Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2005:AT7616

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15-06-2005
Datum publicatie
16-06-2005
Zaaknummer
10/610006-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Is een chassisnummer een geschrift als bedoeld in artikel 225 Wetboek van Strafrecht?

Nee, de rechtbank is van oordeel dat bij het aanmerken als geschrift van de combinatie van chassisnummers op een onderstel van een auto of op die auto zelf, mede gelet op de functie die normaliter aan een dergelijk onderstel c.q. de auto wordt toegekend, de betekenis van “geschrift” te ver wordt opgerekt. Een chassisnummer is wel aan te merken als een "merk" in de zin van art. 219 Wetboek van strafrecht.

Gebruik fotoset bij foslo?

Uit de kopie van de bij de foslo gebruikte fotoset blijkt de foto van verdachte in zijn geheel wat donkerder over te komen dan de overige foto’s in die set. Toch heeft foslo waarde. Geen van de aangewezen testpersonen heeft hierover enige opmerking gemaakt, terwijl het enkele feit dat de totale kleurstelling van een foto wat donkerder is dan andere foto’s evenmin zonder meer meebrengt dat daarmee de op die foto afgebeelde persoon eerder als “dader” aangewezen zal worden.

Bij vrijspraak van één van de onder primair cumulatief tenlastegelegde feiten (9 verduisteringen) niet doorpakken naar het subsidiair tenlastegelegde.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 47
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 219
Wetboek van Strafrecht 225
Wetboek van Strafrecht 321
Wetboek van Strafrecht 326
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2005, 342
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer van de berechte zaak: 10/ 610006-05

Datum uitspraak: 15 juni 2005

Tegenspraak

VONNIS

van de RECHTBANK ROTTERDAM, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte ]

[geboortedatum] 1968,

[adres]

ten tijde van het onderzoek ter terechtzitting gedetineerd in de

P.I. Haaglanden/JHvB "De Sprang" te 's-Gravenhage.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

01 juni 2005.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding onder bovenvermeld parketnummer, zoals deze ter terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.

Van deze dagvaarding en vordering zijn kopieën bij dit vonnis gevoegd

(bladzijden aangeduid A, B, C, D, E, F, G, H, I en J).

DE EIS VAN DE OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. De Meijer heeft gerekwireerd -zakelijk weergegeven- de bewezenverklaring van het onder:

- 1 primair tenlastegelegde, behoudens ten aanzien van het aldaar als zaak 1 (de VW Polo) tenlastegelegde feit bewezenverklaring van de onder 1 de subsidiair tenlastegelegde diefstal;

- 2 tenlastegelegde;

- 3 primair tenlastegelegde,

- 4 tenlastegelegde als bedoeld in artikel 225, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht en voor zover de valsheid ten aanzien van de chassisnummer niet reeds hiervoor bewezenverklaard kan worden onder artikel 225 Sr ten aanzien van deze de chassisnummers het cumulatief tenlastegelegde als bedoeld in artikel 219 van het Wetboek van Strafrecht en

- 5 primair tenlastegelegde

en de veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren,

met aftrek van voorarrest.

BEWEZEN

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder

1 primair, 2, 3 primair, 4 en 5 primair tenlastegelegde heeft begaan op de wijze als hieronder is vermeld, te weten dat:

1.

hij op tijdstippen in de periode van 1 mei 2004 tot en met 18 februari 2005

te Rotterdam en Vlaardingen en Hoofddorp en Schiedam en Berkel en Rodenrijs en Amstelveen en Breda en Alblasserdam,

tezamen en in vereniging, althans alleen,

opzettelijk autos te weten:

[…]

[auto’s weergegeven in de zaken 1, 2, 3, 4, 6, 7, 13, 16 en 17]

[…]

welke autos verdachte en/of diens mededader anders dan

door misdrijf onder zich had(den), wederrechtelijk zich heeft/hebben toegeëigend,

immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of diens mededader

- zich ten overstaan van voornoemde eigena(a)r(en) en/of medewerkers van

auto-/garagebedrijven met een op zijn, verdachtes, naam gesteld rijbewijs gelegitimeerd en/of

- vervolgens voornoemde autos (voor een bepaalde tijd) meege-/verkregen,

teneinde een zogenaamde proefrit met die autos te maken

enaldus die autos (gedurende enige tijd) onder zich gehouden/gehad en

- voornoemde autos niet (binnen die bepaalde tijd) heeft teruggegeven/-bezorgd aan voornoemde eigena(a)r(en) en/of medewerker(s) van auto-/garagebedrij(f)ven;

2.

hij op tijdstip(pen) in de periode van

01 oktober 2004 tot en met 18 februari 2005

te Huizen en Oud-Beijerland en Nijkerk en Weesp en Hilversum en

Ridderkerk en Eindhoven en/of Zoetermeer,

meermalen,

(telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals rijbewijs

(voorzien van rijbewijsnummer [nummer] en ten name gesteld van

“Marcel de Bruin, geboren te Utrecht”),

- zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen -

als ware dat geschrift (telkens) echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij,

verdachte, telkens

voornoemd rijbewijs ter identificatie en/of legitimatie heeft overlegd en/of

getoond (aan (een) medewerker(s) van één of meer autobedrij(f)ven en/of

teneinde (telkens) een proefrit met een auto te maken en/of een auto te verkrijgen)

en bestaande die valsheid hierin dat voornoemd rijbewijs was

voorzien van (onder andere)

- een niet bestaand en bij de Rijksdienst voor Wegverkeer niet

geregistreerd rijbewijsnummer ([nummer]) en

- (persoons)gegevens van een persoon genaamd “Marcel de Bruin”,

zijnde niet voorkomende gegevens in het landelijk systeem van de

Gemeentelijke Basis Administratie;

3.

hij op tijdstippen in de periode van 1 oktober 2004 tot en met 18 februari 2005

te Nijkerk en Oud Beijerland en Weesp en Huizen en Hilversum en

Ridderkerk en Eindhoven en Zoetermeer,

met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen

door het aannemen van een valse naam (te weten: M. de Bruin) en/of

van een valse hoedanigheid en/of

door een samenweefsel van verdichtsels

medewerkers van autobedrijven

heeft bewogen tot de afgifte van een auto,

te weten:

[auto’s weergegeven in de zaken 5, 8, 9,10,11,12,14 en 15]

hebbende hij, verdachte, met vorenomschreven oogmerk

-zakelijk weergegeven- opzettelijk valselijk en/of

bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

- zich ten overstaan van voornoemde medewerkers en/of bedrijven,

ter verkrijging van die betreffende auto

(teneinde een proefrit te maken), voorgedaan/gelegitimeerd als een persoon,

genaamd "M. de Bruin", en (daarbij) een rijbewijs heeft overgelegd op naam

van M. de Bruin,

waardoor die medewerkers en/of bedrijfven,

werden bewogen tot bovenomschreven afgifte;

4.

A.

hij op tijdstippen in de periode van 1 september 2004 tot en met

18 februari 2005

te Rotterdam en/of Beesd en/of Ridderkerk en/of Vlaardingen en/of Hoofddorp en/of

Oud-Beijerland en/of Weesp en/of Huizen en/of Hilversum en/of elders in Nederland

tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen,

opzettelijk gebruik heeft gemaakt van (een) valskenteken

en kentekenbewijs

- elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen -

als ware dat geschrift echt en onvervalst,

bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte, en/of diens mededader

[auto’s weergegeven in de zaken 3, 4, 8, 9, 10 en 11]

heeft (doen) voorzien van het kenteken [kentekennummer] met bijbehorend kentekenbewijs

en bestaande die valsheid hierin dat hij en/of zijn mededader

- op de auto(s) andere dan de juiste/oorspronkelijke kentekenplaten heeft bevestigd en/of

doen bevestigen

en/

B.

hij op tijdstippen in de periode van 1 september 2004 tot en met

18 februari 2005

te Rotterdam en/of Vlaardingen en/of Hoofddorp en/of

Oud-Beijerland en/of Huizen en/of Hilversum en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen,

identificatienummers/chassisnummers,

(zijnde - telkens - een ander merk dan de in artikel 217 en 218 van het Wetboek van Strafrecht bedoelde merken) dat/die krachtens artikel 3 van het Voertuigreglement,

althans krachtens wettelijk voorschrift, op een motorvoertuig moet(en) worden aangebracht, (telkens) valselijk heeft geplaatst, immers heeft verdachte (telkens) opzettelijk valselijk het/de

identificatienummers/chassisnummers van een/de motorvoertuig(en) (doen)

vervangen door andere identificatienummer(s)/chassisnummer(s), te weten:

- (zaak 3) het identificatienummer/chassisnummer [nummer] van een

auto, merk Daewoo, type Kalos, (oorspronkelijk) gekentekend [nummer],

vervangen door het identificatienummer/chassisnummer [nummer], en

- (zaak 4) het identificatienummer/chassisnummer [nummer] van een

auto, merk Renault, type Twingo, (oorspronkelijk) gekentekend [nummer],

vervangen door het identificatienummer/chassisnummer [nummer], en

- (zaak 8) het identificatienummer/chassisnummer [nummer] van een

auto, merk Citroën, type Berlingo, (oorspronkelijk) gekentekend [nummer],

vervangen door het identificatienummer/chassisnummer [nummer], en

- (zaak 10) het identificatienummer/chassisnummer [nummer] van een

auto, merk Peugeot, type 206, (oorspronkelijk) gekentekend [nummer], vervangen

door het identificatienummer/chassisnummer [nummer], en

- (zaak 11) het identificatienummer/chassisnummer [nummer] van een

auto, merk Citroën, type C5, (oorspronkelijk) gekentekend [nummer], vervangen

door een ander (vals) (vooralsnog onbekend) identificatienummer/chassisnummer;

(telkens) met het oogmerk om dat/die motorvoertuig(en) te gebruiken of

door anderen te doen gebruiken alsof laatstbedoeld(e)

identificatienummer(s)/chassisnummer(s) krachtens genoemd artikel,

althans krachtens genoemd wettelijk voorschrift, echt en onvervalst was/waren;

5.

hij in de periode van 1 september 2004 tot en met 18 februari 2005

te Sliedrecht,

met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen

door het aannemen van een valse naam (te weten: Max Kruis) en

door een samenweefsel van verdichtsels, [[slachtoffer 4],

heeft bewogen tot

de afgifte van één geldbedrag

hebbende hij, verdachte, met vorenomschreven oogmerk

- zakelijk weergegeven - valselijk en in

strijd met de waarheid

- (zaak 4) een auto, merk Renault, type Twingo, gekentekend [nummer],

toebehorende aan [slachtoffer 7]

(valselijk) (doen) voorzien van het kenteken [nummer] en een bijbehorend

kentekenbewijs en een (valselijk) gewijzigd Voertuig Identificatie nummer,

te koop aangeboden en verkocht

en overgedragen en

afgelever(d), en

- (zaak 10) een auto, merk Peugeot, type 206, gekentekend [nummer], toebehorende aan (doen) voorzien van het kenteken […] en een bijbehorend kentekenbewijs

en of een (valselijk) ander/gewijzigd Voertuig Identificatie nummer, te koop

aangeboden en verkocht en

over(ge)dragen en afgelever(d),

waardoor

[slachtoffer 4]

werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen.

De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging kennelijke verschrijvingen voorkomen,

zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd.

Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

BEWIJS

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de inhoud van wettige bewijsmiddelen.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist,

in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

TOELICHTING OP DE BEWEZENVERKLARING IN ZIJN GEHEEL:

Uit de gedingstukken alsmede het verhandelde ter zitting is de rechtbank gebleken dat sprake is van éénzelfde persoon die met gebruikmaking van een zelfde modus operandi en onder verschillende namen de tenlastegelegde feiten heeft gepleegd.

Immers, in (bijna) alle gevallen is een rijbewijs op naam van [naam verdachte] of “Marcel de Bruin” overgelegd, op welke documenten steeds een foto van één en dezelfde persoon was geplaatst. Door aangevers is voorts geconstateerd dat de persoon die van het rijbewijs gebruik maakte overeen kwam met de foto die zich op dat rijbewijs bevond.

Door de dader is verder bij verschillende feiten meerdere keren hetzelfde (mobiele) telefoonnummer achtergelaten.

Ook bij het verdere verhandelen van de verduisterde auto’s is een vergelijkbare methode gehanteerd. In die gevallen is een valse naam, te weten “Max Kruis” gebruikt.

Nu de slachtoffers (behoudens één) bij gelegenheid van een fotoconfrontatie steeds verdachte hebben herkend als de dader en het betreffende gsm-nummer ook aan verdachte heeft toebehoord, concludeert de rechtbank dat verdachte als de dader dient te worden aangemerkt.

Verdachte’s verweer dat sprake kan zijn geweest van een persoonsverwisseling, nu hij zijn rijbewijs in 2001 zegt kwijtgeraakt te zijn, volgt de rechtbank niet.

Immers, nog daargelaten verdachte anders dan voorheen sinds 2001 geen melding heeft gemaakt van de vermissing van zijn rijbewijs en het feit dat verdachte bij herhaling als de dader is herkend, blijkt uit de bevindingen van een observatieteam van de politie dat verdachte op 18 februari 2005 ook in persoon tijdens de observatie is gesignaleerd als bestuurder van een Toyota Landcruiser, terwijl deze auto die dag met gebruikmaking van een zelfde modus operandi was verduisterd en de medeverdachte van deze verduistering de betrokkenheid van verdachte daarbij heeft toegegeven.

Het bovenstaande impliceert dat de rechtbank gebruik maakt van de resultaten voortkomende uit een aantal plaatsgevonden fotoconfrontaties. Het verweer van de raadsman van verdachte dat die fotoherkenningen van zijn cliënt twijfelachtig genoemd moeten worden nu de gehanteerde foto van verdachte in zijn totaliteit beduidend donkerder van kleur is geweest dan de overige foto's die bij de fotoconfrontatie gebruikt zijn, volgt de rechtbank niet.

De rechtbank overweegt met betrekking hiertoe het navolgende.

Allereerst merkt de rechtbank op niet de beschikking te hebben over de originele fotoset, die gebruikt is bij fotoconfrontatie, zodat thans niet is vast te stellen of de foto van verdachte inderdaad donkerder van kleur was of dat dit slechts het gevolg is geweest van het kopiëren naar zwart-wit. Ook wanneer echter van de juistheid van de stelling van de raadsman zou moeten worden uitgegaan brengt deze enkele omstandigheid nog niet mee, dat de fotoherkenningen van verdachte door de verschillende getuigen niet mede voor het bewijs van waarde zouden kunnen zijn. Geen van de aangewezen testpersonen heeft bij de beoordeling van de samenstelling van de fotoset hieromtrent enige opmerking gemaakt, terwijl het enkele feit dat de totale kleurstelling van een foto wat donkerder is dan andere foto’s evenmin zonder meer meebrengt dat daarmee de op die foto afgebeelde persoon eerder als “dader” aangewezen zal worden.

Dit alles, in onderling verband en samenhang bezien, brengt de rechtbank tot de conclusie, dat de persoon die de onderhavige bewezenverklaarde feiten heeft gepleegd verdachte is geweest.

TOELICHTING VOORTS OP DE BEWEZENVERKLARING

MET BETREKKING TOT FEIT 1 PRIMAIR:

Door de officier van justitie is gevorderd dat bij vrijspraak van hetgeen onder 1 primair als zaak 1 is tenlastegelegd, overgegaan dient te worden tot het beoordelen van hetgeen ten aanzien van dat gedeelte subsidiair is tenlastegelegd.

De rechtbank volgt, gelet op de wijze waarop de tenlastelegging is ingericht, deze redenering van de officier van justitie niet.

Het staat de officier van justitie vrij om de tenlastelegging zodanig in te richten als haar goeddunkt. Daarbij kan zij ervoor kiezen delicten afzonderlijk dan wel cumulatief ten laste te leggen. In casu heeft de officier van justitie er voor gekozen een negental delicten cumulatief onder feit 1 primair ten laste te leggen.

Voorts heeft de officier van justitie er voor gekozen om onder dit cumulatief geredigeerde primair tenlastegelegde een subsidiaire tenlastelegging te plaatsen met de aanduiding “Subsidiair, voor zover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:”. Naar het oordeel van de rechtbank brengt zulks evenwel mee dat het woord “vorenstaande” aldus moet worden uitgelegd dat dit betrekking heeft op het geheel dat omvat wordt in het primair tenlastegelegde. Dit brengt mee dat bij veroordeling ten aanzien van een gedeelte van het primair tenlastegelegde aan het subsidiair tenlastegelegde niet meer wordt toegekomen.

Daaraan doet niet af dat het delict, waarvan primair is vrijgesproken, ook als afzonderlijk delict aangemerkt kan worden. In dat geval had de officier van justitie kunnen kiezen voor het afzonderlijk tenlasteleggen van dit feit.

TOELICHTING OP DE VRIJSPRAAK OP ONDERDELEN MET BETREKKING TOT FEIT 4A:

Door de officier van justitie is betoogd dat een Voertuig Identificatie Nummer (hierna verder chassisnummer) aangemerkt dient te worden als een geschrift als bedoeld in artikel 225 Sr.

De rechtbank volgt dit standpunt niet.

Aan de term “geschrift” weergegeven in artikel 225 Sr. dient op zich een ruimere uitleg gegeven te worden dan die in het spraakgebruik gehanteerd wordt. De vorm of de wijze waarop de tekens zijn vastgelegd zijn daarbij minder van belang geworden. Desalniettemin is de rechtbank van oordeel dat bij het aanmerken van de combinatie van chassisnummers op een onderstel van een auto of op die auto zelf, mede gelet op de functie die normaliter aan een dergelijk onderstel c.q. de auto wordt toegekend, de betekenis van "geschrift" te ver wordt opgerekt.

Nu een chassisnummer verder wel is aan te merken als een "merk" in de zin van art. 219 Sr. bestaat er naar het oordeel van de rechtbank evenmin een bijzondere noodzaak op grond waarvan aangenomen dient te worden dat dit oprekken gerechtvaardigd zou kunnen zijn omdat de wetgever in deze leemte niet heeft kunnen voorzien.

TOELICHTING OP DE GEDEELTELIJKE VRIJSPRAAK MET BETREKKING TOT FEIT 5 PRIMAIR:

Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de gedingstukken en het verhandelde ter terechtzitting niet volgen dat verdachte betrokken is geweest bij de verkoop van auto’s aan [slachtoffer 1],

[slachtoffer 2] en [slachtoffer 3].

Voorts kan de oplichting van [slachtoffer 5] niet worden bewezenverklaard nu [slachtoffer 5] blijkens zijn verklaring wist dat hij een gestolen auto kocht.

STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

De bewezen feiten leveren op:

T.a.v. feit 1 primair:

(Medeplegen van) verduistering, meermalen gepleegd;

T.a.v. feit 2:

Opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid,

van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd;

T.a.v. feit 3 primair:

Oplichting, meermalen gepleegd;

T.a.v. feit 4:

A. (Medeplegen van) opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd

en

B. (Medeplegen van) andere dan de in de artikelen 217 en 218 van het Wetboek van Strafrecht bedoelde merken, die krachtens wettelijk voorschrift op goederen moeten worden geplaatst, daarop valselijk plaatsen, met het oogmerk om die goederen te gebruiken of door anderen te doen gebruiken alsof de daarop geplaatste merken echt en onvervalst waren,

meermalen gepleegd;

T.a.v. feit 5 primair:

Oplichting, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken, die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn strafbaar.

STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is strafbaar.

MOTIVERING VAN DE STRAF

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten,

de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft de rechtbank in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich gedurende een periode van enkele maanden op verschillende plaatsen in Nederland op sluwe en stelselmatige wijze schuldig gemaakt aan het verduisteren van auto's, door zich bij meerdere auto/garagebedrijven over meerdere dagen voor te doen als een geïnteresseerde koper, die graag een proefritje met een auto wilde maken. Na het vertrouwen van de verkoper gewonnen te hebben en de auto meegekregen te hebben, werd deze echter nooit meer bij het desbetreffende auto/garagebedrijf teruggebracht.

In één geval (zaak 17) heeft verdachte een auto verduisterd samen met een vriend.

In een aantal gevallen heeft verdachte zich bij auto/garagebedrijven geïdentificeerd/gelegitimeerd met een vals rijbewijs, ten name van "Marcel de Bruin".

Voorts heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het zogenaamde "omkatten" van auto's, door de door hem verduisterde auto's van valse -namelijk van schade-auto's afkomstige- kentekens en de bijbehorende kentekenbewijzen te (laten) voorzien en de identificatienummers/ chassisnummers van de door verduisterde auto's te (laten) vervangen door andere identificatienummers/chassisnummers.

Ook bij het "omkatten" van de auto's heeft verdachte in één geval (zaak 8) samengewerkt met een vriend.

Tenslotte heeft verdachte een autobedrijf opgelicht, door onder de naam Max Kruis twee "omgekatte" auto's aan dat bedrijf te verkopen.

De rechtbank acht de bewezenverklaarde feiten ernstig.

Door te handelen als voormeld heeft verdachte de desbetreffende auto/garagebedrijven een enorme financiële schade toegebracht en heeft hij het vertrouwen, dat deze bedrijven in potentiële klanten moeten kunnen stellen, op ernstige wijze beschaamd.

Het zich ïdentificeren/legitimeren met een vals rijbewijs is ernstig, gelet op het maatschappelijk vertrouwen, dat in een dergelijk identificatiemiddel gesteld moet kunnen worden.

De verdachte heeft zich slechts laten leiden door zijn eigen geldelijke gewin, zonder zich te bekommeren om de gevolgen voor de benadeelden.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten, daarop niet anders gereageerd kan worden dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke

vrijheidsstraf van geruime duur.

Bij het bepalen van de hoogte van de vrijheidsstraf heeft de rechtbank in het nadeel van verdachte rekening gehouden met de omstandigheid dat uit het ten name van verdachte staande Uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister blijkt, dat hij reeds meermalen ook ter zake van soortgelijke feiten is veroordeeld, en dat deze veroordelingen verdachte er niet van hebben weerhouden, zich wederom aan strafbare feiten schuldig te maken.

Hoewel de rechtbank minder bewezenverklaart dan de officier van justitie zal zij aan de verdachte geen lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd, aangezien zij van oordeel is dat -gelet op het bovenstaande- niet met een lagere straf kan worden volstaan. In die zin is de door de rechtbank op te leggen straf hoger dan door de officier van justitie is gevorderd.

Alles afwegend komt de rechtbank tot de conclusie, dat de na te noemen straf passend en geboden is.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 47, 57, 219 sub 1, 225 lid 2, 321 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

DE VORDERINGEN VAN DE BENADEELDE PARTIJEN

Op de wijze voorzien in artikel 51b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering,

hebben zich voor de aanvang van de terechtzitting gevoegd als benadeelde partij:

a. [benadeelde partij a]

De benadeelde partij vordert vergoeding van materiële schade tot een bedrag van

€ 2.230,00.

b. [benadeelde partij b]gemachtigde [naam gemachtigde 1].

De benadeelde partij vordert vergoeding van materiële schade tot een bedrag van

€ 1.150,00.

c. [benadeelde partij c]

De benadeelde partij vordert vergoeding van materiële schade tot een bedrag van

€ 3.081,06.

d. [benadeelde partij d], gemachtigde [naam gemachtigde 2].

De benadeelde partij vordert vergoeding van materiële schade tot een bedrag van

€ 1.000,00.

e. [benadeelde partij e]gemachtigde [naam gemachtigde 3].

De benadeelde partij vordert vergoeding van materiële schade tot een bedrag van

€ 340,00.

f. [benadeelde partij f]

De benadeelde partij vordert vergoeding van materiële schade tot een bedrag van

€ 12.831,48.

g. [benadeelde partij g]

De benadeelde partij vordert vergoeding van materiële schade tot een bedrag van

€ 5.161,28.

h. [benadeelde partij h]

De benadeelde partij vordert vergoeding van materiële schade tot een bedrag van

€ 1.134,00.

i. [benadeelde partij i] gemachtigde [naam gemachtigde 4].

De benadeelde partij vordert vergoeding van materiële schade tot een bedrag van

€ 14.600,00.

j. [benadeelde partij j] gemachtigde [naam gemachtigde 5].

De benadeelde partij vordert vergoeding van materiële schade tot een bedrag van

€ 16.738,42.

k. [benadeelde partij k] gemachtigde [naam gemachtigde 6].

De benadeelde partij vordert vergoeding van materiële schade tot een bedrag van

€ 7.350,00.

Deze benadeelde partij heeft in het voegingsformulier aangegeven, dat een bedrag van

€ 7.350,00 door de verzekering reeds is vergoed.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen van voornoemde benadeelde partijen tot de bedragen zoals deze in de vorderingen zijn vermeld, behalve de vordering van de benadeelde partij Versluis, nu dit de facto een nul-vordering betreft en zij heeft voorts gevorderd, dat aan de verdachte telkens de maatregel van schadevergoeding zal worden opgelegd.

Door of namens de verdachte is de aansprakelijkheid betwist.

De raadsman van verdachte heeft met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij (k) opgemerkt, dat de door deze benadeelde partij gevorderde schade reeds volledig is vergoed, zodat geen vordering resteert.

Met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen (b), (d) en (e) heeft de raadsman de hoogte van het gevorderde schadebedrag niet betwist.

Met betrekking tot de vorderingen onder (a), (c), (f), (g), (h), en (i) heeft de raadsman betwist dat na te noemen schadeposten voldoende door bewijsstukken zijn onderbouwd:

(a) kosten en misgelopen winst; (c) gederfde inkomsten, (f) de gehele vordering, (g) de gehele vordering met uitzondering van de transportkosten; (h) de gehele vordering en (i) de gehele vordering.

Ten aanzien van de vordering onder (j) heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij (k) verder geen bespreking meer behoeft, nu deze benadeelde partij in het voegingsformulier heeft aangegeven dat het volledige schadebedrag ad € 7.350,00 door de verzekering is vergoed en derhalve geen verdere vergoeding van schade wordt gevorderd.

De rechtbank zal de benadeelde partij (a) in zijn vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht, nu aan de verdachte met betrekking tot het deze vordering betreffende feit (zaak 1, VW Polo) geen straf of maatregel wordt opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen toepassing vindt.

Met betrekking tot de benadeelde partijen onder (b), (d), (e), (h) en (j) is komen vast te staan dat zij als gevolg van de ten aanzien van verdachte bewezen verklaarde feiten rechtstreeks schade hebben geleden, verdachte de omvang van de schade niet of onvoldoende gemotiveerd heeft betwist en deze schade de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt. De gevorderde bedragen zullen derhalve zal worden toegewezen.

Geen van de benadeelde partijen het door hen gevorderde tarief dat door hen in rekening wordt gebracht voor de als gevolg van het bewezenverklaarde strafbare feit verloren tijd c.q. de gestelde inkomstenderving voldoende onderbouwd, zodat de vorderingen ter zake van deze kosten niet ontvankelijk zullen worden verklaard. Dit brengt mee dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter zal kunnen worden aangebracht.

Ten aanzien van de benadeelde partij (g) geldt zulks mutatis mutandis ten aanzien van de kosten van het schadeherstel c.q. waardeverlies van de auto en de gevorderde expertise- en recherchekosten.

Voor het overige is met betrekking tot de benadeelde partijen onder (c), (f), (g), en (i) komen vast te staan dat zij als gevolg van de ten aanzien van verdachte bewezen verklaarde feiten rechtstreeks schade hebben geleden, verdachte de omvang van deze schade niet of onvoldoende gemotiveerd heeft betwist en deze de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt. Na te noemen bedragen zullen derhalve zal worden toegewezen:

(c) een bedrag ad € 2.441,06;

(f) een bedrag ad € 11.760,00;

(g) een bedrag ad € 1.001,28;

(i) een bedrag ad € 9.000,00.

Voor het meer of anders gevorderde wordt bepaald dat deze benadeelde partijen daarin niet ontvangen kunnen worden en wordt bepaald dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Nu de benadeelde partij (a) niet-ontvankelijk wordt verklaard, wordt deze benadeelde partij veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt en begroot deze kosten tot op heden op nihil.

Nu de vorderingen van de benadeelde partijen (b) tot en met (j) geheel dan wel in overwegende mate worden toegewezen, moet de verdachte de kosten van deze benadeelde partijen betalen, tot op heden begroot op nihil.

De rechtbank acht tevens met betrekking tot deze benadeelde partijen, oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden.

BESLISSING

De rechtbank:

- VERKLAART bewezen, dat de verdachte het onder 1 primair, 2, 3 primair, 4 en 5 primair tenlastegelegde, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

- VERKLAART niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

- STELT VAST dat het bewezenverklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

- VERKLAART de verdachte ter zake van deze feiten strafbaar;

- VEROORDEELT de verdachte ter zake van de bewezenverklaarde feiten tot een gevangenisstraf voor de tijd van DRIE (3) JAREN;

- BEVEELT dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

- VERKLAART de benadeelde partij (a) niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt, dat deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- VEROORDEELT de benadeelde partij (a) in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt en begroot deze kosten tot op heden op nihil;

- ten aanzien van na te noemen benadeelde partijen wijst de vorderingen tot na te noemen bedragen toe en veroordeelt verdachte na te noemen bedragen tegen kwijting aan hen te betalen:

(benadeelde partij b) een bedrag van € 1.150,00 (zegge: duizend en honderd en vijftig euro);

(benadeelde partij c) een bedrag van € 2.441,06 (zegge: tweeduizend en vierhonderd en één en veertig euro en zes eurocent);

(benadeelde partij d) € 1.000,00 (zegge: duizend euro);

(benadeelde partij e) een bedrag van € 340,00 (zegge: driehonderd en veertig euro);

(benadeelde partij f) een bedrag van €11.760,00 (zegge: elfduizend en zevenhonderd en zestig euro);

(benadeelde partij g) een bedrag van € 1.001,28 (zegge: duizend en één euro en acht en twintig eurocent);

(benadeelde partij h) een bedrag van € 1.134,00 (zegge: duizend en honderd vier en dertig euro);

(benadeelde partij i) een bedrag van € 9.000,00 (zegge: negenduizend euro);

((benadeelde partij j) een bedrag van € 16.738,42 (zegge: zestienduizend zevenhonderd acht en dertig euro en twee en veertig eurocent);

- bepaalt, dat voor zover de vordering niet integraal is toegewezen de vordering voor het overige niet ontvankelijk wordt verklaard en bepaalt dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partijen (b) tot en met (j) gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partijen voornoemd, te betalen na te noemen bedragen, bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van na te noemen hoeveelheid dagen, met dien verstande, dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft, te weten:

(b) € 1.150,00 te vervangen door 23 dagen;

(c) € 2.441,06 te vervangen door 48 dagen;

(d) € 1.000,00 te vervangen door 20 dagen;

(e) € 340,00 te vervangen door 6 dagen;

(f) € 11.760,00 te vervangen door 135 dagen;

(g) € 1.001,28 te vervangen door 20 dagen;

(h) € 1.134,00 te vervangen door 22 dagen;

(i) € 9.000,00 te vervangen door 90 dagen;

(j) € 16.738,42 te vervangen door 164 dagen;

- bepaalt daarbij dat, indien en voor zover door de verdachte voormeld bedrag aan de Staat is betaald ten behoeve van voornoemde benadeelde partijen, daarmee de verplichting van de verdachte om aan voornoemde benadeelde partijen voormeld bedragen te betalen komt te vervallen en bepaalt tevens, dat indien en voor zover door de verdachte aan voornoemde benadeelde partijen voormeld bedragen zijn betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat van voormeld bedragen ten behoeve van voornoemde benadeelde partijen komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Van de Grampel, voorzitter en

mrs. De Haan-Boerdijk en Wijnker, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Hartgers, griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 15 juni 2005.

De oudste en de jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.