Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2005:AT8138

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-06-2005
Datum publicatie
23-06-2005
Zaaknummer
05/2081, 05/2125 en 05/2150 VBESLUI
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Mondelinge uitspraak
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoek om gegevens uit akten op te nemen in de gemeentelijke basisadministratie (GBA).

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 4:13
Algemene wet bestuursrecht 6:2
Algemene wet bestuursrecht 6:20
Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens 79
Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens 82
Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens 83
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE ROTTERDAM

Voorzieningenrechter

Reg. nrs.: VBESLUI 05/2081, 05/2125 en 05/2150-NAV

Proces-verbaal mondelinge uitspraak

gedaan op 9 juni 2005

naar aanleiding van de verzoeken om voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met de procedures tussen

1. M., wonende te Rotterdam

gemachtigde mr. J. Singh, advocaat te Hoofddorp, voor wie zijn kantoorgenoot mr. A Khan ter zitting is verschenen,

2. M., wonende te Rotterdam,

vertegenwoordigd als hierboven vermeld,

3. A., wonende te Rotterdam,

gemachtigde mr. A. Khan, advocaat te Hoofddorp,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder,

gemachtigde L.H. Drost, ambtenaar van de gemeente Rotterdam,

Na de sluiting van het onderzoek ter zitting op 9 juni 2005 heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan. De beslissingen en de gronden van de beslissingen luiden als volgt:

Beslissingen

De voorzieningenrechter,

recht doende:

wijst de verzoeken om voorlopige voorzieningen toe, in die zin dat verweerder wordt opgedragen uiterlijk op 1 september 2005 reële besluiten op de aanvragen tot inschrijving van gegevens in de gemeentelijke basisadministratie te nemen,

bepaalt dat de gemeente Rotterdam in elk van de zaken het door verzoekers betaalde griffierecht van € 138,-- vergoedt,

veroordeelt verweerder in de proceskosten in elk van de zaken tot een bedrag van € 644,-- en wijst de gemeente Rotterdam als rechtspersoon aan die deze proceskosten aan verzoekers moet vergoeden, bepaalt dat, nu aan verzoekers een toevoeging is verleend, deze kosten rechtstreeks aan de griffier (Rabobankrekening 19 23 25 892) worden betaald.

Gronden

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing op bezwaar of eventueel in de hoofdzaak.

In hun verzoekschriften hebben verzoekers onder verwijzing naar de bezwaarschriften aangevoerd dat verweerder ten onrechte nog geen beslissing heeft genomen op hun verzoeken en er geen gerechtvaardigde reden is om die beslissingen aan te houden. Reden waarom zij nu in de onderhavige procedures primair verzoeken dat verweerder wordt opgedragen om inhoud van de door hen overgelegde akten alsnog op te nemen in de registers van de gemeentelijke basisadministratie. Subsidiair verzoeken zij dat verweerder binnen vier onderscheidenlijk twee weken alsnog een reëel besluit neemt.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 4:13, eerste lid, van de Awb dient een beschikking te worden gegeven binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn of, bij het ontbreken van zulk een termijn, binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag.

Ingevolge artikel 79, eerste lid, van de Wet op de gemeentelijke basisadministratie (hierna: Wet GBA), deelt het college van burgemeester en wethouders een ieder op diens verzoek schriftelijk binnen vier weken kosteloos mede of hem betreffende persoonsgegevens in de basisadministratie worden verwerkt.

Ingevolge artikel 82, eerste lid, van de Wet GBA voldoet het college van burgemeester en wethouders binnen vier weken kosteloos aan het verzoek van betrokkene hem betreffende gegevens in de basisadministratie te verbeteren, aan te vullen of te verwijderen, indien deze feitelijk onjuist zijn of in strijd met een wettelijke voorschrift worden verwerkt. Het verzoek bevat de aan te brengen wijzigingen.

Ingevolge artikel 82, derde lid, van de Wet GBA kan de termijn, bedoeld in het eerste lid, voor zover noodzakelijk, met telkens acht weken worden verlengd, indien het verzoek betrekking heeft op gegevens over de burgerlijke staat of de nationaliteit. Van verlenging wordt terstond schriftelijk mededeling gedaan aan verzoeker.

Artikel 83 van de Wet GBA, voor zover thans van belang, bepaalt dat een beslissing van het college van burgemeester en wethouders om:

(…);

b. een gegeven over de burgerlijke staat niet op te nemen, dan wel een geschrift daarover dat als akte is aangeboden niet als zodanig aan te merken;

(…);

f. niet te voldoen aan een verzoek als bedoeld in de artikelen 79 tot en met 82,

wordt gelijkgesteld met een besluit in de zin van de Awb.

Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke bepalingen over bezwaar en beroep met een besluit gelijkgesteld het niet tijdig nemen van een besluit.

Verzoeker sub 1 (reg. nr. VBESLUI 05/2081-NAV) heeft op 6 december 2004 een Pakistaanse huwelijksakte en een geboorteakte aan verweerder overgelegd en hem verzocht om de gegevens uit deze akten op te nemen in de gemeentelijke basisadministratie.

Bij brief van 19 mei 2005 heeft verzoeker sub 1, voor zover thans van belang, bezwaar gemaakt wegens het niet tijdig nemen van een beslissing op zijn aanvraag. Voorts heeft hij die dag een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend.

Verzoeker sub 2 (reg. nr. VBESLUI 05/1951-NAV) heeft op 22 februari 2005 een Pakistaanse huwelijksakte aan verweerder overgelegd en hem verzocht om de gegevens uit deze akte op te nemen in de gemeentelijke basisadministratie.

Bij brief van 7 april 2005 heeft verzoeker sub 2, voor zover thans van belang, bezwaar gemaakt wegens het niet tijdig nemen van een beslissing op zijn aanvraag. Voorts heeft hij bij brief van 25 mei 2005 een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend.

Verzoeker sub 3 heeft op 18 maart 2005 een Pakistaanse huwelijksakte en een geboorteakte aan verweerder overgelegd en hem verzocht om de gegevens uit deze akten op te nemen in de gemeentelijke basisadministratie.

Bij brief van 25 april 2005 heeft verzoeker sub 3, voor zover thans van belang, bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op zijn aanvraag. Voorts is op die dag het onderhavige verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend.

De voorzieningenrechter stelt vast dat in alle onderhavige zaken - hetgeen door gemachtigde van verweerder ter zitting ook niet is weersproken - verweerder niet binnen de daarvoor gestelde wettelijke termijn een beslissing op de aanvragen heeft genomen dan wel tijdig (opnieuw) toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in het derde lid van artikel 82 van de Wet GBA. Hieruit volgt dat de bezwaren van verzoekers, voor zover zij zijn gericht tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op hun aanvragen, naar verwachting gegrond zullen worden verklaard.

Ingevolge artikel 6:20, eerste lid, van de Awb, voor zover thans van belang, blijft het bestuursorgaan verplicht een besluit op de aanvraag te nemen, indien het bezwaar is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Ingevolge het tweede lid van deze bepaling, en voor zover thans van belang, geldt het in het eerste lid bepaalde niet gedurende de periode dat het bezwaar aanhangig is.

Uit het bepaalde in artikel 6:20 van de Awb volgt dat verweerder hangende de bezwaartermijn bevoegd blijft om een (primair) inhoudelijke besluit op de aanvraag te nemen en na het verstrijken van die termijn daartoe, behoudens het bepaalde in artikel 6:20, tweede lid, aanhef en onder b, verplicht is.

Ingevolge artikel 7:10, eerste lid, van de Awb dient verweerder, nu er sprake is van een commissie als bedoeld in artikel 7:13, eerste lid, van de Awb, binnen tien weken na ontvangst van het bezwaarschrift te beslissen.

De voorzieningenrechter stelt vast dat de termijn waarbinnen verweerder op de bezwaren dient te beslissen in alle drie de gevallen nog niet is verstreken. Verder blijkt uit de stukken en het verhandelde ter zitting dat niet te verwachten valt dat verweerder binnen de bezwaartermijn alsnog inhoudelijk op de onderhavige aanvragen zal beslissen. Naar verwachting - hetgeen hierna nader zal worden toegelicht - zal verweerder daar hoogstwaarschijnlijk zelfs ook niet toe overgegaan na ommekomst van het verstrijken van de bezwaartermijn(-en).

De reden dat verweerder nog niet kan dan wel wenst te beslissen op de voorliggende aanvragen vloeit naar zijn stelling voort uit de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, gedaan in twee beroepszaken betreffende legalisatie en verificatie van documenten afkomstig uit één van de zogenoemde “probleemleden” (uitspraken van 8 september 2004, zaaknrs. 20030468/1 en 200303055/1, te vinden via www.raadvanstate.nl).

De Afdeling is in de aangehaalde uitspraken tot het oordeel gekomen dat legalisatie slechts kan strekken tot de formele bevestiging van een document en geen uitsluitsel kan bieden omtrent de juistheid van de inhoud ervan. Legalisatie noch verificatie is dan ook naar haar oordeel aan te merken als een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid van de Awb. Het door de minister van Buitenlandse Zaken gegeven beoordeling van een buitenlands document is derhalve niet beslissend. Naar het oordeel van de Afdeling is het aan de bevoegde instantie om te beoordelen of het rechtsfeit met behulp van het document is komen vast te staan dan wel aannemelijk geworden. Heeft de minister de betrokken instantie door middel van een verificatierapport van advies gediend met betrekking tot de juistheid van de inhoud van het document of een onderdeel daarvan, dan kan dit bij die beoordeling worden betrokken.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter volgt uit de aangehaalde uitspraken van de Afdeling dat zij afstand heeft genomen van haar eerdere jurisprudentie waarin werd geoordeeld dat een legalisatiebeslissing is gericht op rechtsgevolg.

Voorts volgt naar het oordeel van de voorzieningenrechter uit deze uitspraken - kort samengevat - dat legalisatie niets zegt over de juistheid van de inhoud van een document, maar dat onder andere verificatie daartoe meer uitsluitsel over kan geven.

Blijkens de stukken heeft de Minister van Buitenlandse Zaken bij brief van 24 september 2004 (te vinden via www.minbuza.nl) de Voorzitter van de Tweede Kamer van der Staten-Generaal medegedeeld dat hij zich naar aanleiding van de uitspraken van de Afdeling van 8 september 2004 genoodzaakt ziet het legalisatie- en verificatiebeleid te herzien. Kort samengevat leidt de bijstelling ertoe dat verzoeken tot legalisatie in behandeling worden genomen zonder voorafgaande verificatie. Uit deze brief blijkt verder dat de Minister bereid blijft de Nederlandse uitvoeringsinstanties - waarvan verweerder er één is - zoveel mogelijk van dienst te zijn met verificatie van brondocumenten en dat hij over het terzake nieuw te voeren beleid overleg wenst te voeren met andere ministeries.

De voorzieningenrechter leidt uit de stukken verder af dat het door het ministerie van Buitenlandse Zaken ingenomen standpunt veel gemeenten, waaronder de gemeente van verweerder, ertoe heeft gebracht om de opname van de inhoud van buitenlandse documenten - en dan met name documenten afkomstig uit de voorheen zogenoemde “probleemlanden” (Dominicaanse Republiek, Ghana, India, Pakistan en Nigeria) aan te houden.

Op 11 mei 2005 (zie o.a. de website van de Nederlandse Vereniging voor Burgerzaken (NVVB), te vinden via www.nvvb.nl) hebben het ministerie van Buitenlandse Zaken en de NVVB met elkaar overleg gevoerd om de impasse te doorbreken die al enkele maanden bestaat over de wijze waarop omgegaan moet worden met buitenlandse brondocumenten waarvan gerede vermoeden bestaat dat ze niet juist zijn. In een proefperiode met de G4, waartoe ook gemeente van verweerder behoort, worden de problemen aan de hand van concrete gevallen nog in kaart gebracht.

Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder verder aangegeven dat inmiddels bij wijze van proef besloten is dat ieder van de G4 dertig dossiers ter verificatie zal aanbieden aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken, waarbij het dan gaat om dossiers waarin de Minister van Buitenlandse Zaken in het verleden de aangeboden (bron)documenten heeft geweigerd te legaliseren na een zogenoemd verificatieonderzoek. Verder is medegedeeld dat in de Rotterdamse zaken de proef met name zal zien op na intrekking van het voorheen gevoerde verificatie- en legalisatiebeleid (opnieuw) aangeboden en door de Minister van Buitenlandse Zaken gelegaliseerde documenten.

Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder verder, desgevraagd, de toezegging gedaan dat de onderhavige drie zaken die allen betrekking hebben op Pakistaanse documenten, deel zullen uitmaken van de dertig te selecteren zaken.

Desgevraagd heeft gemachtigde van verzoekers aangegeven hierin geen reden te zien om zijn verzoeken tot het treffen van voorlopige voorzieningen in te trekken.

De voorzieningenrechter ziet, gelet op de bovenstaande overwegingen, aanleiding tot het treffen van voorlopige voorzieningen. Tegenover het algemene belang en de taakstelling van verweerder staan immers de individuele belangen van verzoekers, die recht hebben op rechtsbescherming en rechtszekerheid.

De voorzieningenrechter ziet, gelet op de bovenstaande ontwikkelingen, evenwel geen aanleiding om verweerder op te dragen de inhoud van de aangeboden akten op te nemen in de gemeentelijke basisadministratie. Evenmin wordt aanleiding gezien om, zoals verzoekers tevens hebben verzocht, te bepalen dat verweerder binnen twee dan wel vier weken na deze uitspraak alsnog een reële beslissing op de aanvragen dient te nemen, laat staan op straffe van een dwangsom. Dienaangaande overweegt de voorzieningenrechter dat hij begrip heeft voor de situatie waarin verweerder zich sinds de uitspraken van de Afdeling bevindt en het daarna opgestarte ambtelijke en bestuurlijke streven om te komen tot een voor de uitvoeringspraktijk hanteerbare nieuwe werkwijze in geval er twijfels bestaan over de inhoud van buitenlandse (bron-)documenten.

Gelet op de ingewikkelde aard van het onderhavige probleem en gelet op de huidige stand van zaken, zoals nader door de gemachtigde ter zitting is toegelicht, ziet de voorzieningenrechter aanleiding de verzoeken om voorlopige voorzieningen toe te wijzen, in die zin dat verweerder wordt opgedragen voor uiterlijk op 1 september 2005 reële besluiten te nemen op desbetreffende aanvragen van verzoekers. Bij het bepalen van deze termijn heeft de voorzieningenrechter rekening gehouden met de duur van het voor het nemen van een inhoudelijk besluit naar verwachting alsnog noodzakelijk te achten onderzoek.

De voorzieningenrechter ziet aanleiding met toepassing van artikel 8:82, vierde lid, van de Awb te bepalen dat de gemeente Rotterdam aan verzoekers het door ieder van hen betaalde griffierecht van € 138,-- dient te vergoeden.

Veroordeelt verweerder in de proceskosten in elk van drie voorlopige voorzieningsprocedures tot een bedrag van € 644,--. De voorzieningenrechter heeft, niettegenstaande het feit dat de zaken allen zien op het niet tijdige nemen van een besluit op een aanvraag alsmede gevoegd ter zitting zijn behandeld, bij wijze van hoge uitzondering geen aanleiding gezien om uit te gaan van een lagere wegingsfactor dan 1.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door mr. H.C. Naves, voorzieningenrechter, en mr. A.Th.A.M. Schouw als griffier is ondertekend.

De griffier: De voorzieningenrechter:

Afschrift verzonden op: