Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2005:AT7776

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
02-06-2005
Datum publicatie
20-06-2005
Zaaknummer
10/031363-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van poging rip-deal.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer van de berechte zaak: 10/031363-04

Datum uitspraak (bij vervroeging): 2 juni 2005

Tegenspraak

VONNIS

van de RECHTBANK ROTTERDAM, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,

wonende te [adres],

ten tijde van het onderzoek ter terechtzitting gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting “De Boschpoort” te Breda.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 24 en 31 mei 2005.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding onder bovengenoemd parketnummer, zoals deze ter terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd. Van deze dagvaarding en vordering zijn kopieën in dit vonnis gevoegd (bladzijden genummerd A1 tot en met A8).

DE EIS VAN DE OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Van der Heem heeft gerekwireerd, zakelijk weergegeven:

- de bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde;

- de veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf (5) jaren met aftrek van voorarrest.

NIET BEWEZEN

Ondanks dat de medeverdachten belastend over verdachte hebben verklaard en vast is komen te staan dat verdachte met de medeverdachten afspraken heeft gemaakt over wát te verklaren na hun aanhouding, waardoor het onderzoek in het begin is gefrustreerd, is uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting onvoldoende vast komen te staan dat verdachte wetenschap had van het plan om een rip-deal te plegen noch dat hem duidelijk was welke rol hem hierbij door de anderen was toegedacht.

Het enkele feit dat verdachte in de woning aanwezig was en daar een wapen heeft gezien is onvoldoende voor enige bewezenverklaring in strafrechtelijke zin voor het delict dat is gevolgd, mede gelet op het feit dat er nog geen sprake was van een begin van uitvoering, dan wel invulling, van de hem toegedachte rol.

Het ten laste gelegde is aldus niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

DE VORDERING BENADEELDE PARTIJ

Op de wijze voorzien in artikel 51b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting gevoegd als benadeelde partij [benadeelde partij], wonende te [adres], terzake van het ten laste gelegde. De benadeelde partij vordert vergoeding van materiële schade tot een bedrag van € 8.562,96.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en heeft voorts gevorderd aan de verdachte de maatregel van schadevergoeding op te leggen tot datzelfde bedrag, bij niet betaling te vervangen door vervangende hechtenis.

Namens de verdachte is noch de aansprakelijkheid noch de door de benadeelde partij gestelde hoogte van de schade betwist.

De benadeelde partij wordt in de vordering niet-ontvankelijk verklaard nu aan de verdachte geen straf of maatregel is opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen toepassing heeft gevonden.

Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard, wordt de benadeelde partij veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt. De kosten worden tot op heden begroot op nihil.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart niet bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

- verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering;

- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van heden en beveelt de onmiddellijke invrijheidstelling.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Rutten, voorzitter,

en mrs. Van der Ven en Van der Bijl-de Jong, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Ivankovic, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 14 juni 2005.