Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2005:AT7918

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21-06-2005
Datum publicatie
21-06-2005
Zaaknummer
10/090275-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Moord. Medeplegen van verkrachting en vrijheidsberoving. Openlijke geweldpleging.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 141
Wetboek van Strafrecht 242
Wetboek van Strafrecht 282
Wetboek van Strafrecht 289
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer van de berechte zaak: 10/090275-04

Datum uitspraak: 21 juni 2005

Tegenspraak

VONNIS

van de RECHTBANK ROTTERDAM, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1988 te Curaçao (Nederlandse Antillen),

wonende te [plaatsnaam],

ten tijde van het onderzoek ter terechtzitting preventief in Forensisch Centrum Teylingereind te Sassenheim.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek met gesloten deuren op de terechtzittingen van 6 juni 2005 en van 7 juni 2005.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld is in de inleidende dagvaarding onder parketnummer, zoals deze ter terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd. Van deze dagvaarding en vordering zijn kopieën in dit vonnis gevoegd (bladzijden genummerd (A1 tot en met A8).

DE EIS VAN DE OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Reinders heeft gerequireerd - zakelijk weergegeven - tot:

- de bewezenverklaring van het onder feit 1, feit 2, feit 3 primair, feit 4, feit 5 primair, feit 6, feit 7 primair en feit 8;

- de veroordeling van de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 18 maanden met aftrek van voorarrest, alsmede

- de oplegging aan verdachte van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (P.I.J.).

BEWEZEN

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 primair, 4, 5 primair, 6, 7 primair en 8 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

Ten aanzien van feit 1:

hij op 19 december 2004 te Rotterdam

opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon

genaamd [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd,

immers heeft verdachte opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg,

met een mes in de borst van die

[slachtoffer 1] gestoken,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden.

Ten aanzien van feit 2:

hij op 19 december 2004 te Rotterdam,

op de openbare weg, de Beijerlandselaan,

openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1],

welk geweld bestond uit het

- duwen van die [slachtoffer 1], en

- slaan en/of stompen tegen het het lichaam, van

die [slachtoffer 1], en

- (van achteren) trappen tegen een/de be(e)n(en) van die [slachtoffer 1] en aldus

ten val brengen van die [slachtoffer 1], en

- (bij de kleding) vastpakken van die [slachtoffer 1], en

- vervolgens met een knie op het lichaam van die [slachtoffer 1]

leunen en aldus die [slachtoffer 1] tegen de grond houden, en

trappen en/of schoppen van die [slachtoffer 1], terwijl

die [slachtoffer 1] op de grond lag en werd vastgehouden, en

- steken met een mes

in de borst en de rug en een been

van die [slachtoffer 1].

Ten aanzien van feit 3 primair:

hij in april 2004 te Rotterdam,

tezamen en in vereniging met anderen,

meermalen,

door geweld en feitelijkheden,

iemand, te weten

[benadeelde partij 2], heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden

uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, namelijk

het (telkens)

- voelen en betasten van de vagina van die [benadeelde partij 2] en

- likken van een/de borst(en) van die [benadeelde partij 2] en

- door diens mededaders laten brengen

en houden van hun penis in de mond van die [benadeelde partij 2],

het geweld en feitelijkheden

hebben bestaan uit het

- omsingelen en tegenhouden van die [benadeelde partij 2]

en

- duwen van die [benadeelde partij 2] in een gang van een kelderbox en

- naar beneden trekken van de broek van die [benadeelde partij 2] en

- vastpakken van die [benadeelde partij 2] en

- die [benadeelde partij 2] naar beneden duwen (op haar knieën) en

- tezamen met zijn, verdachtes, mededaders door hun

gezamenlijke aanwezigheid een dusdanig overwicht op die [benadeelde partij 2] uitoefenen,

dat zij werd belemmerd in haar mogelijkheden tot verzet.

Ten aanzien van feit 4:

hij in april 2004 te

Rotterdam

tezamen en in vereniging met een ander

opzettelijk [benadeelde partij 2] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en

beroofd gehouden, immers hebben verdachte en

zijn mededaders met dat opzet die [benadeelde partij 2]

- in een gang van een kelderbox geduwd en

- (vervolgens) in een gang van een kelderbox enige tijd vastgehouden.

Ten aanzien van feit 5 primair:

hij in mei 2004 te Rotterdam,

tezamen en in vereniging met anderen,

meermalen,

door geweld en feitelijkheden

iemand, te weten

[benadeelde partij 2], heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden

uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, namelijk

het (telkens)

- door verdachte en diens mededaders brengen

houden van hun vinger(s) in de vagina van die [benadeelde partij 2] en

- door diens mededaders laten brengen

en houden van hun penis in de mond van die [benadeelde partij 2] en

- door diens mededaders brengen en houden

van hun penis in de vagina van die [benadeelde partij 2] en

- voelen en betasten van de borsten van die [benadeelde partij 2],

het geweld en feitelijkheden

hebben bestaan uit het

- tegenhouden van die [benadeelde partij 2]

- vastpakken en vasthouden van die [benadeelde partij 2] en

- die [benadeelde partij 2] in een woning duwen en trekken en

- die [benadeelde partij 2] op een bed duwen en

- vastpakken en vasthouden van de armen van die [benadeelde partij 2] en

- uitdoen van de (onder)broek van die [benadeelde partij 2] en

- op die [benadeelde partij 2] gaan liggen en

- tezamen met zijn, verdachtes, mededaders door hun

gezamenlijke aanwezigheid een dusdanig overwicht op die [benadeelde partij 2] uitoefenen,

dat zij werd belemmerd in haar mogelijkheden tot verzet.

Ten aanzien van feit 6:

hij in mei 2004 te Rotterdam,

tezamen en in vereniging met anderen,

opzettelijk [benadeelde partij 2] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en

beroofd gehouden, immers hebben hij, verdachte, en

zijn mededaders met dat opzet die [benadeelde partij 2]

- in een woning en vervolgens in een slaapkamer geduwd en getrokken

en

- enige tijd vastgehouden.

Ten aanzien van feit 7 primair:

hij op 09 oktober 2004 te Rotterdam,

tezamen en in vereniging met anderen in een kelderbox, gelegen aan de [straatnaam] meermalen, door geweld en feitelijkheden

iemand, te weten

[benadeelde partij 2], heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden

uit het seksueel binnendringen van het lichaam, namelijk

het (telkens)

- door verdachte en diens mededaders brengen en houden

van hun penis in de vagina van die [benadeelde partij 2],

het geweld en feitelijkheden

hebben bestaan uit het

- vastpakken en houden van die [benadeelde partij 2] en

- naar beneden trekken van de onderbroek van die [benadeelde partij 2] en

- uit elkaar trekken van de benen van die [benadeelde partij 2] en

- op die [benadeelde partij 2] gaan liggen en

- tezamen met zijn, verdachtes, mededaders door hun

gezamenlijke aanwezigheid een dusdanig overwicht op die [benadeelde partij 2] uitoefenen,

dat zij werd belemmerd in haar mogelijkheden tot verzet.

Ten aanzien van feit 8:

hij op 09 oktober 2004 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met anderen in een kelderbox, gelegen aan de [straatnaam] opzettelijk [benadeelde partij 2] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers hebben hij verdachte en zijn mededader(s) met dat opzet die [benadeelde partij 2]

- in een kelderbox enige tijd vastgehouden en

die box op slot gedaan.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging kennelijke verschrijvingen voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

BEWIJS

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de inhoud van wettige bewijsmiddelen. De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist, in een bijlage bij dit vonnis worden opgenomen.

TOELICHTINGEN OP DE BEWEZENVERKLARING

Ten aanzien van feit 1:

Kalm beraad en rustig overleg

De aanwezigheid van de voor de bewezenverklaring noodzakelijke voorbedachte rade om het slachtoffer van het leven te beroven en het daarvoor vereiste moment van kalm beraad en rustig overleg bij verdachte leidt de rechtbank af uit de volgende feiten en omstandigheden.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is komen vast te staan dat eerst een woordenwisseling plaatsvond tussen het latere slachtoffer en een aantal leden van een groep van zes jongeren, waaronder verdachte, welke woordenwisseling uitmondde in een vechtpartij tussen het latere slachtoffer en onder andere verdachte.

Verdachte heeft daarbij een mes gepakt en met dit mes in de rug van het latere slachtoffer gestoken. Uit het sectierapport is gebleken dat door deze messteek in de rug het latere slachtoffer een ingeklapte rechterlong heeft bekomen.

De opzet om het slachtoffer daardoor van het leven te beroven bestond bij verdachte op dat moment nog niet.

Het latere slachtoffer is kunnen ontkomen, maar werd door de groep achtervolgd en ten val gebracht. Verdachte heeft toen opnieuw zijn mes gepakt en opengeklapt. Een van de mededaders ([bijnaam]) heeft vervolgens het latere slachtoffer met een mes bedreigd, steunend met een knie op het bovenlichaam van het latere slachtoffer. Verdachte heeft op dat moment in een been van het slachtoffer gestoken. Omdat verdachte dacht dat hij mis had gestoken –hij voelde geen weerstand- is verdachte vervolgens (om een aldaar geparkeerd staande auto) naar de hoofdzijde van het latere slachtoffer gelopen en heeft verdachte deze [slachtoffer 1] tweemaal in de borst gestoken. Bij de tweede steekbeweging in de borst van het slachtoffer voelde verdachte weerstand en wist hij op dat moment dat hij het slachtoffer geraakt had. Uit het sectierapport blijkt ook dat één van deze twee messteken in de borst een hartperforatie bij het slachtoffer ten gevolg heeft gehad alsmede het samenvallen van de rechterlong.

Het overlijden is goed te verklaren als gevolg van de hartstilstand door de harttamponade in combinatie met adembelemmering als gevolg van de samengevallen longen.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat er bij verdachte verschillende momenten hebben bestaan van innerlijk beraad om het slachtoffer het leven te benemen.

Medeplegen

De rechtbank acht het ten laste gelegde medeplegen niet wettig en overtuigend bewezen.

Degene die als (enige) mogelijke medeverdachte van verdachte met betrekking tot de ten laste gelegde moord naar voren komt is medeverdachte [medeverdachte] (bijgenaamd [bijnaam]).

Uit het dossier blijkt dat deze medeverdachte, terwijl hij het latere slachtoffer in bedwang hield en bedreigde met een mes en zodoende alle gelegenheid had dat mes te gebruiken (wat hij aanvankelijk ook wilde), afgezien heeft van het gebruik van het mes en zich van het latere slachtoffer heeft teruggetrokken.

De rechtbank is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat het voor bewezenverklaring van dit feit vereiste opzet van bij voornoemde [medeverdachte] op de dood van het slachtoffer - ook in de zin van voorwaardelijk opzet - ontbrak.

Ten aanzien van feit 2:

In de bewezenverklaring wordt meegenomen de messteek in de borst van het slachtoffer die niet voor het intreden van de dood van het slachtoffer van betekenis is geweest.

De rechtbank is, anders dan de raadsvrouw van de verdachte, van oordeel dat ook het ten val brengen, het vastpakken van de kleding en het leunen op het lichaam van het latere slachtoffer en het op de grond houden van het slachtoffer wettig en overtuigend is bewezen, nu de handelingen deel uitmaakten van het geheel van de door de groep gepleegde handelingen, waarvan verdachte op dat moment niet alleen deel uitmaakte, maar waarin hij ook een wezenlijke rol heeft vervuld.

Ten aanzien van feit 3 primair en feit 5 primair:

Verdachtes aanwezigheid en deel uitmaken van de groep die seksuele handelingen ten aanzien van het slachtoffer pleegde is in beginsel reeds voldoende om tot medeplegen te komen, omdat verdachte er door zijn aanwezigheid er in directe zin toe heeft bijgedragen dat het slachtoffer niet de mogelijkheid had om zich te verzetten of zich aan die handelingen, al dan niet door één of meer mededaders gepleegd, te onttrekken. Bovendien heeft verdachte zich met betrekking tot een aantal van de seksuele handelingen jegens de slachtoffers overigens niet onbetuigd gelaten.

STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

De bewezen feiten leveren op:

Ten aanzien van feit 1:

Moord.

Ten aanzien van feit 2:

Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Ten aanzien van feit 3 primair:

Medeplegen van verkrachting,

Ten aanzien van feit 4:

Medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden.

Ten aanzien van feit 5 primair:

Medeplegen van verkrachting,

Ten aanzien van feit 6:

Medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden.

Ten aanzien van feit 7 primair:

Medeplegen van verkrachting,

Ten aanzien van feit 8:

Medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn strafbaar.

STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is strafbaar.

MOTIVERING VAN DE STRAF EN MAATREGEL

De straf en maatregel die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan moord. Verdachte heeft een 15 jarige jongen, [slachtoffer 1], van het leven beroofd door hem met een mes onder meer in de borst te steken.

Daarmee heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan één van de zwaarste misdrijven die de Nederlandse strafwet kent. Hij heeft een feit begaan dat op geen enkele wijze meer te herroepen is. Door dit misdrijf is het slachtoffer het meest fundamentele recht, namelijk het recht op leven, ontnomen. De nabestaanden van het slachtoffer zullen de gevolgen van dit onherroepelijke en volkomen onverwachte verlies van hun familielid voor altijd met zich meedragen.

Ook zijn er gevoelens van diepe geschoktheid en onveiligheid in de maatschappij veroorzaakt.

Daarnaast heeft verdachte zich, samen met anderen, schuldig gemaakt aan een drietal verkrachtingen en aan telkens de vrijheidsberoving van het 13-jarige slachtoffer van deze verkrachtingen. Uit de feitelijke toedracht van de delicten blijkt dat de gebeurtenissen voor het slachtoffer bijzonder beangstigend moeten zijn geweest.

De rechtbank rekent het verdachte en zijn mededaders zwaar aan dat zij door hun handelen een grove inbreuk hebben gemaakt op de lichamelijke integriteit, de persoonlijke levenssfeer en de persoonlijke bewegingsvrijheid van het slachtoffer. Zij hebben hun eigen lustgevoelens laten prevaleren boven de gevoelens van het meisje.

Slachtoffers van dergelijke delicten ondervinden, naar de ervaring leert, langdurig de psychisch nadelige gevolgen van het gebeurde. Daarnaast versterken de feiten de gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving.

Op deze ernstige feiten kan niet anders gereageerd worden dan met het opleggen van een jeugddetentie van geruime duur.

De rechtbank heeft bij de strafoplegging rekening gehouden met het feit dat verdachte ten tijde van het plegen van een aantal van de bewezen feiten de leeftijd van 16 jaar nog niet had bereikt, doch de ernst van -met name- het onder 1 bewezen verklaarde feit rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank de oplegging van een jeugddetentie van na te noemen duur.

In het voordeel van verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte, blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitieel Documentatieregister d.d. 21 december 2004 niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

Naar de persoon van de verdachte is een persoonlijkheidsonderzoek ingesteld. Op 19 mei 2005 is door M. Klauwers, kinder- en jeugdpsychiater en door M. van Genabeek, orthopedagoge een gezamenlijk rapport uitgebracht.

De deskundigen constateren bij verdachte een gebrekkig verlopen sociaal-emotionele ontwikkeling.

Betrokkene heeft weinig zelfvertrouwen en een laag gevoel van eigenwaarde. Betrokkene is afhankelijk en snel beïnvloedbaar. Betrokkene ontleent zijn zekerheid aan anderen en zijn loyaliteit ten opzichte van zijn vriendengroep is daarom opvallend sterk. Zijn groep vrienden verschaft hem veiligheid. In deze groep wordt door betrokkene de groepsnorm gevolgd. Ten tijde van het delict heeft betrokkene zich laten meeslepen in de gebeurtenissen. Mede door zijn gebrekkig verlopen sociaal-emotionele ontwikkeling is hij niet in staat gebleken zich aan de groepsnorm te onttrekken. In die zin kunnen de daden hem slechts in beperkte mate worden toegerekend.

Door zijn gevoeligheid voor de groepsnorm kan betrokkene in geval van dreiging “geparachuteerd“ worden. Gezien de grote mate van afhankelijkheid en het ontbreken van voldoende eigen identiteit bestaat er kans op herhaling in een vergelijkbare situatie, vooral omdat het geweten dan niet functioneert. De kans op herhaling is daarom groot.

Gezien de ernst van het delict en het risico van herhaling, waarbij betrokkene zich vooral door angst laat leiden en gevoelig is voor groepsdruk, is een P.I.J.-maatregel geïndiceerd.

Door de deskundige wordt geadviseerd om betrokkene, teneinde hem niet onnodig onder druk te zetten, te plaatsen in Rentray.

De rechtbank heeft naast voornoemde rapport kennis genomen van de inhoud van een voorlichtingsrapport van Bureau Jeugdzorg d.d. 30 mei 2005, opgemaakt door

R.M. Rieffe, jeugdreclasseerder, waarin rapporteur zich aansluit bij het advies van voornoemde deskundigen om betrokkene te doen behandelen binnen de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen.

De rechtbank neemt de bevindingen en conclusies van de deskundigen met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid van verdachte over, zodat zij verdachte verminderd toerekeningsvatbaar voor de bewezen verklaarde feiten acht.

De rechtbank is van oordeel dat het opleggen van een onvoorwaardelijke maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen is aangewezen gelet op de gedragsproblematiek bij verdachte, de behandelingsnoodzaak en de grote kans op recidive. Aan de voorwaarden voor het opleggen van de maatregel is voldaan, nu:

- het bewezenverklaarde een misdrijf betreft waarvoor voorlopige hechtenis is toegestaan;

- het bewezenverklaarde een misdrijf betreft dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen;

- de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel eist en

- de maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte.

Met betrekking tot dit aspect merkt de rechtbank op dat verdachte thans deel uitmaakt van een vaste groep jongeren (de [bendenaam] genaamd) en hij buiten deze groep niet lijkt te beschikken over andere sociale contacten.

Alles afwegend acht de rechtbank de oplegging van de maatregel van plaatsing van verdachte in een inrichting voor jeugdigen en een onvoorwaardelijke jeugddetentie van na te melden duur passend en geboden.

DE VORDERING BENADEELDE PARTIJ [BENADEELDE PARTIJ 1]

Op de wijze voorzien in artikel 51b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting gevoegd als benadeelde partij mr. R.I. van Hanegem, advocaat te Rotterdam en aldaar kantoorhoudende aan de [adres], als gemachtigde van de benadeelde [benadeelde partij 1], de moeder van [slachtoffer 1], ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3. De benadeelde partij vordert vergoeding van materiële schade tot een bedrag van € 9.075,73 en voorts vergoeding van immateriële schade (affectieschade) tot een bedrag van € 10.000,00.

Door of namens de verdachte is primair geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van de vordering van de benadeelde partij omdat deze niet eenvoudig van aard is.

Subsidiair is door of namens de verdachte de niet ontvankelijkheid bepleit ten aanzien de gevorderde schade voor kleding en beeldmateriaal wegens onvoldoende onderbouwing.

Door of namens de verdachte is voorts de niet-ontvankelijkheid bepleit ten aanzien van de gevorderde affectieschade, nu de hoogte van het gevorderde bedrag is ontleend aan een wetsvoorstel dat nog niet van kracht is.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 9.075,63 aan materiele schade en heeft voorts gevorderd aan verdachte de maatregel van schadevergoeding op te leggen tot een bedrag van € 9.075,63.

De officier van justitie heeft met betrekking tot de immateriële schade geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in de vordering.

Nu is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiele schade heeft geleden en de verdachte de inhoud van de door de benadeelde partij overgelegde producties onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken, zal het gevorderde bedrag worden toegewezen.

Het deel van de vordering van de benadeelde partij dat betrekking heeft op de op voormeld onder 4 (kleding) en 7 (beeldmateriaal afscheid) vermelde kosten is weliswaar niet verder onderbouwd, maar de rechtbank acht deze kosten alleszins redelijk en billijk en zal derhalve ook deze posten toewijzen.

De benadeelde partij zal in haar vordering met betrekking tot geleden immateriële schade (affectieschade) niet ontvankelijk worden verklaard, nu een wettelijke basis om deze vorm van schadevergoeding toe te kennen ontbreekt.

Nu de vordering van de benadeelde partij in overwegende mate wordt toegewezen, wordt de verdachte veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

De rechtbank acht tevens oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden.

DE VORDERING BENADEELDE PARTIJ [BENADEELDE PARTIJ 2]:

Op de wijze voorzien in artikel 51b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting gevoegd als benadeelde partij mr. R. Besemer, advocaat te Rotterdam en aldaar kantoorhoudende aan de Stieltjesstraat 78, als gemachtigde van de benadeelde

[benadeelde partij 2], ter zake van de feiten 3 primair, 4, 5 primair, 6, 7 primair en 8. De benadeelde partij vordert vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 9.100,00 bij wijze van voorschot en voorts vergoeding van materiële schade tot een bedrag van € 2.500,00, eveneens bij wijze van voorschot.

Door of namens de verdachte is bepleit dat de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 9.100,00 bij wijze van voorschot en tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in de vordering voor het overige.

De officier van justitie heeft met betrekking tot de gevorderde materiële schade geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij in haar vordering.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd aan de verdachte de maatregel van schadevergoeding op te leggen tot een bedrag van € 9.100,00 bij niet-betaling te vervangen door 1 dag jeugddetentie.

Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van de onder 3 primair, 4, 5 primair, 6, 7 primair en 8 bewezen verklaarde strafbare feiten rechtstreeks immateriële schade heeft geleden.

De rechtbank stelt de geleden schade op dit moment naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid vast op € 5.000,00. Nu nog geen medische eindsituatie is bereikt zal de vordering tot dat bedrag bij wijze van voorschot worden toegewezen en zal de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk worden verklaard.

Er is in deze zaak sprake van meer dan één pleger van het strafbare feit. Ieder van de plegers is naar het civiele recht hoofdelijk aansprakelijk. De verdachte is echter niet tot vergoeding gehouden voor zover het gevorderde reeds door zijn mededaders is voldaan.

Nu de vordering van de benadeelde partij in overwegende mate wordt toegewezen, wordt de verdachte veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

De rechtbank acht tevens oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De op te leggen straf en maatregel is gegrond op de artikelen 36f, 47, 77a, 77g, 77h, 77i, 77s, 77v, 77gg, 141, 242, 282 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2, 3 primair, 4, 5 primair, 6, 7 primair en 8 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

- stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

- verklaart de verdachte strafbaar;

- veroordeelt de verdachte terzake van de bewezen verklaarde feiten tot een jeugddetentie voor de tijd van 18 (ACHTTIEN) MAANDEN;

- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

- legt op de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen en adviseert deze maatregel ten uitvoer te leggen in Rentray;

- wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ten dele toe en veroordeelt de verdachte tegen kwijting aan mr. R.I. van Haneghem, als gemachtigde van de benadeelde voornoemd, kantoorhoudende te Rotterdam aan de [adres], bij wijze van voorschot te betalen € 9.075,73 (zegge NEGENDUIZEND VIJFENZEVENTIG EURO EN DRIËENZEVENTIG EUROCENT);

- verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk in de vordering voor het overig gevorderde en bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

- veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan de verdachte de verplichting op aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij

[benadeelde partij 1] voornoemd te betalen € 9.075,73 (zegge NEGENDUIZEND VIJFENZEVENTIG EURO EN DRIËENZEVENTIG EUROCENT) bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door jeugddetentie voor de duur van 1 dag, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende jeugddetentie de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;

- bepaalt daarbij dat, indien en voor zover door de verdachte voormeld bedrag aan de staat ten behoeve van voormelde benadeelde partij is betaald, daarmee de verplichting van de verdachte om voormeld bedrag aan de benadeelde partij te betalen vervalt, en bepaalt tevens dat indien en voorzover door de verdachte voormeld bedrag aan de benadeelde partij is betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat vervalt.

- wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ten dele toe en veroordeelt de verdachte tegen kwijting aan mr. R. Besemer als gemachtigde van de benadeelde voornoemd, kantoorhoudende te Rotterdam aan de [adres], bij wijze van voorschot te betalen € 5.000,00 (zegge VIJFDUIZEND EURO);

- verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in de vordering voor het overig gevorderde en bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

- veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

- verstaat dat verdachte niet tot vergoeding van voormeld bedrag en van de kosten is gehouden voor zover het gevorderde reeds door zijn mededaders is voldaan.

- legt aan de verdachte de verplichting op aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij

[benadeelde partij 2] voornoemd te betalen € 5.000,00 (zegge VIJFDUIZEND EURO) bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door jeugddetentie voor de duur van 1 dag, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende jeugddetentie de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;

- bepaalt daarbij dat, indien en voor zover door de verdachte voormeld bedrag aan de staat ten behoeve van voormelde benadeelde partij is betaald, daarmee de verplichting van de verdachte om voormeld bedrag aan de benadeelde partij te betalen vervalt, en bepaalt tevens dat indien en voorzover door de verdachte voormeld bedrag aan de benadeelde partij is betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat vervalt.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Rutten, voorzitter, tevens kinderrechter,

en mrs. Van der Bijl-De Jong en Van Reekum, rechters,

in tegenwoordigheid van Van der Wijden, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 21 juni 2005.

De oudste rechter is wegens afwezigheid niet in staat dit vonnis mede te ondertekenen.