Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2005:AT7772

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-06-2005
Datum publicatie
20-06-2005
Zaaknummer
10/030153-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging rip-deal, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 310
Wetboek van Strafrecht 312
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer van de berechte zaak: 10/030153-04

Datum uitspraak: 14 juni 2005

Tegenspraak

VONNIS

van de RECHTBANK ROTTERDAM, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,

wonende te [adres],

ten tijde van het onderzoek ter terechtzitting gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting “De Geniepoort” te Alphen aan den Rijn.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 24 en 31 mei 2005.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding onder bovengenoemd parketnummer, zoals deze ter terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd. Van deze dagvaarding en vordering zijn kopieën in dit vonnis gevoegd (bladzijden genummerd A1 tot en met A8).

DE EIS VAN DE OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Van der Heem heeft gerekwireerd, zakelijk weergegeven:

- de bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde;

- de veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf (5) jaren met aftrek van voorarrest.

NIET BEWEZEN

Het primair ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

Voor bewezenverklaring van het medeplegen van gekwalificeerde doodslag moet kunnen worden vastgesteld dat bij de medeverdachten een gemeenschappelijk opzet op de aan het medeplegen inherente samenwerking en op de levensberoving van [slachtoffer] heeft bestaan.

Uit het verhandelde ter terechtzitting en het dossier is niet gebleken van een door verdachte tevoren met de medeverdachten beraamd plan om [slachtoffer] te doden. Het opzet was in casu “slechts” gericht op het beroven van genoemde [slachtoffer]. Voorts verdient overweging dat verdachte in de woning is gebleven en derhalve niet kon weten dat zijn medeverdachten met een doorgeladen wapen op het hoofd van het slachtoffer zouden slaan, waardoor het risico op de dood van het slachtoffer bestond. De enkele wetenschap van de aanwezigheid van een vuurwapen is hiervoor onvoldoende.

BEWEZEN

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

(Subsidiair)

hij en/of zijn medeverdachte(n) op 22 november 2004 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te nemen een hoeveelheid (van ongeveer een kilo) van een materiaal bevattende cocaïne, toebehorende aan [slachtoffer],

- naar de woning van verdachte zijn gegaan en

- vervolgens die [slachtoffer] hebben gebeld om in die woning een kilo cocaïne te komen leveren en

- vervolgens één of twee vuurwapen(s) hebben doorgeladen met munitie en

- vervolgens buiten de woning die [slachtoffer] hebben opgewacht,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

welke poging tot diefstal werd voorafgegaan van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden,

welk geweld en welke bedreiging met geweld bestonden uit het

- met één doorgeladen vuurwapen gaan staan bij die [slachtoffer] en

- het onder schot houden van die [slachtoffer] en

- het fouilleren van die [slachtoffer] en

- vervolgens met een vuurwapen slaan op het hoofd van die [slachtoffer] en

- vervolgens het afschieten van een kogel in het hoofd van die [slachtoffer], tengevolge waarvan die [slachtoffer] is komen te overlijden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezen verklaarde tenlastelegging kennelijke verschrijvingen voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Nu de opgenomen verbetering niet een voor het strafrechtelijk verwijt essentieel onderdeel betreft, omdat reeds in de tenlastelegging duidelijk staat vermeld het woord “voorafgegaan”, heeft dit geen consequenties voor de kern van het aan verdachte ten laste gelegde verwijt. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

BEWIJS

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de inhoud van wettige bewijsmiddelen. De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist, in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

TOELICHTING OP DE BEWEZENVERKLARING

Verdachte was weliswaar niet op de hoogte van het plan van medeverdachte [medeverdachte 1] om een ripdeal te plegen, maar wist wel - toen hij door genoemde [medeverdachte 1] gevraagd was naar Rotterdam te komen- dat hij geld kon verdienen, dat [medeverdachte 1] geld nodig had en deze snel geld wilde maken.

De rolverdeling voor de ripdeal was door medeverdachte [medeverdachte 1] en de andere medeverdachten reeds eerder doorgesproken, bij welke bespreking verdachte niet aanwezig was geweest.

Echter, in de keuken van de woning waar de ripdeal plaats zou vinden vertelde medeverdachte [medeverdachte 1] verdachte wat van hem verwacht werd.

Op dat moment rustte op verdachte de plicht nadere vragen te stellen, te meer daar hij in de woning bij één van de medeverdachten een vuurwapen had gezien en hij bekend was met het strafrechtelijke verleden van medeverdachte [medeverdachte 1].

Nu verdachte geen nadere vragen gesteld heeft en zich voorts, ook na het zien van het vuurwapen, niet heeft gedistantieerd kan verdachte worden aangemerkt als medepleger in de zin van artikel 312, tweede lid onder sub 2, van het Wetboek van Strafrecht.

STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Het bewezen feit levert op:

Feit subsidiair

Poging tot diefstal, voorafgegaan van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en terwijl het feit de dood ten gevolge heeft.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is strafbaar.

STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is strafbaar.

MOTIVERING VAN DE STRAF

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben samen het plan opgezet het latere slachtoffer [slachtoffer] te beroven van zijn drugs, ofwel om een zogenaamde ripdeal te plegen. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben de medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] gevraagd mee te doen. In een coffeeshop werd de rolverdeling besproken. [medeverdachte 1] zou [slachtoffer] bellen en hem naar zijn woning lokken, de medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] zouden deze [slachtoffer] gewapend in het portiek bij de woning opwachten en hem van zijn verdovende middelen beroven en [medeverdachte 2] zou in de vluchtauto op de medeverdachten wachten.

Verdachte heeft medeverdachte Rijnders gevraagd naar Rotterdam te komen en hem een verrassing in het vooruitzicht gesteld.

Op 22 november 2004 heeft [medeverdachte 1] aldus [slachtoffer] gebeld met de vraag of hij één (1) kilo cocaïne kon leveren. Op dat moment waren alle verdachten in de woning aanwezig. Verdachte werd aldaar door verdachte geïnformeerd; hij moest zich voordoen als koper. De rolverdeling werd in de woning nogmaals doorgesproken.

Op het moment dat [slachtoffer] bij de woning aankwam, werd hij belaagd door [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3], die hem, onder bedreiging van een doorgeladen vuurwapen, van zijn verdovende middelen probeerden te beroven. [slachtoffer] werd vervolgens door [medeverdachte 3] met het vuurwapen op het hoofd geslagen, waardoor het vuurwapen is afgegaan en een kogel in het hoofd van het slachtoffer terecht is gekomen.

Nadat het schot was gelost zijn alle verdachten de woning en het portiek uitgerend.

Het slachtoffer werd in hulpeloze toestand en zwaar gewond achtergelaten. Na twee weken in coma te hebben gelegen, is het slachtoffer in het ziekenhuis overleden.

Dat dit een zeer ernstig feit is behoeft geen betoog.

De dood van het slachtoffer laat diepe sporen na in het leven van de nabestaanden en de andere mensen in de nabijheid van het slachtoffer.

Door het handelen van verdachte is de samenleving ernstig geschokt. Bovendien versterkt een dergelijk geweldsmisdrijf de gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij.

Op een dergelijk ernstig feit kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een vrijheidsbenemende straf van geruime duur.

Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank meegewogen dat verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 9 december 2004, reeds eerder voor vermogensdelicten tot vrijheidsstraffen is veroordeeld. In het voordeel van verdachte weegt mee dat hij bij het te plegen delict een ondergeschikte rol zou spelen. Op grond van het voorgaande zal de rechtbank een beduidend lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is geëist.

Teneinde verdachte te stimuleren zich in de toekomst van het plegen van strafbare feiten te onthouden zal de rechtbank een gedeelte van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen.

Alles afwegend komt de rechtbank tot de conclusie dat na te noemen straf passend en geboden is.

DE VORDERING BENADEELDE PARTIJ

Op de wijze voorzien in artikel 51b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting gevoegd als benadeelde partij [benadeelde partij], wonende te [adres], terzake van het ten laste gelegde. De benadeelde partij vordert vergoeding van materiële schade tot een bedrag van € 8.562,96.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en heeft voorts gevorderd aan de verdachte de maatregel van schadevergoeding op te leggen tot datzelfde bedrag, bij niet betaling te vervangen door vervangende hechtenis.

Namens de verdachte is noch de aansprakelijkheid noch de door de benadeelde partij gestelde hoogte van de schade betwist.

Nu is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks schade heeft geleden en de verdachte de omvang van de gevorderde schade niet heeft betwist en deze niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, zal het gevorderde bedrag worden toegewezen.

Nu de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen, wordt de verdachte veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

De rechtbank acht tevens oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart niet bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

- verklaart bewezen, dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

- stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

- verklaart de verdachte terzake van dat feit strafbaar;

- veroordeelt de verdachte terzake van het bewezen verklaarde feit tot een gevangenisstraf voor de tijd van twaalf (12) maanden;

- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot vijf (5) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten;

- stelt daarbij een proeftijd vast en bepaalt dat deze twee (2) jaren bedraagt;

- de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van de dag waarop de totale duur van de tot dan toe ondergane verzekering en voorlopige hechtenis gelijk zal zijn aan die van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf;

- wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tegen kwijting aan [benadeelde partij], wonende te [adres] te betalen € 8.562,96 (zegge achtduizend vijfhonderdtweeenzestig euro en zesennegentig eurocent);

- veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt aan de verdachte de verplichting op aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen € 8.562,96 (zegge achtduizend vijfhonderdtweeenzestig euro en zesennegentig eurocent) bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van vijfentachtig (85) dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;

- bepaalt daarbij dat, indien en voor zover door de verdachte voormeld bedrag aan de staat ten behoeve van voormelde benadeelde partij is betaald, daarmee de verplichting van de verdachte om voormeld bedrag aan de benadeelde partij te betalen vervalt, en bepaalt tevens dat indien en voor zover door de verdachte voormeld bedrag aan de benadeelde partij is betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat vervalt.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Rutten, voorzitter,

en mrs. Van der Ven en Van der Bijl-de Jong, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Ivankovic, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 14 juni 2005.