Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2005:AT5060

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
02-05-2005
Datum publicatie
03-05-2005
Zaaknummer
10.150536-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft tezamen met een ander onderdak verschaft aan personen van wie zij wist dat deze illegaal in Nederland verbleven. Hierdoor hebben verdachte en haar mededader bijgedragen aan het frustreren van het beleid van de Nederlandse overheid met betrekking tot het verblijf van illegalen in Nederland.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Nevenzittingsplaats Alkmaar

Parketnummer: 10.150536-04

Datum uitspraak: 2 mei 2005

OP TEGENSPRAAK

VONNIS van de Rechtbank Rotterdam, zittinghoudende te Alkmaar, Meervoudige Kamer voor Strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[verdachte 11],

geboren te Urunqi (China) op [datum] 1981,

wonende te [postcode] 's-Gravenhage, [adres],

volgens haar verklaring ter terechtzitting wonende te 's-Gravenhage, [adres].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 20 januari 2005, 9 februari 2005, 22 maart 2005 en 4, 6 en 18 april 2005.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, zakelijk weergegeven tot:

- bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

- veroordeling van verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen, waarvan 45 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van de tijd door verdachte in voorlopige hechtenis doorgebracht.

De rechtbank heeft voorts kennis genomen van hetgeen door de verdachte en mr. B.C. Swier, raadsman van de verdachte, naar voren is gebracht.

Voor zover in dit vonnis de processen-verbaal met de daarbij behorende bijlagen van het zogenoemde onderzoek "Jonk" en de processen-verbaal uit de zaakdossiers worden aangehaald, zullen de paginanummers worden genoemd zoals deze voorkomen in het door de officier van justitie aan de rechtbank overgelegde digitale dossier (inclusief de daarop gevolgde aanvullingen).

1. TENLASTELEGGING

Op vordering van de officier van justitie is de omschrijving van de tenlastelegging op de terechtzitting van 22 maart 2005 gewijzigd op de voet van artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering.

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

zij in of omstreeks de periode van 1 november 2004 tot en met 7 december 2004 te Rotterdam en/of Den Haag en/of (elders) in Nederland

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, beroepsmatig, althans uit gewoonte, in elk geval meermalen, althans eenmaal,

een of meer perso(o)n(en) (met Aziatische persoonskenmerken)

(telkens) uit winstbejag opzettelijk behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot en/of het verblijven in Nederland en/of enig andere staat welke gehouden is mede ten behoeve van Nederland grenscontrole uit te oefenen, en/of

die perso(o)n(en) (met Aziatische persoonskenmerken)

daartoe (telkens) uit winstbejag gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft,

hebbende zij, verdachte, en/of haar mededader(s) toen en daar, (in ieder geval) de volgende perso(o)n(en):

- Pen Po Chen (geboren 2 mei 1985 te Pushan, China) en/of

- Xue Shui Chen (geboren 14 augustus 1967 te Changan, China) en/of

- Yuan Li (geboren 5 april 1988 te Guangzhou, China) en/of

- Fa Rui Ke (geboren in 1974 te Hunan, China) en/of

- Li Li Chen (geboren 30 december 1987 te Zhejiang, China),

althans een of meer perso(o)n(en) (telkens) (tegen betaling)

- naar een woning, gelegen aan de [adres] te Den Haag, gebracht/begeleid en/of- (vervolgens) onderdak (kost en inwoning) verschaft, althans ondergebracht, in die woning, gelegen aan de [adres] te Den Haag,

terwijl zij, verdachte, en/of haar mededader(s) (telkens) wist(en), althans ernstige redenen had(den) om te vermoeden, dat die toegang en/of dat verblijf wederrechtelijk was/waren;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zullen deze worden verbeterd. De verdachte is hierdoor niet geschaad in de verdediging.

2. VOORVRAGEN

1. Geldigheid van de dagvaarding

De rechtbank stelt vast dat de dagvaarding geldig is.

2. Bevoegdheid rechtbank

De rechtbank verklaart zichzelf bevoegd tot kennisneming van de zaak.

3. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie I

De rechtbank overweegt met betrekking tot de ontvankelijkheid van de officier van justitie het volgende.

Vast staat dat verdachte niet in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit. Op grond van artikel 2 van het Wetboek van Strafrecht is de Nederlandse strafwet toepasselijk op ieder die zich in Nederland aan enig strafbaar feit schuldig maakt.

De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging.

4. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie II (en eventuele bewijsuitsluiting)

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard nu in strijd met de beginselen van een goede procesorde de in het huis van verdachte aangehouden personen niet zijn gehoord over het verblijf bij verdachte, de duur daarvan en de eventuele kosten. Het openbaar ministerie heeft geen activiteiten ontplooid om de verblijfplaats van deze personen te achterhalen teneinde hen alsnog als getuigen over deze onderwerpen te horen. Subsidiair heeft de verdediging gesteld dat het bewijs van het aantreffen van de vreemdelingen van het bewijs dient te worden uitgesloten.

De rechtbank overweegt als volgt.

Hoewel het - gelet op de aangetroffen situatie in het huis van verdachte - zorgvuldiger zou zijn geweest wanneer de politie de aanwezige personen direct had gehoord over voornoemde onderwerpen, is de rechtbank van oordeel dat de volledig bekennende verklaring van verdachte de politie geen aanleiding had hoeven te geven om de aangetroffen personen nader te horen over het verblijf bij verdachte, de duur daarvan en de eventuele kosten. Verdachte heeft verklaard dat zij wist dat de in haar huis aangetroffen personen illegaal waren en dat deze personen voor hun verblijf tussen de 50 en 100 euro aan haar of haar medeverdachte [verdachte 9] betaalden. Een en ander komt overeen met hetgeen haar medeverdachte heeft verklaard. De rechtbank stelt voorts vast dat de verdediging verder niet heeft geklaagd over de wijze waarop het verhoor van de verdachte heeft plaatsgevonden. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat in casu geen sprake is geweest van grove veronachtzaming van de belangen van verdachte, zodat er geen redenen zijn het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren.

De rechtbank ziet evenmin aanleiding om tot bewijsuitsluiting over te gaan.

5. Aanwezigheid van redenen tot schorsing van de vervolging

Uit het onderzoek op de terechtzitting zijn de rechtbank geen gronden gebleken die moeten leiden tot schorsing van de vervolging.

3. BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat

zij in de periode van 1 november 2004 tot en met 7 december 2004 te Den Haag tezamen en in vereniging met een ander meermalen, een persoon met Aziatische persoonskenmerken telkens uit winstbejag opzettelijk behulpzaam is geweest bij het verblijven in Nederland

* hebbende haar mededader toen en daar, de volgende personen:

- Xue Shui Chen (geboren 14 augustus 1967 te Changan, China) en/of

- Yuan Li (geboren 5 april 1988 te Guangzhou, China) en/of

- Fa Rui Ke (geboren in 1974 te Hunan, China) en/of

- Li Li Chen (geboren 30 december 1987 te Zhejiang, China),

naar een woning, gelegen aan de [adres] te Den Haag, gebracht en

* hebbende zij, verdachte, en haar mededader toen en daar,

onderdak verschaft, in die woning, gelegen aan de [adres] te Den Haag, terwijl zij, verdachte, en haar mededader telkens wisten, dat verblijf wederrechtelijk was.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. BEWIJS

De rechtbank grondt de beslissing dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

5. BEWIJSMIDDELEN

* Het proces-verbaal van staande houden, overbrengen en ophouden voor verhoor (artikel 50, lid 1 en 2 van de Vreemdelingenwet) met nummer 0412070801.AMH van 7 december 2004, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar A.W.L. de Jonge.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover zakelijk weergegeven, als relaas van verbalisant voornoemd (pagina 7294 e.v. Algemeen proces-verbaal):

Op dinsdag 7 december 2004 omstreeks 8.00 uur, heb ik, Arie Willem Leendert de Jonge, inspecteur van politie Rotterdam-Rijnmond, dienstdoende bij D12 Opsporing op grond van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf, ter vaststelling van de identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie staande gehouden op [adres], 2544 VM 'S-Gravenhage, personen, die respectievelijk opgaven te zijn:

- Xue Shui Chen (geboren 14 augustus 1967 te Changan, China) en/of

- Yuan Li (geboren 5 april 1988 te Guangzhou, China) en/of

- Fa Rui Ke (geboren in 1974 te Hunan, China) en/of

- Li Li Chen (geboren 30 december 1987 te Zhejiang, China).

Aanwijzingen uit controle persoonsgegevens, namelijk tijdens doorzoeking in woning in het kader van een mensensmokkelonderzoek werden betrokkenen aangetroffen en gecontroleerd op identiteitspapieren. Geen van de betrokken personen kon documenten overleggen waaruit hun nationaliteit danwel hun identiteit kon blijken.

Betrokkenen beschikten tijdens de staandehouding niet over

reis-/identiteitsdocumenten als bedoeld in artikel 4.21 van het Vreemdelingenbesluit.

Omdat de identiteit van de staande gehouden personen niet onmiddellijk kon worden vastgesteld heb ik hen op grond van artikel 50, tweede lid van de Vreemdelingenwet, laten overbrengen naar een plaats bestemd voor verhoor, namelijk Stadhoudersplantsoen 24 te 's Gravenhage waar zij op dinsdag 7 december 2004 te 10.00 uur aankwamen. De betrokkenen werden daar onmiddellijk ter beschikking gesteld van de Dienst Vreemdelingenpolitie.

* Het proces-verbaal met nummer 0412071350.V26 van 7 december 2004, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren A. Akgul en J.A. van der Kuijp.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op genoemde datum te 13.15 uur tegenover verbalisant voornoemd afgelegde verklaring van verdachte (pagina 7251 e.v. Algemeen proces-verbaal):

Toen u vanmorgen mijn woning binnenkwam sliep ik in de slaapkamer aan de rechterkant. Ik sliep daar samen met [verdachte 9]. U tekent een plattegrond van mijn woning aan de [adres]. Onze slaapkamer heeft de letter A.

* U vraagt mij wie vanochtend in de kamer sliepen die u aanduidt als B. In deze kamer slapen normaal gesproken mijn kinderen. Vandaag sliep in die kamer een magere jongen die wij Bamboestok noemen. Ik denk dat hij Chen heet. Hij was samen met zijn vriendin. Het meisje is gisteren aangekomen.

* In de kamer met de letter C waren twee mannen aanwezig. De man met het witte T-shirt heet Ke. Ke was ongeveer 3 à 4 maanden in mijn woning.

* De andere noemen wij klein broertje en was ongeveer een week in mijn woning. Ik wist dat deze 2 personen illegaal in Nederland waren. Alle personen zijn door [verdachte 9] naar onze woning gebracht.

* In de woonkamer met de letter D sliep vanmorgen kleine Chen. Ook hij verblijft ongeveer 3 à 4 weken in onze woning. Ik wist dat ook hij illegaal in Nederland is.

Alle personen komen uit China. De mensen in mijn woning betalen soms 50 tot 100 euro per maand voor de kosten. Normaal betalen zij aan [verdachte 9], soms krijg ik ook wat geld. Ik weet dat het niet toegestaan is om illegalen te huisvesten.

* Het proces-verbaal met nummer 0412071330.V24 van 7 december 2004, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren I.M.M. Kop en M.P. Burik.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op genoemde datum omstreeks 13.30 uur tegenover verbalisant voornoemd afgelegde verklaring van medeverdachte [verdachte 9] (pagina 7255 e.v. Algemeen proces-verbaal):

Tijdens mijn aanhouding vanmorgen werden er, behalve mijzelf en mijn vriendin nog 5 andere mensen in de woning aangetroffen. U vraagt mij wie die mensen zijn, wat die 5 mensen in de woning deden en hoe zij daar kwamen.

In mijn woning stonden 2 kamers leeg, die verhuur ik. Per maand krijg ik daar 100 euro voor. Ik weet dat het illegalen zijn. Ze zijn al ongeveer 3 weken bij mij in huis. Mijn vriendin [verdachte 11] woont bij mij (...) op het adres [adres] in Den Haag.

6. NADERE BEWIJSMOTIVERING

De rechtbank overweegt met betrekking tot de hierna te noemen onderwerpen het volgende.

Stemherkenning en bruikbaarheid van verslagen van afgeluisterde telefoongesprekken

In dit onderzoek is veelvuldig gebruik gemaakt van het met een technisch hulpmiddel opnemen van telefoongesprekken, welke vervolgens door een tolk zijn vertaald van een Fuzhou-dialect in het Engels danwel in het Mandarijn. Het aldus verkregen resultaat is vervolgens door een andere tolk vertaald in de Nederlandse taal en opgenomen in de zogenaamde tapverslagen. Deze tapverslagen bevatten een woordelijke weergave van het gesprek danwel een kennelijk door de tolk gemaakte samenvatting van de inhoud van het gesprek.

In het merendeel van de tapverslagen is de identiteit van (één van de) verdachten als (één van de) deelnemers aan het telefoongesprek vermeld.

Daarbij doen zich drie verschillende situaties voor:

a. die waarbij de deelnemer(s) aan een telefoongesprek door middel van het noemen van een naam wordt (worden) geïdentificeerd;

b. die waarbij is aangegeven dat identificatie door stemherkenning door de betrokken tolk heeft plaats gevonden. Uit het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, dat op verzoek van de rechtbank is uitgebracht, blijkt, dat niet zonder meer kan worden uitgegaan van de betrouwbaarheid van de stemherkenning door de tolken.

c. die waarbij de deelnemer(s) aan het telefoongesprek wordt (worden) geïdentificeerd, maar waarbij niet duidelijk is geworden hoe de identificatie heeft plaats gevonden, terwijl in het gesprek geen namen worden genoemd. Uit de verhoren van de tolken daaromtrent kan evenmin worden opgemaakt hoe deze identificatie heeft plaatsgevonden.

De rechtbank zal voor het bewijs slechts die verslagen van afgeluisterde telefoongesprekken als "ander geschrift" laten meewerken, indien:

1. de deelnemer(s) door middel van het noemen van een naam wordt (worden) geïdentificeerd;

2. op grond van de inhoud van andere bewijsmiddelen (bijv. observaties en/of camerabeelden en/of verklaringen) de identiteit van ten minste één van de deelnemers aan dat gesprek vaststaat en

3. voorts de inhoud van het betreffende gesprek uit een oogpunt van beantwoording van de bewijsvraag voldoende steun vindt in de inhoud van andere bewijsmiddelen.

Het onder 2. en 3. gestelde vindt ook toepassing in het geval dat geen woordelijk verslag van het telefoongesprek is opgenomen, maar een samenvatting van de inhoud van het gesprek is weergegeven.

De rechtbank is voorts van oordeel dat

- niet is gebleken dat dit dwangmiddel zonder voldoende grond is toegepast;

- de gesprekken op rechtmatige wijze zijn afgeluisterd;

- met betrekking tot de kwaliteit van de door de tolken gemaakte vertalingen niet is gebleken dat er voldoende redenen zijn om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van dit bewijsmateriaal.

Illegale vreemdeling

Het geven van hulp bij het verblijf van personen in Nederland is strafbaar als deze hulp verstrekt wordt aan personen die wederrechtelijk hier te lande verblijven. Verdachte moet van de wederrechtelijkheid van dat verblijf op de hoogte zijn of ernstige reden hebben te vermoeden dat hiervan sprake is.

Dat de betrokken vreemdelingen daadwerkelijk wederrechtelijk in Nederland verbleven leidt de rechtbank af uit de verklaringen van de betrokken vreemdelingen zelf en/of het feit dat zij niet in het Vreemdelingen Administratie Systeem(VAS) voor kwamen en/of uit de modus operandi.

Winstbejag

Voorts is voor strafbaarheid noodzakelijk dat de hulp aan personen bij het zich verschaffen van toegang tot en/of het verblijven in Nederland gegeven wordt uit winstbejag. Uit de stukken betrekking hebbend op de diverse zaken leidt de rechtbank af dat de betrokken vreemdelingen voor hun reis en/of aansluitend verblijf in Nederland (hoge) geldbedragen betaalden aan - mededaders van - verdachte. Voorts blijkt uit een aantal afgeluisterde telefoongesprekken dat ook door verdachte over geldbedragen en betalingen is gesproken. Gelet hierop, alsmede gelet op de omstandigheden dat verdachte en/of zijn mededaders zonder kosten gebruik mochten maken van woningen welke kennelijk met het oog op het plegen van de ten laste gelegde mensensmokkel waren gehuurd en/of daarbij kosteloos kost en inwoning genoten en/of zakgeld ontvingen en/of konden delen in de met de transporten behaalde winst en/of tegen een zeer geringe vergoeding over arbeidskrachten kon beschikken en nu niet aannemelijk is geworden dat verdachte uit louter ideële motieven heeft gehandeld, neemt de rechtbank aan dat verdachte heeft gehandeld uit winstbejag.

Per 1 januari 2005 is artikel 197a van het Wetboek van Strafrecht gewijzigd door het laten vervallen van het begrip winstbejag in lid 1 van genoemd artikel.

Deze wijziging heeft onmiddellijke werking. Ten opzichte van artikel 197a(oud) van genoemd wetboek betekent de wijziging van de tekst van het artikel voor de verdachte een minder gunstige strafrechtelijke positie. De rechtbank zal derhalve overeenkomstig het gestelde in artikel 1 van het Wetboek van Strafrecht bij haar beoordeling van de bewijsbaarheid van de ten laste gelegde transporten aansluiting zoeken bij artikel 197a(oud) van genoemde wet.

Voorzover aan verdachte ten laste is gelegd, kort gezegd, het behulpzaam zijn van een vreemdeling bij het verblijven in Nederland, zal de rechtbank het "nieuwe" artikel 197a lid 2 toepassen, aangezien toepassing van dit artikel geen voor de verdachte ongunstiger situatie oplevert. In dat geval geldt onverkort dat bewezen moet worden dat verdachte uit winstbejag heeft gehandeld.

7. STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZEN VERKLAARDE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van:

een ander uit winstbejag behulpzaam zijn bij het verschaffen van verblijf in Nederland, terwijl hij weet dat dat verblijf wederrechtelijk is, meermalen gepleegd.

8. MOTIVERING VAN DE STRAF

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon van de verdachte.

De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen:

Verdachte heeft tezamen met een ander onderdak verschaft aan personen van wie zij wist dat deze illegaal in Nederland verbleven. Hierdoor hebben verdachte en haar mededader bijgedragen aan het frustreren van het beleid van de Nederlandse overheid met betrekking tot het verblijf van illegalen in Nederland.

Verdachte heeft gehandeld tegen betaling, om daarmee zelf voordeel te behalen. Aldus is door haar uit winstbejag gehandeld. Het handelen uit winstbejag vergroot het risico dat de belangen van de illegale vreemdelingen ondergeschikt worden gemaakt aan het behalen van winst.

Dit is een ernstig feit waarop naar het oordeel van de rechtbank in beginsel niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Bij het bepalen van de strafmaat houdt de rechtbank in het voordeel van de verdachte rekening met de omstandigheid dat verdachte een ondergeschikte rol heeft gespeeld en voorts dat verdachte blijkens een op haar betrekking hebbend uittreksel uit het Algemeen documentatieregister d.d. 29 maart 2005 niet eerder terzake van soortgelijke delicten is veroordeeld.

De rechtbank houdt voorts rekening met de omstandigheid dat verdachte door haar werk en/of privé-omgeving mogelijk opnieuw in contact zou kunnen komen met personen die illegaal in Nederland aanwezig zijn, waardoor er mogelijk sprake zou kunnen zijn van vrees voor herhaling. Daarin vindt de rechtbank reden een deel van de op te leggen vrijheidsstraf voorwaardelijk op te leggen met daaraan verbonden een proeftijd.

Alles afwegend acht de rechtbank na te noemen straf passend en geboden.

9. TOEGEPASTE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 57 en 197a van het Wetboek van Strafrecht.

10. BESLISSING

De rechtbank:

Verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert de hierboven in de rubriek STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZEN VERKLAARDE vermelde strafbare feiten.

Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

Veroordeelt de verdachte voor het bewezen verklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van 90 (NEGENTIG) DAGEN.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Beveelt dat van deze straf een gedeelte, groot 45 (VIJFENVEERTIG) DAGEN niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt beslist.

Stelt daarbij een proeftijd van twee jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J. Westdorp, voorzitter,

mr. B. Franke en mr. F.J. Lourens, rechters,

in tegenwoordigheid van W. Veenstra en mr. A. de Graag, griffiers, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 mei 2005.