgens heeft zij het gehuurde op 11 november 2004 opgeleverd. De verplichting tot opleveren van het gehuurde volgt uit het bepaalde in artikel 7:224 BW, maar ook uit het bepaalde in artikel 9 van de huurovereenkomst. Omdat de huurovereenkomst met ingang van 1 augustus 2004 door opzegging tot een einde is gekomen is het voortgezet verblijf van Zadkine in het gehuurde vanaf dat moment niet meer gebaseerd op enig recht en mitsdien onrechtmatig. Op grond van artikel 7: 225 BW kan [eiseres] in dat geval een vergoeding vorderen gelijk aan de huurprijs, onverminderd haar recht op het meerdere als meer schade wordt geleden.

Het feit dat het gehuurde op en na 1 augustus 2004 niet daadwerkelijk in gebruik was bij Zadkine, maar bij krakers, doet daaraan niet af. Zadkine moet verantwoordelijk worden gehouden voor wat er met het gehuurde gebeurd is tijdens de huurtijd, zoals zij zelf ook stelt in de conclusie van dupliek. Het feit dat zij niet in staat was het gehuurde op te leveren op het moment dat de huurovereenkomst tot een einde kwam, valt volledig in de risicosfeer van Zadkine, zodat de te late oplevering van het gehuurde Zadkine schadeplichtig maakt. Op grond van het bepaalde in artikel 7:225 BW beloopt de schade een bedrag dat gelijk is aan de huurprijs over de tijd dat [eiseres] niet over het gehuurde heeft kunnen beschikken.

4.4. Vaststaat dat [eiseres] vanaf 12 november 2004 weer over het gehuurde heeft kunnen beschikken. Vanaf deze datum is zij daadwerkelijk in de gelegenheid gesteld om een nieuwe huurder of een koper voor het gehuurde te zoeken. Anders dan het geval zou zijn geweest bij een tijdige oplevering op 1 augustus 2004 heeft [eiseres] zich niet kunnen voorbereiden op de teruggave van het gehuurde. Zij heeft tussen 1 augustus en 11 november 2004 maar moeten afwachten of en zo ja wanneer zij weer over het gehuurde kon beschikken en zij is daarom niet in staat geweest op de gebruikelijke wijze potentiële huurders of kopers te melden wanneer het gehuurde voor verhuur of verkoop beschikbaar zou komen. Voorts moet worden aangenomen dat de wetgever heeft willen aansluiten bij het systeem van de huurprijsbetaling en opzegging, zoals dat in het huurrecht gebruikelijk is. Een en ander vormt aanleiding om artikel 7:225 BW zo te lezen dat een volledige huurtermijn als schadevergoeding verschuldigd is wanneer het gehuurde op de eerste dag van de, fictieve, nieuwe huurtermijn niet beschikbaar is.

De kantonrechter wijst op grond van artikel 7:225 BW een vergoeding wegens de te late oplevering toe van vier huurtermijnen.

4.5. Toewijzing van de vergoeding als bedoeld in artikel 7: 225 BW staat niet in de weg aan het vergoeden van schade indien deze hoger is dan de vergoeding als bedoeld in artikel 7: 225 BW. Door het niet nakomen door Zadkine van haar verplichtingen uit de huurovereenkomst stelt [eiseres] schade te hebben geleden. Zij vordert de kosten die zij heeft moeten maken in verband met het voeren van een procedure in kort geding strekkende tot de ontruiming van de krakers. Zadkine verweert zich allereerst tegen deze vordering stellende dat [eiseres] geen schade heeft geleden. Zij meent dat het voeren van een kansloos kort geding voor rekening en risico van [eiseres] moet blijven. De kantonrechter stelt voorop dat een ieder gerechtigd is tot het voeren van een rechtsgeding, behalve wanneer vrijwel zonder enige twijfel moet worden vastgesteld dat de vordering geen schijn van kans maakt. In dit geval is het Zadkine die [eiseres] in een positie heeft gebracht waarin zij het voeren van een kort geding wel moest overwegen. De kantonrechter wijst op de brief van Zadkine aan [eiseres] van 10 februari 2004 met de navolgende tekst: “Hiermee stellen wij u en de eigenaar(..) aansprakelijk voor het met ingang van 9 februari jongstleden niet kunnen gebruiken van de locatie [pand. Dit als gevolg van krakers die zich het pand zonder toestemming van Zadkine hebben toegeëigend. Onderhavige locatie wordt thans gebruikt voor het houden van confronterende gesprekken, die onder meer in het kader van assessmenttrainingen plaats vinden. Het zal u duidelijk zijn dat het gebruik thans niet mogelijk is en wij verzoeken u daarom direct actie te nemen waardoor het pand zo spoedig mogelijk weer door Zadkine kan worden gebruikt. Wij zullen de kraakdagen in mindering brengen op de gebruikelijke betaling van huurpenningen.” Zadkine dringt met andere woorden aan op een actie om de krakers te verwijderen, stellende dat zij het gehuurde in gebruik heeft. [eiseres] heeft vervolgens een kort geding geëntameerd, nadat zij heeft gevraagd aan Zadkine om het bewijs te leveren van het gebruik van het gehuurde. Uit de stukken die zijn overgelegd blijkt dat Zadkine aanvankelijk niet reageerde op de verzoeken van [eiseres] om bewijs te leveren van het gestelde gebruik, maar uiteindelijk wel heeft meegewerkt aan het kort geding, onder meer door ter terechtzitting te verschijnen en door schriftelijk materiaal aan [eiseres] beschikbaar te stellen. Gelet op deze feiten en omstandigheden kan het [eiseres] niet kwalijk worden genomen dat zij heeft gepoogd om de krakers in kort geding te doen ontruimen. [eiseres] heeft een belang bij die ontruiming gelet op haar verplichtingen uit de huurovereenkomst, temeer nu Zadkine nakoming van die verplichtingen heeft verlangd. Dat het kort geding niet het door [eiseres] en Zadkine gewenste resultaat heeft gehad, was op voorhand niet te voorspellen, nu Zadkine stelde het gehuurde wel te gebruiken. Dat het geding voor partijen in deze zaak slecht afliep is veeleer het gevolg van het feit dat Zadkine, in strijd met de waarheid, pretendeerde het gehuurde te gebruiken en ook in de toekomst te willen gebruiken. Door in dit geding te erkennen dat zij het gehuurde niet gebruikte staat vast dat Zadkine [eiseres] op het verkeerde been heeft gezet. Dientengevolge oordeelt de kantonrechter dat Zadkine aansprakelijk is voor de kosten die [eiseres] heeft moeten maken voor het kort geding. Het voorgaande geldt evenzeer voor de bodemprocedure die [eiseres] aanhangig heeft gemaakt. Wanneer een vordering in kort geding wordt afgewezen omdat niet komt vast te staan dat daarvoor een spoedeisend belang aanwezig is, is het bepaald niet uitgesloten dat in een bodemprocedure wel het beoogde resultaat wordt behaald, nu in een dergelijk geding het spoedeisend belang geen rol speelt, terwijl de krakers in beginsel zonder recht of titel en dus onrechtmatig in het gehuurde verbleven.

De conclusie moet luiden dat [eiseres] schade heeft geleden doordat zij redelijkerwijs genoodzaakt was de krakers zowel in een voorlopige voorziening als in een bodemprocedure in rechte te betrekken.

4.6. De schade die [eiseres] lijdt staat in een direct verband met de tekortkoming van Zadkine in haar verplichting om het gehuurde te gebruiken. Wanneer zij het gehuurde niet ongebruikt had gelaten is aannemelijk dat het gehuurde niet zou zijn gekraakt.

Zelfs wanneer het gehuurde desondanks gekraakt zou zijn, zou het gehuurde op een eenvoudige wijze ontruimd kunnen worden wanneer Zadkine het gebruik aannemelijk had kunnen maken. Zadkine is dan ook aansprakelijk voor de schade die [eiseres] lijdt. Van eigen schuld aan de zijde van [eiseres] is geen sprake, nu het geheel in de risicosfeer van Zadkine ligt dat het gehuurde werd gekraakt.

4.7. Op grond van het bepaalde in de artikelen 7: 95 en 7: 96 BW bestaat de schade onder meer in vermogensschade. Vermogensschade omvat zowel geleden verlies als gederfde winst en op grond van artikel 6:96 lid 2 mede de redelijke kosten ter voorkoming of vermindering van schade, redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid en de redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte, behoudens voor zover in het gegeven geval de regels betreffende proceskosten van toepassing zijn. Zadkine stelt zich op het standpunt dat ter zake van de onder artikel 6:96 lid sub c bedoelde kosten aansluiting moet worden gezocht bij het liquidatietarief ter zake van gerechtelijke kosten en ter zake de buitengerechtelijke aansluiting moet worden gezocht bij de aanbevelingen in het kader van het rapport Voorwerk II.

De kantonrechter volgt Zadkine niet in dit standpunt. De beide referentiekaders zijn van toepassing op de relatie van de partijen die in het geschil betrokken zijn. Daarvan is in deze zaak geen sprake, nu Zadkine geen partij was in de beide gedingen. De forfaitaire bedragen die zijn vastgelegd in de liquidatietarieven van de gerechten en de buitengerechtelijke kosten die forfaitair zijn vastgelegd in het rapport Voorwerk II gelden niet tussen één van de partijen in het geding en een derde. Het staat [eiseres] dan ook vrij om haar volledige schade te verhalen op de derde die daarvoor aansprakelijkheid draagt.

4.8. De door [eiseres] gevorderde bedragen worden door Zadkine betwist.

Zadkine betwist dat [eiseres] werkelijk de totale kosten van € 19.191,18 heeft voldaan. Of de in rekening gebrachte kosten daadwerkelijk zijn voldaan is niet gebleken.

Gelet op haar bewijsaanbod zal [eiseres] in de gelegenheid worden gesteld haar betalingen te bewijzen. Voorts betwist Zadkine dat de in rekening gebrachte kosten voldoen aan de zogenaamde dubbele redelijkheidstoets. De kantonrechter oordeelt dat [eiseres] terecht kosten heeft gemaakt. Of de gemaakte kosten inderdaad redelijk zijn kan echter op grond van de in het geding gebrachte stukken niet worden beoordeeld.

De overgelegde nota’s en specificaties zijn voorzien van diverse aantekeningen waardoor niet meer kan worden nagegaan welke kosten zijn gemaakt ten gevolge van de beide gevoerde procedures en de daaraan voorafgaande buitengerechtelijke fase.

De kantonrechter zal [eiseres] in de gelegenheid stellen deugdelijke specificaties van de gedeclareerde werkzaamheden in het geding te brengen. Deze specificaties moeten voldoen aan de eis dat daardoor inzichtelijk wordt hoeveel uren zijn besteed aan buitengerechtelijke werkzaamheden, aan werkzaamheden ten behoeve van het gevoerde kort geding, welke werkzaamheden zijn verricht ten behoeve van de bodemprocedure en welke kosten in rekening werden gebracht. Uit de specificatie moet voorts het berekende tarief blijken. Van [eiseres] kan niet worden verwacht dat zij bovendien alle correspondentie, adviezen en andere processtukken in het geding brengt.

4.9. Vaststaat dat Zadkine na het kraken van het gehuurde de huurbetalingen heeft opgeschort. In een later stadium heeft zij de huur alsnog voldaan, verhoogd met wettelijke rente. Door [eiseres] wordt aanspraak gemaakt op de in artikel 14 tweede lid van de algemene bepalingen bij de huurovereenkomst bedongen boete. Zadkine meent dat de boete dient te worden gematigd. Op grond van artikel 6:94 BW is de rechter bevoegd de bedongen boete te matigen, wanneer de billijkheid dit klaarblijkelijk eist.

De wetgever heeft door deze formulering beoogd dat de rechter bij toepassing van de matigingsbevoegdheid de nodige terughoudendheid betracht. Door Zadkine is welbewust geen huur voldaan, omdat het gehuurde werd gekraakt. Nu zij ook zelf stelt dat zij als huurder het risico draagt van het kraken is het onbegrijpelijk dat Zadkine heeft besloten de huur niet langer te voldoen. Er is, met andere woorden, nimmer een redelijke grond geweest voor het opschorten van de huurbetalingen. De boete beloopt minder dan 3 % van de huurtermijn. Een dergelijke boete beoordeelt de kantonrechter niet als buitensporig. Voor matiging van de boete is dan ook geen reden.

Dit deel van de vordering wordt toegewezen.

4.10. Door [eiseres] worden bedragen gevorderd in verband met geleverde diensten, bestaande uit stadsverwarming en energielevering. Op grond van artikel 6 van de huurovereenkomst en artikel 12 van de algemene voorwaarden wordt aan de huurder een voorschotbedrag berekend. Dit voorschot wordt jaarlijks, op basis van nacalculatie, verrekend met de werkelijk gemaakte kosten. Door [eiseres] is niet jaarlijks een nacalculatie verstrekt. Zij maakt thans aanspraak op nagecalculeerde bedragen sedert het jaar 2000. Zadkine stelt dat [eiseres] niet meer bevoegd is tot nacalculatie over te gaan nu een aantal jaren zijn verstreken zonder nacalculatie, waardoor zij zich niet heeft gehouden aan de bepalingen van de huurovereenkomst. De kantonrechter oordeelt dat dit standpunt van Zadkine onjuist is. De contractueel overeengekomen termijnen moeten worden beschouwd als aansporingstermijnen en niet als vervaltermijnen.

Met name in het geval de verhuurder voor de nacalculatie afhankelijk is van de verstrekking van afrekeningen door een energiebedrijf, zou het standpunt van Zadkine leiden tot het onbillijke resultaat dat [eiseres] de werkelijk door Zadkine gemaakte kosten niet meer in rekening zou mogen brengen wanneer het energiebedrijf niet tijdig een afrekening verstrekt.

4.11. Van [eiseres] mag wel worden verwacht dat zij zorgdraagt voor een deugdelijke nacalculatie, met behulp waarvan Zadkine op een relatief eenvoudige wijze kan nagaan of de in rekening gebrachte bedragen ook daadwerkelijk verschuldigd zijn. De door [eiseres] in het geding gebrachte stukken voldoen op geen enkele wijze aan de eisen die aan een nacalculatie mogen worden gesteld. [eiseres] zal in de gelegenheid worden gesteld een of meer deugdelijke afrekeningen van de in rekening gebrachte leveringen en diensten in het geding te brengen. Uit deze afrekeningen dient te blijken welke bedragen voor welke periode in rekening werden gebracht en welke voorschotten door Zadkine werden voldaan.

4.12. [eiseres] zal de genoemde stukken in het geding mogen brengen, waar nodig voorzien van een toelichting. Vervolgens zal Zadkine in de gelegenheid worden gesteld op deze stukken te reageren.

4.13. Iedere verdere beslissing wordt in dit stadium van het geding door de kantonrechter aangehouden.

5. DE BESLISSING:

de kantonrechter:

alvorens nader te beslissen:

verwijst de zaak naar de rolzitting van 20 juli 2005 teneinde [eiseres] in de gelegenheid te stellen de hiervoor sub 4.8 en sub 4.11 bedoelde stukken in het geding te brengen;

houdt iedere verdere beslissing in dit stadium van het geding aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.J. van Die, kantonrechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting.