Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2005:AT4997

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25-04-2005
Datum publicatie
03-05-2005
Zaaknummer
04/2419
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Nu conform de aanvraag is beslist op een vrijstellingsverzoek ingevolge de Wet Bpf 2000 is het bezwaar een nieuwe aanvraag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2007, 89
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE ROTTERDAM

Meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Reg.nr.: BC 04/2419- HAM1

Uitspraak

in het geding tussen

Center Parcs Europe N.V., gevestigd te Rotterdam, eiseres,

gemachtigde: mr. O.F. Blom, advocaat te Nieuwegein,

en

de Stichting Pensioenfonds Recreatie, verweerster.

1. Ontstaan en loop van de procedure

De Stichting Pensioenfonds voor de Verblijfrecreatie heeft per 1 januari 2005 haar naam gewijzigd in de Stichting Pensioenfonds Recreatie, terwijl zij blijkens de stukken voorafgaande aan de hierna aan te duiden besluiten eerder de volgende naam voerde: Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Verblijfsrecreatie. Verweerster en haar rechtsvoorgangsters worden hierna aangeduid als verweerster.

Bij besluit van 15 mei 2003 (verzonden op 6 juni 2003) heeft verweerster een zogeheten afwikkelingsvrijstelling van verplichte deelneming in de Stichting Pensioenfonds voor de Verblijfrecreatie (hierna ook: het fonds) aan Center Parcs N.V. verleend. Dit besluit strekt ertoe dat aan alle werknemers die bij Center Parcs N.V. in dienst zijn getreden voor 1 januari 2001, met uitzondering van de werknemers die vanwege een afstandsverklaring niet deelnemen aan de eigen pensioenregeling en die werknemers die verplicht hebben deelgenomen in de pensioenregeling van het Pensioenfonds Horeca en Catering, onder voorwaarden, van deelneming zijn vrijgesteld.

Tegen dit besluit heeft de gemachtigde van eiseres bij brief van 16 juli 2003 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 1 juli 2004 (verzonden op 2 juli 2004) heeft verweerster het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft de gemachtigde van eiseres bij brief van 9 augustus 2004, aangevuld bij brief van 8 september 2004, beroep ingesteld.

Verweerster heeft bij brief van 20 oktober 2004 een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van eiseres heeft bij brief van 25 januari 2005 nog een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 februari 2005. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en diens kantoorgenoot mr. T.J. Zuiderman. Voorts is namens eiseres verschenen H.H.M. Rijnen, manager compensation & benefits bij eiseres. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door A.S. Hofland, werkzaam bij verweerster. Voorts is namens verweerster verschenen G.M. Metske werkzaam bij de voormalig administrateur van verweerster.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en heeft eiseres en verweerster in de gelegenheid gesteld nadere stukken te verstrekken waaruit kan worden opgemaakt of en in hoeverre eiseres kan worden aangemerkt als de werkgever die is betrokken bij het primaire besluit van 15 mei 2003.

Partijen hebben vervolgens nadere stukken ingediend en hebben nadien desgevraagd toestemming gegeven voor het doen van uitspraak zonder nadere zitting.

2. Overwegingen

2.1. Wettelijk kader

Met ingang van 1 januari 2001 is de Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds (hierna: Wet Bpf) komen te vervallen met de inwerkingtreding van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 (hierna: Wet Bpf 2000).

Ingevolge artikel 39, eerste lid, van de Wet Bpf 2000 beslist de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de Minister) op een aanvraag tot het verplichtstellen van deelneming in een bepaald bedrijfstakpensioenfonds ontvangen voor de inwerkingtreding van artikel 2, eerste lid, volgens het ten tijde van de ontvangst van de aanvraag geldende recht.

Ingevolge artikel 39, derde lid, van de Wet Bpf 2000 wordt een verplichting tot het deelnemen in een fonds op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel 2, eerste lid, aangemerkt als een verplichtstelling op grond van artikel 2, eerste lid.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet Bpf 2000, kan de Minister op aanvraag van het georganiseerde bedrijfsleven binnen een bedrijfstak, dat naar zijn oordeel een belangrijke meerderheid van de in die bedrijfstak werkzame personen vertegenwoordigt, deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds voor één of meer bepaalde groepen van personen die in de betrokken bedrijfstak werkzaam zijn, verplicht stellen.

Ingevolge artikel 13 van de Wet Bpf 2000:

1. heeft het bedrijfstakpensioenfonds tot taak het verlenen en het intrekken van vrijstellingen van de verplichtstelling;

2. kan het bedrijfstakpensioenfonds aan de vrijstelling voorschriften verbinden;

3. worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld met betrekking tot de gevallen waarin en de voorwaarden waaronder het bedrijfstakpensioenfonds vrijstelling van de verplichtstelling verleent, kan verlenen, intrekt en kan intrekken alsmede met betrekking tot de voorschriften die het bedrijfstakpensioenfonds aan de vrijstelling kan verbinden.

Het Vrijstellingsbesluit Wet Bpf 2000 (hierna: Vrijstellingsbesluit 2000) bevat regels als bedoeld in artikel 13, derde lid, van de Wet Bpf 2000.

Ingevolge artikel 2 van het Vrijstellingsbesluit 2000, zoals die bepaling luidde tot 1 oktober 2004, wordt op verzoek van een werkgever door een bedrijfstakpensioenfonds aan alle werknemers van die werkgever, met ingang van de dag dat de verplichtstelling in werking treedt respectievelijk als gevolg van gewijzigde bedrijfsactiviteiten op hem van toepassing wordt, vrijstelling verleend, indien de werknemers van die werkgever al deelnemen in een pensioenregeling die al tenminste zes maanden voor het moment van indiening van de aanvraag tot verplichtstelling van kracht was respectievelijk indien de werkgever voor zijn werknemers al een pensioenvoorziening heeft getroffen die al ten minste zes maanden voor het moment dat de verplichtstelling op hem van toepassing wordt, van kracht was.

Artikel 2, eerste lid, van de Wet Bpf 2000 luidt per 1 oktober 2004 als volgt:

“Op verzoek van een werkgever wordt door een bedrijfstakpensioenfonds voor alle werknemers of een deel van de werknemers van die werkgever, met ingang van de dag dat de verplichtstelling in werking treedt respectievelijk als gevolg van gewijzigde bedrijfsactiviteiten op hem en zijn werknemers van toepassing wordt, vrijstelling verleend, indien:

a. die werknemers van die werkgever al deelnemen in een pensioenregeling die ten minste zes maanden voor het moment van indiening van de in behandeling genomen aanvraag tot verplichtstelling, van kracht was; of

b. indien de werkgever voor die werknemers al een pensioenvoorziening heeft getroffen die al ten minste zes maanden voor het moment dat de verplichtstelling op hem en zijn werknemers van toepassing wordt, van kracht was.”.

In de Staatscourant van 29 december 2000 (Scrt. 2000, 252, p. 26 en verder) is - onder meer - het volgende opgenomen:

“Bij besluit van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 21 december 2000, nr. 99/36358, Arbeidsinspectie, Centraal Kantoor, Afdeling Collectieve Arbeidsvoorwaarden, is krachtens artikel 3, eerste lid, van de Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds de deelneming in de Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Verblijfsrecreatie zoals in het besluit is bepaald onder I verplicht gesteld voor:

I. de werknemers, die in loondienst zijn bij de werkgever, die in hoofdzaak activiteiten verricht die behoren tot de verblijfsrecreatie.

1. Voorzover een werkgever een onderneming exploiteert, dat niet in hoofdzaak activiteiten verricht die tot de verblijfsrecreatie behoren, is deze verplichtstelling alleen van toepassing op de werknemers die activiteiten verrichten op het terrein van de verblijfsrecreatie, tenzij deze werknemers bij de aanvang van deze verplichtstelling reeds onder de verplichtstelling van een ander Bedrijfspensioenfonds vallen, met inachtneming van het gestelde onder 3. van deze verplichtstelling.

Een onderneming wordt geacht in hoofdzaak activiteiten in de verblijfsrecreatie te verrichten, indien de omzet uit de verblijfsrecreatie meer dan 50% van de totale omzet uitmaakt.

Werkgever

Onder werkgever wordt verstaan de natuurlijke of de rechtspersoon, die een onderneming exploiteert, waarin activiteiten worden verricht in de verblijfsrecreatie.

2. Verblijfsrecreatie

Onder verblijfsrecreatie wordt verstaan het bieden van gelegenheid tot verblijf buiten de eigen woning in tent, caravan of vergelijkbaar kampeermiddel, danwel in bungalow, appartement of vergelijkbare accommodatie, al dan niet in privé-eigendom van de gast, danwel in groepsaccommodatie voor met name vakantie of ontspanning, van minimaal één overnachting, al dan niet in combinatie aangeboden met diverse voorzieningen te weten winkels, horeca, sport- en spelaccommodatie en andere recreatieve voorzieningen.

Onder verblijfsrecreatie wordt niet verstaan het hotel-, het restaurant-, het café- en het pension- en kamerverhuurbedrijf.

3. Horeca-activiteiten

In afwijking van het gestelde onder 1. van deze verplichtstelling, is deze verplichtstelling eerst met ingang van 1 januari 2000 eveneens van toepassing op de werknemers die in loondienst zijn van de werkgever en die werkzaamheden verrichten op grond waarvan op deze werknemers tot 1 januari 2000 de verplichtstelling van de Stichting Bedrijfspensioenfonds voor het Horecabedrijf van toepassing is.

[..]

Dit besluit treedt in werking twee dagen na die van publicatie in de Staatscourant.”.

Blijkens de Staatscourant van 8 augustus 2003 (Scrt. 2003, 151, pagina 17 en verder) is bovenstaande verplichtstelling ingaande 10 augustus 2003 in zoverre gewijzigd dat onder de verplichtstelling de werknemers in loondienst van een werkgever die in hoofdzaak activiteiten verricht in de verblijfsrecreatie

en/of zweminrichting vallen.

2.2. Feiten die als vaststaand worden aangenomen

Bij brief van 8 november 1999 heeft Center Parcs N.V. verweerster verzocht om vrijstelling van deelneming aan het fonds. In dit verband is aangevoerd dat Center Parcs N.V. te maken heeft met diverse collectieve arbeidsregelingen en dat zij thans streeft naar een eenduidige regeling voor alle medewerkers waartoe zij een nieuwe flexibele eigen pensioenregeling heeft getroffen die aan alle werknemers is aangeboden.

Bij brief van 27 juni 2000 heeft verweerster Center Parcs N.V. bericht geen dispensatie te zullen verlenen omdat de regeling van Center Parcs N.V. niet gelijkwaardig is aan de regeling van het fonds en dat Center Parcs N.V. als lid van de Recron gebonden is aan deelneming vanaf de aanvangsdatum 1 april 1999, maar dat omtrent die ingangsdatum overleg mogelijk is.

In haar brief van 28 juni 2000 geeft Center Parcs N.V. aan dat zij drie mogelijkheden heeft: bezwaar maken, haar eigen regeling aanpassen of zich aansluiten bij het fonds. Zij geeft aan voorkeur te hebben voor aansluiting, zij het niet per 1 april 1999, maar eerst per 1 januari 2001, terwijl zij voorts de ‘housekeeping medewerkers’ van De Eemhof, Het Meerdal en De Kempervennen vooralsnog niet wenst aan te sluiten. Zij stel voor hieromtrent in overleg te treden.

Center Parcs N.V. heeft met betrekking tot deze drie opties een advies laten opstellen door prof. dr. E. Lutjens. Die heeft Center Parcs N.V. op 25 juli 2000 onder meer bericht dat er op dat moment geen sprake is van een verplichtstelling tot deelneming aan het fonds als bedoeld in de Wet Bpf en dat hem geen al dan niet algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst bekend is die voor Center Parcs N.V. niettemin een verplichting tot deelneming aan het fonds met zich brengt.

In haar memo van 3 januari 2001 - waarin het fonds is aangeduid als BPF VR - bericht Center Parcs N.V. verweerster onder meer het volgende:

“Het traject met Nationale Nederlanden is afgerond. Op basis van de uitkomst van de onderhandelingen welke wij met Nationale Nederlanden hebben gevoerd kunnen wij het navolgende mededelen:

-Alle, 400, (CAO) medewerkers die vanaf 1 januari 2001 indiensttreden kunnen wij onderbrengen bij het BPF VR.

- 830, (CAO)medewerkers met een afstandsverklaring kunnen wij vanaf 1 januari 2001 onderbrengen bij het BPF VR.

- Deelnemers die voorheen niet opgenomen zijn in de pensioenregeling (500) van Center Parcs maar deelnemen aan de pensioenregeling van BPF Horeca kunnen wij vanaf 1 januari 2001 onderbrengen bij het BPF VR. Wij willen in overleg met het SBH kijken naar de mogelijkheid om deze groep medewerkers reeds vanaf 1 januari 2000 bij het BPF VR onder te brengen.

- Deelnemers (1000) niet vallende onder bovengenoemde categorieen blijven tot 1 januari 2004 bij Nationale Nederlanden, op dat moment eindigt het contract tussen nationale Nederlanden en Center Parcs. Center Parcs heeft de intentie om, met ingang van 1 januari 2001, de regeling waaronder zij vallen gelijk te maken aan de voorwaarden van het BPF VR, Center Parcs onderzoekt hier momenteel de consequenties van.”.

In haar brief van 29 januari 2001 bericht verweerster Center Parcs N.V. onder meer het volgende:

“Naar aanleiding van uw brief van 3 januari 2001, waarin u een voorstel doet op welke wijze Center Parcs aansluiting zou kunnen realiseren bij het Bedrijfspensioenfonds voor de Verblijfsrecreatie (BPF-V), wil ik u graag informeren over het besluit van het bestuur van het fonds in deze, zoals vastgesteld in de vergadering van het bestuur van 23 januari jl.

Het bestuur van het Bedrijfspensioenfonds voor de Verblijfsrecreatie (BPF-V) kan instemmen met uw voorstel. Wel verzoekt het bestuur de in het huidige voorstel gemaakte intenties en voorbehouden om te zetten in concrete toezeggingen en inspanningsverplichtingen.

Teven stemt het bestuur in met deelname met ingang van 1 januari 2001 van zowel de medewerkers die vanaf 1 januari 2001 in dienst treden als de medewerkers met een afstandsverklaring. Voor de groep werknemers die deelnamen aan de pensioenregeling van het Bedrijfspensioenfonds voor de horeca, zal worden gestreefd naar aansluiting per 1 januari 2001, mits dit ook voor u aanvaardbaar is. Tenslotte zal aan de groep werknemers die tot 1 januari 2004 onder de pensioenregeling van de Nationale Nederlanden blijven, dispensatie worden gegeven op voorwaarde dat de regeling in ieder geval per 1 januari 2001 gelijkwaardig zal worden gemaakt. Bovendien geldt als voorwaarde bij de dispensatie dat jaarlijks indexatie zal plaatsvinden.

Graag gaan wij nader in op de effectuering van uw voorstel in het geplande overleg op 6 februari 2001.

Voorts heeft het bestuur gesproken over de mogelijkheid van collectieve waarde-overdracht. Het bestuur heeft op grond van de huidige situatie het standpunt uitgesproken hieraan geen medewerking te willen verlenen.”.

In haar memo van 5 maart 2001 bericht Center Parcs N.V. verweerster - onder meer - het volgende:

“In aansluiting op ons schrijven van 3 januari 2001 en uw reactie 29 januari 2001, kunnen wij u als volgt berichten.

1. Cao medewerkers die vanaf 1 januari 2001 in dienst treden bij Center Parcs worden vanaf deze datum ondergebracht bij het BPF VR. Betreffende medewerkers worden voor of vanaf datum indiensttreding geïnformeerd.

2. Medewerkers met een afstandsverklaring worden vanaf 1 januari 2001 eveneens ondergebracht bij het BPF VR. Deze groep medewerkers is hierover inmiddels schriftelijk geinformeerd.

3. Center Parcs medewerkers die voorheen deelnamen aan de pensioenregeling van BPF Horeca worden met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2000 ondergebracht bij het BPF VR. De heer Uijen heeft aangegeven dat in uw schrijven van 29 januari abusievelijk de toetredingsdatum van 1 januari 2001 stond vermeld, dit moest zijn 1 januari 2000.

4. Deelnemers niet vallende onder bovengenoemde categorien blijven in ieder geval tot 1 januari 2004 bij Nationale Nederlanden. De regeling waar zij onder vallen wordt gelijk gemaakt aan de voorwaarden van BPF VR. Hierover worden momenteel onderhandelingen met Nationale Nederlanden gevoerd.”.

Center Parcs N.V. en verweerster hebben nadien nog gecorrespondeerd over de vraag welk bedrijfspensioenfonds het uitlooprisico met betrekking tot premievrije deelname bij arbeidsongeschiktheid voor het jaar 2000 draagt.

Bij besluit van 15 mei 2003 wordt het primaire besluit als bedoeld in rubriek 1 afgegeven. Na bezwaar door eiseres volgt het aan Center Parcs N.V. gerichte bestreden besluit als vermeld in rubriek 1, waartegen door eiseres beroep is ingesteld.

Na de schorsing van het onderzoek ter zitting heeft eiseres stukken overgelegd met betrekking tot de rechtsopvolging van Center Parcs N.V., waarbij zij zich op het standpunt stelt rechtsopvolgster van Center Parcs N.V. te zijn.

2.3. Bestreden besluit en standpunten van partijen

Verweerster heeft in het bestreden besluit overwogen dat:

- de ondernemingsactiviteiten van Center Parcs N.V. vallen onder de werkingsfeer van de verplichtstelling door de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid , zodat vanaf 1 januari 2001 sprake is van verplichte aansluiting van Center Parcs N.V. bij het fonds;

- de afwikkelingsvrijstelling die op 15 mei 2003 is verleend volledig overeenkomt met hetgeen door Center Parcs N.V. is verzocht;

- het Vrijstellingsbesluit 2000 geen afwijking van de voormalige Vrijstellingsregeling beoogt te bewerkstellingen waar het gaat om de mogelijkheid van de werkgever om voor slechts een deel van de werknemers te verzoeken om vrijstelling;

- voor een beroep op verplichte vrijstelling een tijdige en gelijkwaardige eigen pensioenregeling vereist is;

- het oorspronkelijke verzoek op basis van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan worden verruimd gedurende de behandeling door het bestuursorgaan, maar dit leidt niet tot een gegrond bezwaar omdat de groepen waarop de verruiming van de aanvraag ziet niet voldoen aan het vereiste in artikel 2 van het Vrijstellingsbesluit 2000 dat die werknemers al deelnemen in de eigen, tijdige en ten minste gelijkwaardige pensioenregeling en dat evenmin is gebleken dat met terugwerkende kracht daarin is voorzien of zal worden voorzien.

Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat zij:

- niet wordt geraakt door de verplichtstelling door de staatssecretaris ingaande 1 januari 2001, omdat zij voordien vrijwillig, derhalve op contractuele basis, was aangesloten. Indien dit toch het geval mocht zijn, mocht zij gelet op de trage besluitvorming van verweerster ervan uitgaan dat niettemin sprake was van vrijwillige verzekering;

- reeds op 8 november 1999 formeel heeft verzocht om vrijstelling van alle medewerkers van het Center Parcs concern, de afwijzing daarvan destijds geen basis had in enige verplichtstelling, zodat dit algehele verzoek om vrijstelling nadien van kracht is gebleven, temeer omdat nimmer een formeel verzoek om partiële vrijstelling is gedaan;

- voldoet aan alle vereisten voor toepassing van artikel 2 van het Vrijstellingsbesluit 2000 en verweerster dienaangaande geen discretionaire bevoegdheid toekomt en zij, teneinde dubbele verzekering te voorkomen, eerst na het verlenen van algehele vrijstelling alle medewerkers onderbrengt bij de eigen pensioenvoorziening.

2.4. Beoordeling

Hoewel verweerster in haar brief van 29 januari 2001 Center Parcs N.V. heeft bericht dat het bestuur van verweerster in haar vergadering van 23 januari 2001 heeft besloten dat zij kan instemmen met het verzoek om kortgezegd afwikkelingsvrijstelling ziet de rechtbank geen aanleiding reeds die brief als het besluit tot het verlenen van de in geding zijnde afwikkelingsvrijstelling aan te merken. In dit verband overweegt zij dat in die brief melding wordt gemaakt van een nader overleg op 6 februari 2001 inzake de effectuering van de verzochte vrijstelling en dat verweerster gelet op de verdere toonzetting van die brief blijkbaar niet heeft beoogd een definitief besluit te nemen omtrent vrijstelling. De rechtbank is derhalve van oordeel dat het besluit van 15 mei 2003, dat uitdrukkelijk als zodanig is bedoeld, moet worden aangemerkt als de uiteindelijke verlening van een afwikkelingsvrijstelling.

De rechtbank stelt vast dat de correspondentie tussen Center Parcs N.V. en verweerster heeft geresulteerd in het besluit van 15 mei 2003 dat met het bestreden besluit in stand is gelaten en dat in het besluit van 15 mei 2003 Center Parcs N.V. is aangeduid als de werkgever die heeft verzocht om vrijstelling. De rechtbank ziet gelet hierop aanleiding om Center Parcs N.V. als belanghebbende bij dat besluit aan te merken. Uit de na de schorsing van het onderzoek ter zitting overgelegde stukken is naar het oordeel van de rechtbank voldoende gebleken dat eiseres in dezen als rechtsopvolgster van Center Parcs N.V. moet worden aangemerkt.

Met betrekking tot de vraag naar de omvang van de in artikel 7:11 van de Awb besloten liggende heroverweging overweegt de rechtbank als volgt.

Eiseres heeft aangevoerd dat verweerster met het besluit van 15 mei 2003 gehouden was een beslissing op de oorspronkelijke eerste aanvraag van Center Parcs N.V. van 8 november 1999 te nemen. De rechtbank kan die stelling niet volgen. Zoals de rechtbank eerder heeft overwogen is een bedrijfstakpensioenfonds uitsluitend als een bestuursorgaan aan te merken voorzover het een beslissing neemt als bedoeld in artikel 13 van de Wet Bpf 2000. Nu eerst per 1 januari 2001 (voor een deel van de werknemers terugwerkend tot 1 januari 2000) een besluit tot verplichte deelneming voorligt met betrekking tot de verblijfsrecreatie, tot welke bedrijfstak eiseres behoort, kon verweerster ten tijde van dat verzoek geen vrijstellingsbesluit nemen als bedoeld in het destijds geldende artikel 5, tweede lid, van de Wet Bpf. Er kan dan ook met de brief van 8 november 1999 geen sprake zijn van een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb.

Het besluit van verweerster van 27 juni 2000 op dat verzoek is overigens wel een rechtshandeling, zij het een privaatrechtelijke. Gelet op artikel 93, aanhef en onder c, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kon Center Parcs N.V. dienaangaande de kantonrechter adiëren. Zij heeft dit niet gedaan. Zij heeft daarentegen, nadat zij ingevolge het besluit van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 21 december 2000 van rechtswege deelnam aan het fonds en - anders dan zij stelt - niet vrijwillig, verweerster verzocht al haar medewerkers gefaseerd bij haar onder te brengen.

Met het besluit van 15 mei 2003 heeft verweerster uiteindelijk precies datgene ingewilligd wat Center Parcs N.V. blijkens haar memo’s van 3 januari 2001 en 5 maart 2001 aan verweerster had verzocht. Het bezwaar tegen dat besluit kan dan ook niet zijn gericht tegen het niet volledig inwilligen van het verzoek. Anders dan verweerster in het bestreden besluit heeft overwogen, strekt artikel 7:11 van de Awb niet zover dat met de heroverweging buiten de oorspronkelijke aanvraag wordt getreden.

Nu eiseres met haar bezwaarschrift wil bereiken dat haar als rechtsopvolgster van Center Parcs N.V. in afwijking van haar oorspronkelijke verzoek volledige vrijstelling wordt verleend, is het bezwaar een primaire aanvraag en vormt de beslissing van verweerster een primaire beslissing op dat nieuwe verzoek. Tegen het bestreden besluit, dat is genomen voor invoering van artikel 7:1a van de Awb, moet ingevolge artikel 7:1 van de Awb derhalve eerst bezwaar worden gemaakt alvorens beroep kan worden ingesteld. Het beroepschrift moet derhalve (tevens) als een bezwaarschrift worden aangemerkt. Daar verweerster reeds over een afschrift van het beroepschrift beschikt zal de rechtbank doorzending als bedoeld in artikel 6:15 van de Awb achterwege laten. Nu geen beslissing op bezwaar voorligt moet het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.

Met het oog op de te nemen beslissing op het bezwaar merkt de rechtbank op dat van de zijde van eiseres ter zitting uitdrukkelijk is gesteld dat zij slechts een beroep wenst te doen op de verplichte vrijstelling als neergelegd in artikel 2 van het Vrijstellingsbesluit 2000. Verweerster zal bij de heroverweging derhalve niet mede de onverplichte vrijstelling als bedoeld in artikel 6 van het Vrijstellingsbesluit 2000 hoeven te betrekken.

De rechtbank ziet aanleiding verweerster te veroordelen in de redelijkerwijs door eiseres gemaakte kosten met het instellen van beroep nu verweerster het bestreden besluit ten onrechte heeft gegoten in de vorm van een beslissing op bezwaar. De rechtbank stelt deze kosten vast op € 644,-.

3. Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep niet-ontvankelijk,

bepaalt dat verweerster aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 273,- vergoedt,

veroordeelt verweerster in de proceskosten tot een bedrag van € 644,- en wijst haar aan als de rechtspersoon die deze kosten aan eiseres moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Kruisdijk als voorzitter en mr. J.M. Hamaker en mr. J.A.F. Peters als leden.

De beslissing is, in tegenwoordigheid van mr. drs. R. Stijnen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 april 2005.

De griffier: De voorzitter:

Afschrift verzonden op:

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiseres wordt begrepen - en verweerster kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.