Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2005:AT7228

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-05-2005
Datum publicatie
10-06-2005
Zaaknummer
237675 KG ZA 05-326
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

ontruiming ambtswoning (pastorie), geen huurovereenkomst

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

R E C H T B A N K R O T T E R D A M

sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 237675/KG ZA 05-326

Uitspraak: 24 mei 2005

VONNIS in het kort geding in de zaak van:

[Eiseres],

gevestigd te [woonplaats],

eiseres,

procureur mr. J.G.A. van Zuuren,

advocaat mr. A.S. Hartman en

mr. G.C.W. van der Feltz,

- tegen -

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

verschenen in persoon.

Partijen worden hierna aangeduid als “de Hervormde Gemeente” respectie-velijk als “[gedaagde]”.

1. Het verloop van het geding

De voorzieningenrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:

- dagvaarding;

- pleitnotities en producties van mr. Hartman;

- pleitnotities en producties van [gedaagde].

Partijen hebben hun standpunt toegelicht ter zitting van 9 mei 2005.

2. Het geschil

2.1

[Gedaagde] is vanaf 21 augustus 1983 tot 1 mei 2004 als predikant verbonden geweest aan de Nederlandse Hervormde Kerk, laatstelijk, sedert 22 september 1996, in de gemeente van eiseres, de Hervormde Gemeente (te [woonplaats]). Als predikant is aan [gedaagde] een ambtswoning ter beschikking gesteld, de woning (de pastorie) aan [adres] te [woonplaats].

2.2

De pastorie is de inzet van dit kort geding. De Hervormde Gemeente vordert dat [gedaagde] de pastorie binnen vijf dagen na betekening van een daartoe strekkend vonnis ontruimt en verlaat en weer aan eiseres ter beschikking stelt. Aan deze vordering legt eiseres in essentie, en voorzover in dit kort ge-ding van belang, ten grondslag de volgende stellingen.

2.2.1

Op 1 mei 2004 zijn de Nederlands Hervormde Kerk (NHK), de Gereformeer-de Kerken in Nederland en de Evangelisch-Lutherse Kerk in Nederland vere-nigd in de Protestantse Kerk in Nederland (PKN). [Gedaagde] heeft er geen geheim van gemaakt dat hij zich in deze vereniging niet kan vinden. Zijn optreden heeft ertoe geleid dat hij (hoewel hij al geacht werd het ambt van predikant in de NHK te hebben neergelegd) door de Generale Synode van de PKN per 1 mei 2004 uit zijn ambt is ontheven en derhalve met ingang van die datum niet meer met de Hervormde Gemeente te [gemeente] is verbonden.

2.2.2

Aan [gedaagde] is een ambtswoning ter beschikking gesteld. Er is nooit sprake geweest van huur van woonruimte. [Gedaagde] kan dus ook geen aanspraak maken op huurbescherming.

2.2.3

De Hervormde Gemeente heeft een spoedeisend belang bij de gevorderde ontruiming, omdat zij is aangevangen met de beroepingsprocedure die moet leiden tot de komst van een nieuwe predikant. De Hervormde Gemeente wil de pastorie aan de nieuwe predikant in gebruik geven. De kerkorde van de PKN schrijft ook voor dat een ambtswoning wordt aangeboden. De Her-vormde Gemeente hoopt begin augustus 2005 haar nieuwe predikant huis-vesting te kunnen aanbieden. De twee maanden die daaraan voorafgaan zijn nodig om de pastorie van binnen en buiten een goede opknapbeurt te geven.

2.3

[Gedaagde] heeft de vordering gemotiveerd weersproken. [Gedaagde] conclu-deert tot afwijzing daarvan. Hij heeft daartoe, zakelijk weergegeven en voor-zover van belang, het volgende aangevoerd.

2.3.1

De Hervormde Gemeente heeft geen spoedeisend belang bij de gevorderde ontruiming. De beroepingsprocedure zal nog maanden in beslag nemen en bovendien, volgens ordinantie 3-16-3 behoort een predikant voor gewone werkzaamheden te wonen binnen de grenzen van de gemeente waaraan hij verbonden is, maar hoeft dat geen ambtswoning te zijn.

2.3.2

Het besluit van de kleine synode tot ontzetting uit het ambt is in strijd met de bepalingen van de kerkorde van de PKN (PKO). Dat besluit is exclusief voorbehouden aan het generale college voor de ambtsontheffing (ordinantie 3-21-1 PKO). Het besluit ontbeert dan ook rechtsgevolg.

2.3.3

Tussen partijen is overeengekomen dat de Hervormde Gemeente een woning beschikbaar zou stellen en dat [gedaagde] zijn ambtelijke werkzaamheden in getrouwheid zou verrichten. Dat betekent dat sprake is, net zoals bij huur-overeenkomsten, van wederzijdse rechten en plichten. Hieruit volgt dat [gedaagde] aanspraak kan maken op huurbescherming.

2.3.4

Ontruiming is in strijd met de redelijkheid en de billijkheid. Ontruiming hangt het gezin van [gedaagde] (man, vrouw en tien kinderen) als een zwaard van Damocles boven het hoofd. Het zal niet eenvoudig zijn om soortgelijke woonruimte te vinden.

2.4

Voorzover nodig zal op hetgeen partijen overigens over en weer hebben aan-gevoerd bij de verdere beoordeling worden ingegaan.

3. De beoordeling

3.1

Gelet op de aard van de procedure (ontruiming) en de stelling van de Her-vormde Gemeente dat [gedaagde] sinds diens ontheffing uit zijn ambt zonder recht of titel in de pastorie te [gemeente] verblijft en de Hervormde Ge-meente die pastorie binnen enkele maanden beschikbaar wil hebben ten be-hoeve van een nieuw aan te stellen dominee, wordt een spoedeisend belang van de Hervormde Gemeente bij de gevorderde voorzieningen aangenomen.

3.2

Het volgende wordt voorop gesteld. Een vordering als de onderhavige, waar-bij de voorzieningenrechter wordt gevraagd een voorschot te nemen op het-

geen de rechter in de bodemprocedure zal beslissen, kan slechts worden toe-gewezen indien de voorzieningenrechter er niet aan twijfelt dat de eventuele bodemrechter tot hetzelfde, voor betrokkenen zeer ingrijpende oordeel zal komen.

3.3

Blijkens artikel 10, lid 1 van de toepasselijke Generale regeling predikants-traktementen als bedoeld in ordinantie 3-16-4, draagt de kerkenraad zorg voor de beschikbaarheid van een passende woning binnen de grenzen van de gemeente, die door de predikant en diens gezin gebruikt moet worden. Naar voorlopig oordeel volgt hieruit, dat het wonen van [gedaagde] in de pastorie onlosmakelijk is verbonden met zijn ambt.

3.4

[Gedaagde] heeft vraagtekens gezet (2.3.2) bij de rechtsgeldigheid van het be-sluit van de kleine synode om hem met ingang van 1 mei 2004 te ontheffen van zijn ambt van predikant van de Protestantse Kerk in Nederland en hem met ingang van die datum los te maken van de Hervormde Gemeente te [gemeente], maar op zichzelf is niet in geschil dat [gedaagde] niet als predi-kant onder de paraplu van de PKN wénst te functioneren, en evenmin is in geschil dat [gedaagde] inmiddels elders is beroepen. Onder deze omstandig-heden moet voorshands er van worden uitgegaan dat aan de contractuele relatie tussen partijen een einde is gekomen.

3.5

De relatie tussen partijen met betrekking tot de bewoning van de pastorie is nooit vastgelegd in een huurovereenkomst. Het mag zo zijn dat (art. 10 van) de Generale regeling predikantstraktementen enkele elementen van huur be-vat, zoals de inhouding op het traktement van een bijdrage voor het bewo-nen van de ambtswoning en afspraken omtrent de verdeling van onder-houdsverplichtingen, maar dat betekent nog niet dat sprake is van een huur-overeenkomst. Naar voorlopig oordeel is er dan ook geen plaats voor toepas-sing van de wettelijke bepalingen omtrent de beëindiging van huurovereen-komsten en de huurbescherming.

3.6

Eén en ander betekent dat, nu [gedaagde] zijn ambt niet langer ten behoeve van de Hervormde Gemeente te [gemeente] uitoefent, [gedaagde] de hem ter beschikking gestelde ambtswoning dient te verlaten zodat de Hervormde Gemeente deze aan de nieuwe predikant ter beschikking kan stellen. De voorzieningenrechter heeft geen reden om aan te nemen dat de bodemrech-ter daar anders over zou denken.

Op zichzelf is het juist, zoals [gedaagde] stelt, dat de nieuwe predikant niet per sé in de ambtswoning hoeft te wonen (de kerkenraad kan in bijzondere omstandigheden de predikant daarvan ontheffing verlenen, artikel 10 lid 2), maar dat verandert niets aan de situatie dat [gedaagde] de ambtswoning zon-der recht of titel bewoont.

3.7

[Gedaagde] heeft nog aangevoerd dat een deel van de plaatselijke gemeen-schap niet is meegegaan naar de PKN en dat, zolang vermogensrechtelijk nog niet is gescheiden en gedeeld, ontruiming prematuur is. Dat verweer gaat niet op. Zoals gezegd is de ambtswoning gekoppeld aan het ambt dat [gedaagde] ten behoeve van de Hervormde Gemeente bekleedde. Aan die relatie is een einde gekomen en dat betekent dat de ten aanzien van de pastorie opgeworpen eigendomsvraag in dit kort geding buiten beschouwing kan blijven.

3.8

Ook een belangenafweging leidt niet tot een ander oordeel.

Hoewel begrijpelijk is dat [gedaagde] met zijn gezin graag in de pastorie zou blijven wonen, is niet aannemelijk dat hij voor de huisvesting op de pastorie is aangewezen. [Gedaagde] beschikt weliswaar nog niet over vervangende woonruimte, maar hij heeft daartoe ook nog geen stappen ondernomen, al- thans dat is in dit kort geding niet gebleken.

Ook indien er in de komende maanden nog geen nieuwe predikant wordt be-noemd heeft de Hervormde Gemeente er belang bij dat zij weer de beschik-king krijgt over de pastorie. Niet uitgesloten kan worden dat de beroeping van een nieuwe predikant langer op zich laat wachten indien de kandidaat niet de beschikking over de pastorie in het vooruitzicht kan worden gesteld.

3.9

Dit alles overziende, daarbij in aanmerking genomen enerzijds dat [gedaagde] al anderhalf jaar geleden heeft zien aankomen dat hij de pastorie op enig moment zou moeten verlaten doch anderzijds gelet op de gezinssamenstelling, acht de voorzieningenrechter een ontruimingstermijn van zes weken redelijk. [Gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten moeten dragen.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter,

veroordeelt gedaagde om de pastorie aan [adres] te [woonplaats] binnen zes weken na betekening van dit vonnis met het zijne en de zijnen te verlaten en te ontruimen en onder afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van eiseres te stellen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag dat [gedaagde] met die ontruiming in gebreke is, met een maximum van € 25.000,-;

veroordeelt gedaagde in de kosten van dit kort geding, tot aan deze uit-spraak aan de zijde van eiseres begroot op € 329,60 aan verschotten en op

€ 816,- aan salaris voor de procureur;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.P.G. Poell, voorzieningenrechter, in tegen-woordigheid van mr. T.M. Rijppaert, griffier.

Uitgesproken ter openbare terechtzitting.

220/343