Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2005:AT4031

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15-04-2005
Datum publicatie
15-04-2005
Zaaknummer
10/000263-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tussenbeslissing in de strafzaak tegen de AIVD-tolk.

Vervolg 24 januari 2005.

Rechtbank verschaft raamwerk voor verdere aanpak.

Behandeling met gesloten deuren in verband met staatsveiligheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

meervoudige kamer

Parketnummer : 10/000263-04

Raadslieden : mrs. Böhler en M. Pestman

Beslissing in de strafzaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte:

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1970 te [geboorteplaats] te Marokko,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres: [adres]

ten tijde van de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichtingen Rijnmond, Huis van Bewaring “De IJssel” te Krimpen aan den IJssel,

naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 8 april 2005.

Verdachte heeft zich op die terechtzitting laten vertegenwoordigen door zijn raadslieden. De raadslieden hebben op de terechtzitting onder meer de navolgende kwesties ter beoordeling aan de rechtbank voorgelegd. De rechtbank heeft hierop als volgt beslist.

1. Geheimhouding

1.2. De voorwaarden (zoals neergelegd in de beschikking ontheffing ex artikel 86, eerste lid Wiv 2002 d.d 4 maart 2005, en de brief d.d. 24 maart 2005, beiden opgesteld door [hoofd van de algemene inlichtingen en veiligheidsdienst]

Door de raadslieden is allereerst betoogd dat de door de AIVD opgestelde voorwaarden waaronder de verdachte van zijn geheimhoudingsplicht is ontheven deze ontheffing ingrijpend beperken. Met name geldt dat voor de drie voorwaarden expliciet genoemd onder punt 22 van de pleitnota, te weten dat verdachte ook aan zijn raadslieden geen identiteit prijs mag geven van medewerkers of van menselijke bronnen van de AIVD, dat het overleg alleen mag gaan over hetgeen in het procesdossier is opgenomen en dat de ontheffing uitsluitend geldt voor die gegevens die strikt noodzakelijk zijn voor zijn verdediging.

De rechtbank deelt die opvatting niet. Niet valt namelijk in te zien welk verdedigingsdoel c.q. noodzakelijkheid zou kunnen worden gediend met het bespreekbaar maken van de identiteit van medewerkers of menselijke bronnen van de AIVD. Dat voorts het overleg alleen mag gaan over hetgeen in het procesdossier is opgenomen - en dus betrekking hebbend op de concrete verdenkingen jegens de verdachte - is eveneens evident. Dat de ontheffing tenslotte alleen geldt voor die gegevens die strikt noodzakelijk zijn voor de verdediging klinkt ook niet verrassend, waarbij de rechtbank er van uitgaat dat dit voldoende ruimte biedt voor eventuele bewijsverweren.

Gelet op het hierboven overwogene ziet de rechtbank derhalve niet in dat er sprake is van de door de raadslieden zo gevreesde situatie dat de AIVD zich zou mengen in het overleg met de cliënt en zou bepalen welke stukken aan het dossier zouden kunnen worden toegevoegd. Immers, de officier van justitie bepaalt dit laatste, en zo dit zou worden geweigerd dient de rechtbank dit te toetsen aan verdedigingsbelang c.q. noodzakelijkheid, en, uiteindelijk, aan het aan het Charles Z. criterium (HR 19.12.95, NJ 96, 249).

1.3. Het delen van informatie.

Voorzover dit de rechtbank en de overige procesdeelnemers betreft is niet langer enig probleem aanwezig. Het delen van de info met de rechter-commissaris vindt in de beslotenheid van het kabinet plaats. De AIVD heeft daar, blijkens de aanvullende voorwaarden, geen bezwaar tegen. Voor wat betreft de openbare terechtzitting is de rechtbank van oordeel dat de te bespreken verdenkingen en onderliggende gegevens de veiligheid van de staat raken, zodat op basis van het bepaalde in artikel 269 lid 1 Wetboek van Strafvordering

-raadslieden en openbaar ministerie hebben zich hier al in een eerder stadium over uitgelaten- het onderzoek ter terechtzitting met betrekking tot de feiten en het horen van eventuele getuigen hierover achter gesloten deuren zal plaatsvinden.

Voorzover het de getuigenverhoren betreft vinden deze ofwel in de beslotenheid van het kabinet plaats ofwel ter zitting met gesloten deuren. Het is daarbij steeds aan de rechter te toetsen of vragen c.q. antwoorden toelaatbaar zijn, zulks eventueel nadat het Openbaar Ministerie daarop zijn visie daarop heeft gegeven waarbij deze zich desgewenst kan laten voorlichten door de AIVD. Deze gang van zaken is niet anders dan wanneer (bijv.) CIE medewerkers worden gehoord, zodat in casu indien een inbreuk plaatsvindt op de rechten van de verdachte deze niet significant anders is dan in het hiervoor omschreven geval, welke inbreuk wordt toegestaan door vaste jurisprudentie van Hoge Raad en EHRM (met name EHRM 25.09.01, NJ 03, 670). Een en ander geldt uiteraard - in aanvulling op het terzake onder 1.1. overwogene ook voor de identiteit van de AIVD medewerkers.

1.2. Ontheffing van de raadslieden

Of de raadslieden daadwerkelijk als verlengstuk van hun cliënt moeten worden gezien teneinde in de zin van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 (Wiv) te kunnen worden ontheven van hun geheimhoudingsplicht is een vraag die als gevolg van het door het Openbaar Ministerie ingenomen processuele standpunt terzake geen beantwoording (meer) behoeft. Waar het Openbaar Ministerie het standpunt van de AIVD (namelijk dat de raadslieden worden ontheven) kennelijk tot het hare maakt (ter zitting van 8 april 2005) is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een situatie waarin het Openbaar Ministerie de raadslieden de facto vrijwaart. Aldus bevinden de raadslieden zich in de vrijwaringsituatie waarom zij hebben gevraagd, indien en voor zover zij zich aan de voorwaarden houden.

2. Getuigen

Door de officier van justitie en de verdediging is aan de rechtbank verzocht zich onder meer uit te laten over de door de rechter-commissaris te horen getuigen en de daarmee samenhangende open dan wel gesloten terugverwijzing naar de rechter-commissaris voor nader onderzoek en met betrekking tot eventueel te horen AIVD getuigen de te volgen procedure en de manier waarop deze getuigen kunnen worden ondervraagd.

2.1. De door de rechter-commissaris te horen getuigen en de daarmee samenhangende open dan wel gesloten terugverwijzing naar de rechter-commissaris voor nader onderzoek

De rechtbank zal de rechter-commissaris opdragen in ieder geval de getuigen te horen waarover procespartijen het eens zijn en waartoe door de rechter-commissaris in een eerder stadium reeds was besloten te weten: [getuige], [getuige], [getuige], [getuige], [getuige], [getuige], [getuige], [getuige], [getuige], [getuige] alsmede [getuige], [getuige] en [getuige] (plv. hoofd AIVD).

Van de door de verdediging in hun brief aan de rechter-commissaris d.d. 15 maart 2005 gevraagde AIVD getuigen zijn 7 personen ([getuige], [getuige], NN 10, NN 11, NN 13, NN 14 en NN 18) in een eerder stadium reeds door het openbaar ministerie (anoniem) gehoord buiten aanwezigheid van de verdediging. De rechtbank zal de rechter-commissaris opdragen deze getuigen te horen.

Met betrekking tot de overige 15 (AIVD) getuigen (NN 1 t/m 9, NN 15, 16, 17, 19, 20, 22) alsmede de gevraagde getuige Mohammed Tahir overweegt de rechtbank dat omtrent het horen van een of meer van de personen als getuige dan wel het inwinnen van ambtsberichten van de AIVD door de rechter-commissaris kan worden beslist na het horen van [getuige]. Van de verdediging mag in dat stadium worden verlangd dat zij dan aan de rechter-commissaris nader toelichten over welk(e) onderwerp(en) zij de getuigen nog willen doen horen en (in grote lijnen) welke vragen zij daarbij willen stellen, opdat de rechter-commissaris in staat zal zijn de strafvorderlijke relevantie van de gevraagde verhoren te beoordelen.

2.2. De te volgen procedure en de manier waarop deze getuigen kunnen worden ondervraagd

De rechtbank is van oordeel dat de identiteit van de eventueel te horen AIVD medewerkers ingevolge het bepaalde in artikel 190 lid 2 Wetboek van Strafvordering dient te worden afgeschermd.

Teneinde eventuele verhoren door de rechter-commissaris van AIVD medewerkers als getuige te bespoedigen komt het de rechtbank gewenst voor dat aan een AIVD medewerker - die in staat is belangen van nationale veiligheid per concrete vraag aan getuigen te beoordelen en officier van justitie omtrent het eventueel om die reden doen beletten van het stellen van die vragen c.q. de beantwoording ervan te adviseren - op de voet van artikel 187c Wetboek van Strafvordering bijzondere toegang tot het bijwonen van de verhoren wordt verleend.

3. Verzoek toevoeging stukken

De verdediging heeft aan de rechtbank verzocht om toevoeging van een aantal nieuwe stukken aan het procesdossier. Deze stukken zullen hieronder worden besproken.

3.1. Ongecensureerde AIVD-stukken

De verdediging heeft allereerst verzocht om toevoeging aan het dossier van ongecensureerde AIVD-stukken. Deze stukken zijn, in opdracht van de Officier van Justitie, reeds in deels zwartgemaakte vorm aan het dossier toegevoegd. De verdediging stelt zich op het standpunt dat kennisneming van deze AIVD-stukken in ongecensureerde vorm essentieel is voor de verdediging.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het noodzakelijk is dat de zwartgemaakte delen van deze documenten geheim worden gehouden. Dit betreffen volgens haar stukken tekst waarin inlichtingen worden gegeven waarvan de geheimhouding door het belang van de staat of diens bondgenoten wordt geboden, dan wel inlichtingen die van een verboden plaats (het kantoor van de AIVD) afkomstig zijn en tot de veiligheid van de staat of diens bondgenoten in betrekking staan.

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

Het onthouden van de verdediging van de ongecensureerde AIVD-stukken levert naar het oordeel van de rechtbank onmiskenbaar een beperking op voor de verdediging. Ook de rechtbank ervaart deze beperking. Immers, deze AIVD-stukken betreffen de kern van de verdenking die jegens verdachte is gerezen, aangezien hij - kort gezegd - wordt verdacht van het in strijd met de wet openbaar maken/verstrekken van deze stukken. Het gegeven dat deze stukken deels zijn gecensureerd levert mogelijk een belemmering op bij de beantwoording van de vraag of deze stukken als staatsgeheim in de zin van de artikelen 98 en 98a Wetboek van Strafrecht dienen te worden beschouwd.

Het belang van de verdediging om deze AIVD-stukken in ongecensureerde vorm aan het dossier toegevoegd te zien is naar het oordeel van de rechtbank aldus evident.

Daar staat tegenover dat de rechtbank ook erkent dat de officier van justitie in verband met de staatsveiligheid een belang heeft om deze stukken slechts gecensureerd in het procesdossier te voegen.

Zoals de rechtbank al in haar tussenbeslissing van 24 januari 2005 heeft overwogen, is in een uitspraak van het EHRM van 23 april 1997 (Van Mechelen vs. Nederland, NJ 1997, 635) bepaald dat vanwege het belang van het recht op een eerlijke behandeling inbreuken op verdedigingsrechten alleen zijn toegestaan indien deze strikt noodzakelijk zijn. In dat geval moet worden gekozen voor de minst vergaande inbreuk. Voor zover, bijvoorbeeld wegens redenen van staatsveiligheid, beperkingen worden aangebracht op verdedigingsrechten van de verdachte dienen deze - zo mogelijk - op voldoende wijze te worden gecompenseerd.

Bij het afwegen van de belangen van de verdediging tot openbaarmaking van de stukken en die van de officier van justitie tot het deels geheim houden daarvan is de rechtbank thans van oordeel dat de belangen van de officier van justitie moeten prevaleren.

Daarmee heeft de rechtbank mede in aanmerking genomen dat de bewuste AIVD-stukken inmiddels reeds in een minder gezwarte vorm in het dossier zijn gevoegd (de rechtbank verwijst hierbij naar het ambtsbericht van het hoofd AIVD van 15 maart 2005). Grote delen van de stukken zijn nu leesbaar en naar het oordeel van de rechtbank is het op dit moment ten minste mogelijk om de aard en strekking van deze stukken te begrijpen.

Daarnaast geldt dat in onderhavige zaak in elk geval nog als getuigen zullen worden gehoord het plaatsvervangend hoofd van het AIVD en de voormalig landelijk terreurofficier. Voorshands is de rechtbank van oordeel dat het horen van deze getuigen voldoende compensatie moet kunnen bieden voor eerder genoemde beperking in de rechten van de verdediging.

Het verzoek van de verdediging tot het voegen als processtuk van de ongecensureerde AIVD-stukken wordt thans aldus afgewezen.

Mocht in de loop van het onderzoek blijken dat voor de beoordeling van eerder genoemde vraag, te weten of deze stukken al dan niet als staatsgeheim dienen te worden beschouwd, onthulling van de zwartgemaakte delen desondanks onontbeerlijk is, dan zal de rechtbank later anders kunnen beslissen op dit punt.

3.2. Voicemailbericht

Voor wat betreft het voicemail bericht heeft de officier van justitie ter terechtzitting van 8 april jl. aangegeven dit met de AIVD op te nemen, zodat de rechtbank er vooralsnog van uit gaat dat hierover (thans) geen beslissing behoeft te worden genomen.

3.3. De computer back ups

De rechtbank begrijpt uit de stand van zaken dat de gegevens welke hieruit (kunnen) voortvloeien thans nog niet aan het dossier kunnen worden toegevoegd. Ook op dit punt zal de rechtbank derhalve (thans) nog niet kunnen beslissen.

3.4. Intern onderzoek van de AIVD

Op de voet van de jurisprudentie van de Hoge Raad inzake de Centrale Toetsingscommissie van het Openbaar Ministerie (onder meer: HR 20.06.00, NJ 00, 502) is de rechtbank van oordeel dat geen rechtsregel valt aan te wijzen welke het Openbaar Ministerie verplicht deze interne AIVD stukken aan het dossier toe te voegen. Meer specifiek is de rechtbank van oordeel dat het optreden van de AIVD uit het dossier blijkt - zie de aangiftes - en de rechter dit optreden zelfstandig dient te beoordelen.

3.5. Brief Ministers aan de Tweede Kamer van 10 november 2004

De officier van justitie heeft toegezegd ter terechtzitting van 8 april jl. deze aan het dossier te zullen toe voegen.

De rechtbank zal de zaak terugverwijzen naar de rechter-commissaris voor het horen van de getuigen zoals genoemd onder 2.1.

Deze beslissing is genomen door mrs. Van der Groen, voorzitter, Scheffers en Van der Kaaij, bijgestaan door mr. Van der Kraan als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 april 2005.