Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2005:AT6241

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-05-2005
Datum publicatie
25-05-2005
Zaaknummer
10/180010-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft gehandeld in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening en dat het door hem toegepaste geweld heeft voldaan aan de daaraan gestelde eisen van proportionaliteit en subsidiariteit zoals verwoord in artikel 8 lid 1 Politiewet.

Onder die omstandigheden ontbreekt naar het oordeel van de politierechter aan het handelen van verdachte de materiele wederrechtelijkheid; hij is daarmee niet strafbaar en dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 300
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2005, 310
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer van de berechte zaak: 10/180010-04

Datum uitspraak: 9 mei 2005

VONNIS

Van de POLITIERECHTER in de RECHTBANK ROTTERDAM, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1966 te [geboorteplaats],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres [adres],

domicilie kiezende aan het adres van zijn raadsman aan de Van Vollenhovenstraat 31, 3016 BG Rotterdam.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 25 april 2005.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 10 december 2003 te Rotterdam meermalen, althans eenmaal, opzettelijk [benadeelde partij], althans een persoon, heeft mishandeld, door (telkens) met zijn, verdachtes, (wapen)stok, althans een (hard) voorwerp te slaan op/tegen het lichaam van die [benadeelde partij] en/of te slaan en/of te schoppen op/tegen het lichaam van die [benadeelde partij], waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden. (artikel 300 Wetboek van Strafrecht)

DE EIS VAN DE OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Kaptein heeft gerequireerd - zakelijk weergegeven -

de bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

de veroordeling van de verdachte tot een geldboete van € 250,=.

BEWEZEN

De politierechter acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op de navolgende wijze dat

hij op 10 december 2003 te Rotterdam meermalen opzettelijk [benadeelde partij] heeft mishandeld, door (telkens) met zijn, verdachtes, (wapen)stok, althans een (hard) voorwerp te slaan op/tegen het lichaam van die [benadeelde partij] en te schoppen tegen het lichaam van die [benadeelde partij], waardoor deze pijn heeft ondervonden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezen verklaarde tenlastelegging kennelijke verschrijvingen voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

BEWIJS

De politierechter grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de inhoud van wettige bewijsmiddelen. De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist, in een bijlage bij dit vonnis worden opgenomen.

STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Het bewezen feit levert op:

Mishandeling

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is strafbaar.

STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Door de raadsman is aangevoerd, dat het optreden van verdachte dient te worden getoetst aan de eisen die gesteld zijn in artikel 8 Politiewet, waarin geregeld is wanneer geweld mag worden gebruikt door ambtenaren van politie.

Nu naar het oordeel van de verdediging is voldaan aan de daarin geformuleerde voorwaarden van:

- subsidiariteit: het middel (in casu de wapenstok) is toegepast, terwijl het niet mogelijk was een ander, minder ingrijpend middel aan te wenden en het middel op de minst ingrijpende wijze is gebruikt; en

- proportionaliteit: het door verdachte beoogde doel te weten het in het kader van handhaving van de openbare orde op basis van artikel 2 Politiewet verwijderen van de zich recalcitrant gedragende [benadeelde partij] was rechtmatig en rechtvaardigde het gehanteerde middel te weten het gebruik van de wapenstok

is sprake van een strafuitsluitingsgrond, hetzij uitvoering van een wettelijk voorschrift ex artikel 42 WvSr, hetzij het ontbreken van de materiele wederrechtelijkheid, zodat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Bij de beoordeling van dit verweer heeft de politierechter overwogen als volgt:

Uit het onderzoek is komen vast te staan dat verdachte [benadeelde partij] meermalen heeft geslagen met zijn wapenstok. Daaraan was vooraf gegaan dat verdachte en zijn collega [naam collega-agent] zich naar aanleiding van meldingen over dierenmishandeling (het gooien van stukken ijs naar vogels) door een groep jongeren, per politieauto ter plaatse hadden begeven en de groep jongeren hadden aangesproken. Tijdens dit gesprek , kwam [benadeelde partij] – die zelf geen deel uitmaakte van de groep -naderbij en bemoeide zich met het gesprek. Door politieman [naam collega-agent] is [benadeelde partij] meermalen gezegd zich niet met het gesprek te bemoeien en zich te verwijderen; [naam collega-agent] heeft [benadeelde partij] op enig moment zelfs weggeduwd. [benadeelde partij] voldeed desondanks niet aan deze “aanmaningen” en stelde zich in toenemende mate – verbaal – agressief en provocerend op.

Verdachte heeft daarop uit de politieauto een wapenstok gepakt, omdat hij, volgens zijn eigen verklaring ter zitting, vreesde dat de situatie met de groep door het gedrag van [benadeelde partij] zou kunnen escaleren en er dan geen tijd meer zou zijn om alsnog de wapenstok te pakken. Verdachte heeft [benadeelde partij] daarop ook gezegd zich te verwijderen en daarbij een zwaaiende beweging met de wapenstok richting [benadeelde partij] gemaakt. Hierbij heeft hij [benadeelde partij] geraakt tegen de bovenarm. Omdat [benadeelde partij] zich nog steeds niet of nauwelijks verwijderde, heeft verdachte daarop [benadeelde partij] met de wapenstok gepord tegen het bovenlichaam.

Vervolgens heeft [benadeelde partij] de wapenstok beetgepakt; verdachte heeft [benadeelde partij] daarop geschopt tegen diens been en nadat verdachte de stok weer kon lostrekken heeft hij [benadeelde partij] met de stok tegen het lichaam geslagen. Verdachte heeft, zwaaiend met de wapenstok [benadeelde partij] toen verder voor zich uit gedreven tot [benadeelde partij] naar het oordeel van verdachte zich ver genoeg verwijderd had; [benadeelde partij] liep met zijn gezicht gekeerd naar verdachte achteruit en onderweg heeft [benadeelde partij] na een por van verdachte nog een keer de wapenstok vastgepakt; verdachte heeft de stok weer losgerukt en heeft meermalen in de richting van [benadeelde partij] geslagen en hem daarbij een aantal keer op het lichaam geraakt.

Gelet op de situatie ter plaatse te weten het agressieve, provocerende gedrag van [benadeelde partij], die zich ondanks aanmaningen en zelfs een duw van [naam collega-agent] niet wilde verwijderen en de aanwezigheid van een grotere groep jongeren (in leeftijd varierend van 12 tot 15 jaar), heeft verdachte ter handhaving van de openbare orde in redelijkheid kunnen besluiten de wapenstok ter hand te nemen, teneinde het aanzeggen tot verwijderen aan het adres van [benadeelde partij] kracht bij te zetten en verdere escalatie te voorkomen.

Uit het optreden van [naam collega-agent] en verdachte was het voor [benadeelde partij] zonder meer duidelijk dat hij zich ter plaatse diende te verwijderen. Eerst nadat [benadeelde partij] dit bleef weigeren en op een por met de wapenstok reageerde door de wapenstok vast te grijpen en te trachten de stok uit handen van verdachte te trekken, heeft verdachte [benadeelde partij] geschopt en met de wapenstok geslagen.

De politierechter is dan ook van oordeel dat verdachte heeft gehandeld in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening en dat het door hem toegepaste geweld heeft voldaan aan de daaraan gestelde eisen van proportionaliteit en subsidiariteit zoals verwoord in artikel 8 lid 1 Politiewet.

Onder die omstandigheden ontbreekt naar het oordeel van de politierechter aan het handelen van verdachte de materiele wederrechtelijkheid; hij is daarmee niet strafbaar en dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

DE VORDERING BENADEELDE PARTIJ

Op de wijze voorzien in artikel 51b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting gevoegd als benadeelde partij [benadeelde partij], wonende te [adres benadeelde partij], terzake van feit . De benadeelde partij vordert vergoeding van materiële schade tot een bedrag van € 25,= en immateriële schade tot een bedrag van € 300,=.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering van de benadeelde partij met betrekking tot de materiële schade en toewijzing van de immateriële schade voor een door de rechter te bepalen bedrag.

Door of namens de verdachte is de aansprakelijkheid en de door de benadeelde partij gestelde hoogte van de schade betwist.

De benadeelde partij wordt in de vordering niet-ontvankelijk verklaard nu aan de verdachte geen straf of maatregel is opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen toepassing heeft gevonden.

Nu de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard, wordt de benadeelde partij veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De politierechter:

- stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hier-voor vermelde strafbare feit;

- verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde niet strafbaar en ontslaat de verdachte ten aanzien daarvan van alle rechtsvervolging;

- verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering;

- nu de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard, wordt de bena-deelde partij veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Van der Kaaij, rechter

in tegenwoordigheid van Verheijde, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 mei 2005.