Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2005:AT5560

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25-04-2005
Datum publicatie
17-05-2005
Zaaknummer
04/2999 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gelet op de uitspraak van de CRvB van 21 april 2005 (LJN: AT4358) moet het verzoek om kwijtschelding waarop eerst na de peildatum is beslist worden beoordeeld aan de hand van de WWB. Art. 78c Abw mist derhalve toepassing. De weigering tot kwijtschelding moet derhalve worden beoordeeld in het licht van de terugvorderingsbevoegdheid die is neergelegd in art. 58 WWB.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Reg.nr.: WWB 04/2999-KRD

Uitspraak

in het geding tussen

[Belanghebbende], wonende te [woonplaats], eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maassluis, verweerder.

1. Ontstaan en loop van de procedure

Bij brief van 30 november 2002 heeft eiser aan de dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente Maassluis verzocht om kwijtschelding van een terugvordering die is ontstaan uit tenonrechte verstrekte bijstand.

Bij het primair besluit van 5 februari 2004 heeft de afdeling Sociale Zaken en Werkgelegenheid van verweerder het verzoek om kwijtschelding van het restant-saldo van de vordering afgewezen.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 12 maart 2004 bezwaar gemaakt.

Namens eiser is gebruik gemaakt van de gelegenheid om zijn bezwaar toe te lichten ter hoorzitting van 17 juni 2004 van de vergadering van de commissie voor de bezwaarschriften, WWB-kamer, van de gemeente Maassluis.

De commissie voor de bezwaarschriften heeft verweerder geadviseerd om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Bij besluit van 1 september 2004 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft eiser bij brief van 8 oktober 2004 beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij brief van 26 november 2004 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 maart 2005. Ter zitting zijn verschenen eiser en mevrouw E. Dutar, die eiser heeft bijgestaan. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.M.S. van Sprundel.

2. Overwegingen

In dit geding dient te worden beoordeeld of het bestreden besluit, waarbij verweerder het bezwaar van eiser tegen de weigering hem kwijtschelding te verlenen van een restantbedrag van een terugvordering, ongegrond heeft verklaard, in rechte kan stand houden.

2.1 Feiten en omstandigheden

Eiser en zijn echtgenote hebben van 1 juli1989 tot 1 november 1991 ten onrechte bijstandsuitkering ingevolge de Rijksgroepsregeling Werkloze Werknemers (RWW) ontvangen doordat zij de in deze periode ontvangen inkomsten uit arbeid en uitkeringen van het GUO niet hebben gemeld aan verweerder. Bij brief van 12 april 1994 heeft verweerder eiser en zijn echtgenote medegedeeld dat een bedrag van fl. 65.228,97 aan ten onrechte ontvangen bijstandsuitkering zal worden teruggevorderd.

De periode waarover wordt teruggevorderd is naderhand, in verband met gerechtelijke uitspraken waarbij is bepaald dat er maximaal 5 jaar nadat de kosten zijn gemaakt kan worden teruggevorderd, beperkt van 1 december 1990 tot 1 november 1991. Het terug te betalen bedrag is daarbij vastgesteld op fl. 26.523,54.

De arrondissementsrechtbank te Rotterdam heeft, onder vernietiging van de beschikking van de kantonrechter te Schiedam van 21 mei 1996, bij beschikking van 23 december 1996 bepaald dat eiser met ingang van 1 januari 1997 aan verweerder wegens ten onrechte gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 december 1990 tot 1 november 1991 maandelijks een bedrag van fl. 115,= zal voldoen totdat een totaalsom van fl. 26.523,54 zal zijn voldaan.

Op 27 januari 2000 heeft eiser bij verweerder een verzoek om kwijtschelding van het terug te betalen bedrag gedaan. Verweerder heeft dit verzoek afgewezen. In bezwaar heeft verweerder de afwijzing gehandhaafd. Eiser heeft tegen de afwijzing geen beroep ingesteld.

Bij brief van 30 november 2002 heeft eiser wederom een verzoek om kwijtschelding gedaan welk verzoek bij het primair besluit is afgewezen. Verweerder heeft de afwijzing gemotiveerd door te wijzen op het feit dat het een fraudevordering betreft.

Nadat eiser tegen de afwijzing bezwaar had aangetekend, heeft verweerder bij het bestreden besluit de bezwaren ongegrond verklaard.

Standpunten van partijen

Verweerder heeft zich, blijkens het advies van de commissie voor de bezwaarschriften waarnaar ter motivering van het bestreden besluit is verwezen, op het standpunt gesteld dat de vordering is ontstaan tengevolge van langdurig opzettelijk frauduleus handelen van eiser. Hierdoor heeft eiser ten onrechte uitkeringsgelden ontvangen. Doordat hij zijn handelen heeft verzwegen heeft hij kunnen profiteren van de verjaringsbepaling. Door middel van de onderhavige terug- en invordering wordt slechts een deel van de rechtmatige situatie hersteld. De commissie is van oordeel dat men in alle redelijkheid heeft kunnen beslissen niet tot kwijtschelding over te gaan. Tenslotte overweegt de commissie nog dat als eiser zijn betalingen continueert, en ook de achterstallige vordering alsnog voldoet, er in december 2005 eventueel tot kwijtschelding kan worden overgegaan.

In beroep heeft eiser aangevoerd dat verweerder een tweeslachtig beleid voert. Aan de ene kant wordt in principe niet kwijtgescholden omdat het een fraudevordering betreft maar aan de andere kant wordt december 2005 als nieuw heroverwegingmoment ingevoerd. Eiser acht dit in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel.

Beoordeling

Met ingang van 1 januari 2004 zijn ingevolge de artikelen 1 en 2 van het Koninklijk besluit van 10 oktober 2003 (Stb. 2003, 386, hierna: Inwerkingtredingsbesluit) de Wet Werk en Bijstand (WWB) en de Invoeringswet Wet Werk en Bijstand (IWWB) in werking getreden en is ingevolge artikel 2 van het Inwerkingtredingsbesluit in verbinding met artikel 2 van de IWWB de Abw ingetrokken, met dien verstande dat enkele bepalingen van de WWB, de IWWB en de Algemene bijstandswet (Abw) eerst op een later tijdstip in werking treden dan wel vervallen. Artikel 78c van de Abw is met ingang van 1 januari 2004 vervallen en artikel 58 van de WWB is met ingang van 1 januari 2004 in werking getreden.

De rechtbank is van oordeel, gelet op het bovenstaande en gelet op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 21 april 2005 (LJN: AT4358), waarin de Raad overwoog dat de wetgever hantering van artikel 58 van de WWB uitdrukkelijk heeft beoogd ook voorzover verleende bijstand betrekking heeft op de periode vóór de (inwerkingtreding van de) WWB, dat het onderhavige geschil moet worden beoordeeld aan de hand van de WWB. In dit verband overweegt de rechtbank dat artikel 60, eerste lid, van de WWB bepaalt dat een besluit tot terugvordering van kosten van bijstand (onder meer) vermeldt de termijnen waarbinnen moet worden terugbetaald, alsmede de wijze waarop het besluit, bij gebreke van tijdige betaling, wordt ten uitvoer gelegd, zodat niet valt in te zien dat verweerder, gelet op de in artikel 58 van de WWB gegeven bevoegdheid, bij een verzoek om kwijtschelding opnieuw, met inachtneming van de gewijzigde omstandigheden, op zo’n verzoek zou kunnen beslissen. Ondanks dat de WWB geen uitdrukkelijke bepaling kent omtrent de bevoegdheid van verweerder om af te zien van (verdere) terugvordering, moet geoordeeld worden dat de WWB geen ongunstiger regime terzake kent dan de Abw, zodat ook niet sprake is van strijd met de rechtszekerheid.

De rechtbank constateert dat het inmiddels vervallen artikel 78c van de Abw verweerder de bevoegdheid gaf om, onder voorwaarden, af te zien van terugvordering. Deze bevoegdheid gold ook in geval van terugvordering van bijstand die was ontstaan ten gevolge van frauduleus handelen van bijstandsgerechtigden. Bij elk individueel geval moest worden bezien of er een gegronde reden was om af te zien van terugvordering.

Verweerder heeft, blijkens het Raadsbesluit nummer 4.9 van 16 maart 2004, de beleidscontouren WWB vastgesteld. Daarin wordt vanaf 1 januari 2004 het bestaande terugvorderingsbeleid voorlopig voortgezet. Verweerder heeft geen op schrift gesteld kwijtscheldingsbeleid maar beoordeelt iedere aanvraag individueel.

De vraag is of verweerder bij afweging van de daarbij betrokken belangen in redelijkheid heeft kunnen besluiten het verzoek om kwijtschelding af te wijzen.

De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend.

Verweerder heeft, onder verwijzing naar de door eiser gepleegde fraude, de omstandigheid dat nog geen 10 jaar is terugbetaald en eiser al voorafgaand aan het verzoek om kwijtschelding is gestopt met terug betalen, in redelijkheid kunnen besluiten het verzoek om kwijtschelding af te wijzen. De door eiser aangevoerde slechte financiële omstandigheden zijn niet zodanig bijzonder dat sprake is van onaanvaardbare financiële of sociale gevolgen dat dit voor verweerder aanleiding had moeten zijn om het verzoek in te willigen. Het door eiser genoemde toetsingsmoment van december 2005 maakt geen deel uit van het bestreden besluit. Tenslotte is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet heeft gehandeld in strijd met enig geschreven of ongeschreven rechtsregel of beginsel van behoorlijk bestuur door te beslissen zoals hij heeft gedaan.

Nu het bestreden besluit in rechte stand houdt, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Kruisdijk.

De beslissing is, in tegenwoordigheid van mr. M.J. Zondervan als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 april 2005.

De griffier: De rechter:

Afschrift verzonden op:

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiser wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.