Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2005:AT6234

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25-04-2005
Datum publicatie
25-05-2005
Zaaknummer
10/101360-04
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2006:AV1107
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Op basis van het bewezen feitenrelaas acht de rechtbank bewezen dat verdachte een kogel heeft afgevuurd op het slachtoffer, waarbij verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer tengevolge daarvan zou komen te overlijden.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 285
Wetboek van Strafrecht 287
Wetboek van Strafrecht 312
Wetboek van Strafrecht 45
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer van de berechte zaak: 10/101360-04

Datum uitspraak: 25 april 2005

Tegenspraak

VONNIS

van de RECHTBANK ROTTERDAM, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1969 te Curaçao,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres [adres],

ten tijde van het onderzoek ter terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichtingen “Noordsingel” te Rotterdam.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 11 april 2005.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld is in de inleidende dagvaarding onder parketnummer 10/101360-04. Van deze dagvaarding is een kopie in dit vonnis gevoegd (bladzijden genummerd 1 t/m 4).

DE EIS VAN DE OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Van den Wildenberg heeft gerekwireerd tot, zakelijk weergegeven :

- bewezenverklaring van het onder 1 primair, 2 en 3 primair ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaar met aftrek van voorarrest.

NIET BEWEZEN

Voor bewezenverklaring van zowel de onder 3 primair ten laste poging tot doodslag als poging tot zware mishandeling ontbreekt het bewijs. Dit volgt onder meer uit het feitenrelaas zoals omschreven in de hieronder opgenomen bewijsoverweging ten aanzien van feit 1. Verdachte moet dan ook van dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

BEWEZEN

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan op de navolgende wijze.

1.

hij op 19 oktober 2004 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet

- een doorgeladen vuurwapen uit zijn jas heeft gehaald en

- de loop van dat vuurwapen in de richting van [slachtoffer 1] heeft gehouden en

- vervolgens daarmee in de richting van die [slachtoffer 1] een kogel heeft afgevuurd,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 19 oktober 2004 te Rotterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een six-pack Heineken blikbier, toebehorende aan Bas van der Heijden, welke diefstal werd gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3], gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken,

welk geweld en welke bedreiging met geweld bestonden uit het

- trekken en duwen in een andere richting dan die waarin die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] hem, verdachte, wilden brengen en

-zich (proberen) los (te) rukken uit de greep van die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en

-(plotseling) uit zijn, verdachtes, jas halen van een (doorgeladen) vuurwapen en

- brengen van dat vuurwapen in de (directe) nabijheid van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en

- houden van (de loop van) dat vuurwapen in de richting van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en

- (vervolgens) daarmee een kogel afvuren in de richting van die [slachtoffer 1];

3 subsidiair.

hij op 19 oktober 2004 te Rotterdam [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend

- een (doorgeladen) vuurwapen uit zijn jas gehaald en

- (de loop van) dat vuurwapen op [slachtoffer 2] gericht.

Hetgeen onder 1 primair, 2 en 3 subsidiair meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezen verklaarde tenlastelegging kennelijke verschrijvingen voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

BEWIJS

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de inhoud van wettige bewijsmiddelen. De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist, in een bijlage bij dit vonnis worden opgenomen.

BEWIJSOVERWEGINGEN

TEN AANZIEN VAN FEIT 1

De raadsvrouw heeft gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de voor doodslag vereiste opzet, ook in de zin van voorwaardelijk opzet, bij verdachte heeft ontbroken.

Uit de bewijsmiddelen volgt onder meer:

1. Verdachte is met in zijn jaszak een pistool een supermarkt binnengegaan;

2. Verdachte wist dat dit pistool doorgeladen en schietklaar was;

3. In de supermarkt heeft verdachte een aantal blikjes bier weggenomen, waarna hij door een aanwezige beveiligingsmedewerker werd aangehouden;

4. Verdachte heeft zich vervolgens verzet in een poging om zich aan de aanhouding te onttrekken. In verband met dit verzet zijn onder meer [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] de beveiligingsmedewerker te hulp geschoten;

5. Terwijl hij werd vastgehouden heeft verdachte het pistool uit zijn jaszak gepakt en in de richting van [slachtoffer 2] gebracht;

6. Nadat hij door [slachtoffer 2] was losgelaten heeft verdachte zich met het pistool in de hand, gedraaid in de richting van [slachtoffer 1], waarbij verdachte de vinger aan de trekker had;

7. Vervolgens is het pistool van verdachte afgegaan waarbij [slachtoffer 1] door de kogel in haar hals werd getroffen.

Bovenstaande feiten en omstandigheden in samenhang bezien met wat overigens in de bewijsmiddelen is opgenomen leveren naar hun uiterlijke verschijningsvorm op dat verdachte opzettelijk een kogel heeft afgevuurd in de richting van [slachtoffer 1] en daarmee bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zij tengevolge daarvan zou komen te overlijden.

In het kader van dit verweer heeft de raadsvrouw nog aangevoerd dat verdachte onder meer door alcohol- en drugsgebruik niet vrij was zijn wil te bepalen en niet in staat was de mogelijke gevolgen van zijn daden te kunnen overzien. Voor zover daarvan al sprake zou kunnen zijn, stuit dit onderdeel van het verweer reeds af omdat verdachte zichzelf in die situatie heeft gebracht.

Uit bovenstaande volgt dat het verweer wordt verworpen.

TEN AANZIEN VAN FEIT 2

De raadsvrouw heeft gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken. Zij heeft daartoe aangevoerd dat het door verdachte toegepaste geweld niet is gerelateerd aan de diefstal aangezien verdachte de blikjes bier voor het moment van geweldpleging al had afgegeven.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij de in de bewezenverklaring genoemde, geweldshandelingen heeft begaan om daarmee uit de supermarkt en uit de handen van degenen die hem voor diefstal hadden aangehouden weg te komen.

Reeds uit deze verklaring volgt dat het verweer geen hout snijdt. Daarnaast geldt dat, voor zover er al van afgifte door verdachte kan worden gesproken, die afgifte niet vrijwillig en weloverwogen is geweest, maar tot stand is gekomen door de betrapping van verdachte op heterdaad en de daarop gevolgde aanhouding.

Het verweer wordt verworpen.

TEN AANZIEN VAN FEIT 3 SUBSIDIAIR

De raadsvrouw heeft gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken. Zij heeft daartoe aangevoerd dat een kort en ongericht zwaaien met een vuurwapen niet een tot een bepaald persoon gerichte bedreiging oplevert.

Op grond van het hierboven ten aanzien van feit 1 omschreven feitenrelaas en de hierboven ten aanzien van feit 2 opgenomen verklaring van verdachte verwerpt de rechtbank dit verweer ten aanzien van [slachtoffer 2].

STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

De bewezen feiten leveren op:

1. poging doodslag

2. diefstal gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken;

3. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn strafbaar.

STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is strafbaar.

MOTIVERING VAN DE STRAF

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Kort nadat hij in een supermarkt blikjes bier had gestolen werd verdachte aangehouden. Verdachte heeft zich eerst door rukken en trekken aan die aanhouding willen onttrekken. Toen hem dat niet lukte heeft hij een pistool uit zijn jas gepakt. Met dat pistool heeft hij de bedrijfsleider van de supermarkt bedreigd en een medewerkster van de supermarkt in haar hals geschoten, tengevolge hiervan deze ernstig en blijvend lichamelijk letsel heeft opgelopen.

De gevolgen hadden dodelijk kunnen zijn en de omstandigheid dat het slachtoffer het leven niet heeft verloren lijkt slechts een gelukkig, geenszins aan de verdiensten van verdachte te danken toeval.

Het hoeft geen betoog dat het hier om zeer ernstige strafbare feiten gaat, waarop naar het oordeel van de rechtbank niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf heeft de rechtbank gelet op de inhoud van de over verdachte uitgebrachte persoonlijkheidsrapporten. Zowel in het psychiatrisch- als in het psychologisch- als in het reclasseringsrapport wordt een beeld geschetst van ernstig en langdurig misbruik en afhankelijkheid van (soft)drugs en alcohol, maar met de rapporterend psychiater en psycholoog is de rechtbank van oordeel dat de feiten verdachte volledig kunnen worden toegerekend.

Daarnaast heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat verdachte eerder, zij het voor een minder ernstig, geweldsdelict is veroordeeld.

Alles afwegend acht de rechtbank de door de officier van justitie geëiste straf passend en geboden.

DE VORDERING BENADEELDE PARTIJ

Op de wijze voorzien in artikel 51b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting terzake van feit 1 gevoegd als benadeelde partij [benadeelde partij], wonende te Papendrecht. De benadeelde partij vordert vergoeding van materiële schade tot een bedrag van

€ 1173,13 en immateriële schade tot een bedrag van € 7500,-.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering voor zover dit betreft de ziekenhuiskosten, de reis- en parkeerkosten en de immateriële schade.

De raadsvrouw heeft de aansprakelijkheid betwist althans heeft gesteld dat de vordering niet eenvoudig van aard is.

Naar het oordeel van de rechtbank betreft het in deze een vordering van eenvoudige aard, zowel wat betreft de grondslag als de hoogte ervan. Gelet op de bij de vordering gevoegde bijlagen, die niet zijn betwist, is de al dan niet toewijsbaarheid op eenvoudige wijze te beoordelen.

Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks zowel materiële- als immateriële schade heeft geleden.

Wat betreft de immateriële schade is de rechtbank van oordeel dat het gevorderde bedrag naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid en gelet op algemene ervaringsregels kan worden toegewezen. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat de hoogte van het gevorderde bedrag op zich niet is weersproken.

Wat betreft de materiële schade is de rechtbank van oordeel dat alleen de ziekenhuiskosten en de reis- en parkeerkosten als rechtstreekse schade zijn aan te merken. Bij gebrek aan voldoende gemotiveerde tegenspraak kan dit deel van de vordering worden toegewezen.

Voor wat betreft de kosten van het rijbewijs wordt de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet zonder meer worden gezegd dat het bewezen verklaarde feit deze gevorderde schade tot gevolg heeft gehad.

Nu de vordering van de benadeelde partij (in overwegende mate) wordt toegewezen, wordt de verdachte veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt.

De rechtbank acht tevens oplegging van de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel passend en geboden.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 45, 57, 285, 287 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 3 primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

- verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair, 2 en 3 subsidiair ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair, 2 en 3 subsidiair meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

- stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

- verklaart de verdachte strafbaar;

- veroordeelt de verdachte terzake van de bewezen verklaarde feiten tot een gevangenisstraf voor de duur van (7 ) zeven jaar;

- wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] ten dele toe en veroordeelt de verdachte tegen kwijting aan [slachtoffer], wonende te Papendrecht, te betalen € 8256,63 (zegge achtduizendtweehonderdzesenvijftig en drieënzestig cent);

- verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;

- veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan de verdachte de verplichting op aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen € 8256,63 (zegge achtduizendtweehonderdzesenvijftig en drieënzestig cent) bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 165 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;

- bepaalt daarbij dat, indien en voor zover door de verdachte voormeld bedrag aan de staat ten behoeve van voormelde benadeelde partij is betaald, daarmee de verplichting van de verdachte om voormeld bedrag aan de benadeelde partij te betalen vervalt, en bepaalt tevens dat indien en voor zover door de verdachte voormeld bedrag aan de benadeelde partij is betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat vervalt.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Van de Water, voorzitter,

en mrs. De Ruijter en Lamers-Wilbers, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Mathoera, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 april 2005.