Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2005:AT8136

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-06-2005
Datum publicatie
23-06-2005
Zaaknummer
05/2193 VOZB
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De bestuursrechter is niet bevoegd kennis te nemen van een beroep tegen enige beslissing omtrent intrekking van een getroffen betalingsregeling inzake aanslagen onroerende zaakbelasting en rioolrecht. Ingeval een dwangbevel volgt is verzet mogelijk bij de burgerlijke rechter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2005/896
FutD 2005-1253
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE ROTTERDAM

Voorzieningenrechter

Reg.nr.: VOZB 05/2193-NIFT

Uitspraak

naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met de procedure tussen

[Belanghebbende], wonende te [woonplaats], verzoeker (hierna: belanghebbende),

en

de directeur gemeentebelastingen Rotterdam, verweerder (hierna: de ambtenaar),

1. Ontstaan en loop van de procedure

Bij brief van 27 mei 2005 heeft M. Hiermstra in de hoedanigheid van gemachtigde van belanghebbende administratief beroep ingesteld tegen het besluit van de ambtenaar van 24 mei 2005 (hierna: bestreden besluit) houdende intrekking van de zogenoemde uitstelbeschikking inzake diverse aanslagen onroerende zaakbelasting en rioolrecht.

Voorts heeft belanghebbende bij brief van diezelfde datum de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende schorsing van de intrekking van de uitstelbeschikking.

2. Overwegingen

2.1. Wettelijk kader

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ingevolge artikel 231, eerste lid, van de Gemeentewet geschieden, voor zover hier van belang, de heffing en de invordering van gemeentelijke belastingen met toepassing van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR), de Invorderingswet 1990 (hierna: IW 1990) en de Kostenwet invordering rijksbelastingen als waren die belastingen rijksbelastingen. Ingevolge het tweede lid van dat artikel gelden de bevoegdheden van de in die wetten genoemde ambtenaren van de rijksbelastingdienst voor wat betreft de gemeentelijke belastingen voor de gemeenteambtenaren belast met de heffing of de invordering van gemeentelijke belastingen.

Ingevolge artikel 26 van de AWR:

1. kan in afwijking van artikel 8:1, eerste lid, van de Awb tegen een ingevolge de belastingwet genomen besluit slechts beroep bij de rechtbank worden ingesteld, indien het betreft:

a. een belastingaanslag, daaronder begrepen de in artikel 15 voorgeschreven verrekening, of

b. een voor bezwaar vatbare beschikking.

2. wordt de voldoening of afdracht op aangifte, dan wel de inhouding door een inhoudingsplichtige, van een bedrag als belasting voor de mogelijkheid van beroep gelijkgesteld met een voor bezwaar vatbare beschikking van de inspecteur. De wettelijke voorschriften inzake bezwaar en beroep tegen zodanige beschikking zijn van overeenkomstige toepassing, voorzover de aard van de voldoening, de afdracht of de inhouding zich daartegen niet verzet.

Ingevolge artikel 11 van de IW 1990 maant de ontvanger, indien de belastingschuldige een belastingaanslag niet binnen de gestelde termijn betaalt, hem schriftelijk aan om alsnog binnen tien dagen na de dagtekening van de aanmaning te betalen, onder kennisgeving dat de belastingschuldige anders door de middelen bij de wet bepaald tot betaling zal worden gedwongen. De aanmaning kan betrekking hebben op verschillende belastingaanslagen.

Ingevolge artikel 12 van de IW 1990 kan, indien de belastingschuldige na de aanmaning in gebreke blijft, de invordering van de belastingaanslag geschieden bij een door de ontvanger uit te vaardigen dwangbevel. Het dwangbevel kan betrekking hebben op verschillende belastingaanslagen.

Artikel 17 van de IW 1990 luidt als volgt:

“1. De belastingschuldige kan tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel in verzet komen bij de rechtbank van het arrondissement waarbinnen hij woont of is gevestigd. Indien de belastingschuldige buiten Nederland woont of is gevestigd dan wel in Nederland geen vaste woonplaats of plaats van vestiging heeft, kan hij in verzet komen bij de rechtbank van het arrondissement waarbinnen het kantoor is gevestigd van de ontvanger die het dwangbevel heeft uitgevaardigd.

2. Het verzet vangt aan met dagvaarding door de belastingschuldige als eiser aan de ontvanger die het dwangbevel heeft uitgevaardigd als gedaagde. Het verzet schorst de tenuitvoerlegging van het dwangbevel voor zover deze door het verzet wordt bestreden.

3. Het verzet kan niet zijn gegrond op de stelling dat het aanslagbiljet, de aanmaning of het op de voet van artikel 13, derde lid, betekende dwangbevel niet is ontvangen. Bovendien kan het verzet niet zijn gegrond op de stelling dat de belastingaanslag ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld.”.

2.2. Beoordeling

Het bestreden besluit heeft betrekking op de intrekking van een getroffen betalingsregeling inzake de voldoening van gemeentelijke belastingen. Een dergelijk besluit is niet een besluit als bedoeld in artikel 26 van de AWR in verbinding met artikel 231, eerste lid, van de Gemeentewet, zodat de rechtbank niet bevoegd zal zijn uit hoofde van die bepaling kennis te nemen van een beroep tegen een eventuele beslissing op administratief beroep inzake de intrekking van een uitstelbeschikking.

Voorzover de intrekking van het betalingsuitstel na niet voldoening wordt gevolgd door een aanmaning gevolgd door een dwangbevel kan tegen de tenuitvoerlegging daarvan in verzet worden gekomen bij de burgerlijke rechter.

De bestuursrechter zal derhalve nimmer bevoegd zijn om in hoofdzaak kennis te nemen van het geschil.

De voorzieningenrechter is daarom kennelijk onbevoegd, zodat de voorzieningenrechter, gelet op artikel 8:83, derde lid, van de Awb, uitspraak kan doen zonder zitting.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding, terwijl geen grondslag bestaat voor toepassing van artikel 8:73 van de Awb zoals is verzocht.

Gelet op het voorgaande wordt als volgt beslist.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter,

recht doende:

verklaart zich onbevoegd.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A.C. van Nifterick als voorzieningenrechter.

De beslissing is, in tegenwoordigheid van mr. drs. R. Stijnen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2005.

De griffier: De voorzieningenrechter:

Afschrift verzonden op: