Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2005:AT4013

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15-04-2005
Datum publicatie
15-04-2005
Zaaknummer
10/000012-02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ambtenarenbouwfraude

Verdachte heeft in strijd met zijn ambtsplicht giften aangenomen van een aannemersbedrijf.

Bewijsoverwegingen omtrent de giften en de strijd met de ambtsplicht.

Feit strafbaar/dader strafbaar/ werkstraf.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 363
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer van de berechte zaak: 10/000012-02

Datum uitspraak: 15 april 2005

Tegenspraak

VONNIS

van de RECHTBANK ROTTERDAM, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[naam],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres [adres].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 1 april 2005.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld is in de inleidende dagvaarding onder parketnummer 10/000012-02. Van deze dagvaarding is een kopie in dit vonnis gevoegd (bladzijden genummerd 1A tot en met 1C).

DE EIS VAN DE OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Van der Meijden heeft gerekwireerd:

- de bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde;

- de veroordeling van de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 240 uren, met aftrek van voorarrest.

DE GELDIGHEID VAN DE INLEIDENDE DAGVAARDING TEN AANZIEN VAN HET SUBSIDIAIR TENLASTEGELEGDE

Namens de verdachte is aangevoerd dat de dagvaarding ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde partieel nietig is. Aangevoerd is dat een ambtenaar niet zonder in strijd met zijn ambtsplicht te handelen zich minder strikt op kan stellen dan een ambtenaar behoort te doen. Dit impliceert de tegenstrijdigheid met de ambtsplicht. De tenlastelegging is op dit punt innerlijk tegenstrijdig.

De rechtbank is van oordeel dat het verweer terecht is gevoerd en bepaalt dat, voorzover van toepassing, de dagvaarding voor wat betreft het betreffende gedachtestreepje partieel nietig is.

DE ONTVANKELIJKHEID VAN DE OFFICIER VAN JUSTITIE IN DE VERVOLGING

De officier van justitie heeft bij requisitoir aangevoerd dat de onder primair ten laste gelegde periode beperkt dient te worden tot de periode van 8 maart 1996 tot 31 oktober 2001 en dat hij voor de rest van de ten laste gelegde periode niet-ontvankelijk in de vervolging verklaard dient te worden. De officier van justitie heeft hierbij aangevoerd dat de wet ten aanzien van artikel 363 Wetboek van Strafrecht (Sr) zodanig veranderd is dat onder het oude recht een strafbedreiging van twee jaren gevangenisstraf op overtreding van artikel 363 Sr stond en na de wetswijziging, die op 1 februari 2001 in werking trad, een strafbedreiging van vier jaren. Derhalve dient op grond van artikel 1 Sr de meest gunstige bepaling voor verdachte te gelden, te weten het oude recht, met het gevolg dat de verjaringstermijn voor artikel 363 oud Sr zes jaren bedraagt, aldus de officier van justitie.

De rechtbank overweegt hieromtrent het navolgende.

Op 1 februari 2001 is een nieuwe regelgeving in werking getreden. De strafbedreiging voor overtreding van artikel 362 Sr was drie maanden gevangenisstraf en is, na de wetswijziging, geworden twee jaren gevangenisstraf en de strafbedreiging voor overtreding van artikel 363 Sr was en is gebleven vier jaren gevangenisstraf. Gelet op het bepaalde in artikel 70 Sr, houdt dit in dat de verjaringstermijn voor overtreding van artikel 362 Sr zes jaren was en is gebleven en voor overtreding van artikel 363 Sr twaalf jaren was en is gebleven.

Daarnaast overweegt de rechtbank dat zowel voor artikel 362 als 363 Sr geldt dat het bestanddeel “wetende” na de wetswijziging is aangepast in “wetende of redelijkerwijs vermoedende”. Nu er sprake is van een uitbreiding in de gestelde vorm omtrent de strafwaardigheid van de feiten, dient conform artikel 1 Sr de meest gunstige bepaling voor verdachte toegepast worden. Het oude recht is derhalve van toepassing. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde betekent dit dat de verjaringstermijn zes jaar bedraagt en mitsdien vervolging mogelijk is voor zover het feiten betreft die met ingang van 8 maart 1996 zouden zijn begaan. De officier van justitie zal mitsdien niet ontvankelijk in de vervolging worden verklaard voor de daaraan voorafgaande periode.

Namens de verdachte is aangevoerd dat de officier van justitie niet ontvankelijk is in de vervolging nu op tal van punten van de vervolgingsrichtlijn van het Openbaar Ministerie is afgeweken. Strafvervolging is een te zwaar middel dat op geen enkel moment het doel rechtvaardigde en derhalve is er sprake van strijd met de beginselen van een goede procesorde.

De rechtbank overweegt hieromtrent het navolgende.

De verdediging verwijst naar de gepubliceerde richtlijn van het Openbaar Ministerie inzake opsporing en vervolging ambtelijke corruptie. Hierin is vermeld dat er door het Openbaar Ministerie niet voor een standaard vervolgingsmodel is gekozen omdat een dergelijk min of meer absoluut model kan leiden tot beslissingen en (standaard)motiveringen die onvoldoende recht doen aan het concrete geval. Strafrechtelijke aanpak van ambtelijke corruptie is, volgens de richtlijn, nu eenmaal meer maatwerk dan confectie. Bij het nemen van de maat wordt in elk geval gelet op een aantal factoren. Uiteindelijk zal aan de hand van deze niet limitatieve opsomming van factoren van geval tot geval de opportuniteit van de vervolging worden bepaald.

De rechtbank is van oordeel, dat gezien de inhoud van de richtlijn verdachte, mede gelet op de aard van zijn functie binnen Rijkswaterstaat die meebracht dat hij bevoegd was zelfstandig belangrijke beslissingen te nemen, uit deze openbaar gemaakte vervolgingsrichtlijn van het Openbaar Ministerie niet zonder meer heeft mogen afleiden dat hij niet zou worden vervolgd.

Het voorgaande leidt ertoe dat de officier van justitie niet ontvankelijk in de vervolging zal worden verklaard ten aanzien van de in het subsidiair ten laste gelegde vermelde pleegperiode, voor zover vallend vóór 8 maart 1996. Voor het overige is de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging.

BEWEZEN

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan op de wijze als vermeld in de hierna ingevoegde bijlage (bladzijden genummerd 2A en 2B), die van dit vonnis deel uitmaakt.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezen verklaarde tenlastelegging kennelijke verschrijvingen voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

BEWIJS

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de inhoud van wettige bewijsmiddelen. De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist, in een bijlage bij dit vonnis worden opgenomen.

BEWIJSOVERWEGINGEN

Door verdachte is ontkend dat hij geldbedragen heeft aangenomen, dat hij de club Yab Yum op kosten van [aannemersbedrijf] heeft bezocht, en dat hij een golfset geschonken heeft gekregen van [aannemersbedrijf] Ook ontkent verdachte gefêteerd te zijn in het Okura hotel. Verdachte erkent samen met [naam] van [aannemersbedrijf] reizen te hebben gemaakt naar Zwitserland en naar Schotland en Ierland, waar werkbezoeken werden gebracht en waar in beide gevallen ook werd gegolfd, alles op kosten van [aannemersbedrijf] Verdachte beschouwt deze reizen niet als geschonken, daar hij er immers, aldus verdachte, niets tastbaars in zijn zak aan heeft overgehouden.

De rechtbank overweegt het navolgende.

Ten aanzien van het geldbedrag, het bezoek aan uitgaansgelegenheid Okura en een golfset is de rechtbank van oordeel dat voor deze onderdelen van de tenlastelegging onvoldoende wettig bewijs aanwezig is zodat verdachte van deze onderdelen vrijgesproken dient te worden.

Uit het verhandelde ter terechtzitting en het strafdossier kan worden vastgesteld:

a. dat verdachte en de directeur [naam] samen met het vliegtuig van het aannemingsbedrijf [aannemersbedrijf] naar de betreffende bestemmingen zijn gevlogen;

b. dat verdachte deze reizen niet vooraf aan zijn leidinggevenden heeft gemeld. Alleen de reis naar Schotland/Ierland zou achteraf aan zijn leidinggevende zijn gemeld;

c. dat de tijd die op de betreffende bestemmingen zakelijk is doorgebracht aanmerkelijk korter is dan de tijd die aan niet zakelijke aangelegenheden is besteed;

d. dat de zakelijke bezoeken geen betrekking hadden op projecten die op die momenten in directe relatie stonden met de werkzaamheden voor Rijkswaterstaat van verdachte;

e. dat op 11 juli 1996 de creditcard van de onderneming [aannemersbedrijf] is gebruikt bij Yab Yum;

f. dat de besteding die avond zodanig is geweest dat de limiet (fl. 15.000,00) van de creditcard overschreden werd en dat [naam] een dag later het openstaande restant van de rekening eveneens met deze creditcard heeft betaald;

g. dat de heer [naam], destijds werkzaam bij [aannemersbedrijf], heeft verklaard dat hij met verdachte daar die avond is geweest;

h. dat de heer [naam] heeft verklaard dat het fêteren van verdachte welbewust beleid was van [aannemersbedrijf], en dat [naam] kort na het bezoek van hem en verdachte aan Yab Yum aan de leiding van [aannemersbedrijf] heeft gemeld: “We hebben [naam verdachte]” of woorden van die strekking.

Uit bovenstaande feiten en omstandigheden, in onderling verband en in samenhang beschouwd met wat overigens blijkt uit het strafdossier, volgt dat de reizen en het bezoek aan de uitgaansgelegenheid Yab Yum moeten worden aangemerkt als giften aan verdachte, welke giften door verdachte zijn aangenomen.

De rechtbank verwerpt dan ook het verweer dat niet kan worden gesproken van giften.

Voorts heeft de verdediging betwist dat sprake is geweest van enige opzet bij verdachte.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de navolgende feiten en omstandigheden verdachte moet hebben begrepen en ook heeft begrepen dat bovenbedoelde giften aan hem werden gedaan, teneinde een tegenprestatie te verkrijgen zoals in de bewezenverklaring is omschreven.

1. Verdachte bekleedde als directeur van de hoofdafdeling Realisatie Werken in de provincie Noord-Holland binnen Rijkswaterstaat een belangrijke positie.

Verdachte is eindverantwoordelijk voor de uitvoering van alle nieuwe werken en voor de uitvoering van grote onderhoudswerken. Verdachte stuurde op de hoofdlijnen en gaf direct leiding aan de verschillende directeuren van de hoofdafdelingen. Ook had verdachte een aantal financiële verantwoordelijkheden en was hij budgethouder voor zijn hoofdafdeling en de werken die daar in uitvoering zijn en was hij hiervoor getrapt gemandateerd. De directeur Realisatie Werken is opdrachtgever voor de feitelijke uitvoering van een werk door zijn hoofdafdeling. Hij had een belangrijke rol bij het gunnen van opdrachten aan aannemers.

Met betrekking tot meerwerk was de directeur Realisatie Werken de opdrachtgever binnen zijn mandaat. Het mandaat van de directeur was dat hij maximaal 50% van de totale aanneemsom als meerwerk mag opdragen.

2. De giften zijn gedaan door of namens [aannemersbedrijf], welk bedrijf werkzaamheden uitvoerde voor Rijkswaterstaat en dat er ook volgens verklaring van zijn directeur [naam] alle belang bij had goodwill te kweken bij verdachte, die uit hoofde van zijn functie van directeur Realisatie Werken functioneel voor [aannemersbedrijf] was;

3. De omstandigheden waaronder de giften werden gedaan; alleen verdachte ging mee op reis en verdachte meldde de reizen of bezoeken in ieder geval niet van tevoren aan zijn leidinggevende, wijzen op het karakter van de giften. De aannemer had belang bij een goede relatie met verdachte in verband met het verkrijgen van opdrachten.

4. Zoals verdachte ter terechtzitting heeft verklaard, geldt bij Rijkswaterstaat de richtlijn dat van derden cadeaus mochten worden aangenomen mits deze een waarde van fl. 50,00 of fl. 100,00 niet te boven gingen. Verdachte heeft voorts ter terechtzitting verklaard dat het gevaar van het aannemen van grotere giften er in kon bestaan dat men chantabel kon worden gemaakt. Voor verdachte moet duidelijk zijn geweest dat de reizen, waaraan hij niet betaalde, hem een aanzienlijk voordeel hebben gebracht. Voor het bezoek aan Yab Yum, waar door [naam] en verdachte samen meer dan fl. 15.000,00 is verteerd, is geen enkele zakelijke rechtvaardiging te vinden, in elk geval niet bij deze verdachte. Niet van belang is of verdachte heeft geweten welke bedragen exact zijn betaald. Verdachte moet hebben begrepen dat het betalen van dit clubbezoek chantabel kon maken en dat dit middel werd ingezet met de bedoeling om hem “plat” te maken.

Onder deze omstandigheden moet verdachte hebben begrepen dat hij de giften kreeg, opdat hij, in strijd met zijn ambtsplicht, anders dan om zakelijke redenen de aannemer zou bevoordelen door zich minder strikt op te stellen tegenover deze aannemer.

De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de verdediging dat geen sprake is van opzet, in elk geval dat verdachte niet heeft geweten met welk doel deze giften hem werden gedaan.

Door en namens verdachte is uitvoerig betoogd dat de verschillende aanbestedingen en meerwerkopdrachten aan [aannemersbedrijf] niets onregelmatigs in hielden, en dat die opdrachten, los gezien van de beweerde giften, ook op zakelijke gronden naar [aannemersbedrijf] zouden zijn gegaan. Van handelen in strijd met verdachtes ambtsplicht kan derhalve geen sprake zijn, aldus de verdediging.

De rechtbank overweegt hieromtrent het navolgende:

Er is niet pas sprake van strafbaarheid als na het aannemen van giften door de ambtenaar het daarmee beoogde handelen ook daadwerkelijk is gevolgd: voldoende is dat de ambtenaar - op het moment dat deze de gift aanneemt - weet dat de gift is gedaan om hem te bewegen in de toekomst iets te doen of na te laten (zie Hoge Raad 22.2.2000, NJ 2000/557).

Zoals hierboven overwogen is de rechtbank van oordeel dat dit laatste het geval is. Het dossier biedt onvoldoende aanknopingspunten voor de vaststelling dat verdachte een tegenprestatie heeft geleverd.

STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Het bewezen feit levert op:

primair

als ambtenaar een gift aannemen, wetende dat deze hem gedaan wordt teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen of na te laten, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is strafbaar.

STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is strafbaar.

MOTIVERING VAN DE STRAF

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft als ambtenaar giften aangenomen van een aannemer die regelmatig werken uitvoerde voor Rijkswaterstaat. Verdachte heeft op kosten van de aannemer een reis naar Schotland/Ierland en een reis naar Zwitserland gemaakt en hij heeft op kosten van die aannemer de uitgaansgelegenheid Yab Yum bezocht.

Verdachte heeft door het aannemen van giften het in hem gestelde vertrouwen beschaamd en zijn positie misbruikt voor persoonlijk voordeel. Het vertrouwen dat de burger in het overheidsapparaat moet kunnen stellen, is geschaad en de waardigheid van de overheid is aangetast. De burger moet er immers op kunnen vertrouwen dat beslissingen van de overheid op objectieve gronden worden genomen. Daarnaast moet de overheid kunnen vertrouwen op de loyaliteit, betrouwbaarheid en onkreukbaarheid van de eigen ambtenaren.

Naar het oordeel van de rechtbank kan op dergelijk strafbaar handelen in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Gelet op de vergaande ambtenaarrechtelijke sancties die aan verdachte zijn opgelegd en de gevolgen die deze sancties voor hem met zich brengen, ziet de rechtbank aanleiding af te zien van het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en zal zij aan verdachte een werkstraf voor de maximale duur opleggen.

Daarnaast heeft de rechtbank bij het bepalen van de op te leggen straf tevens in het voordeel van verdachte in aanmerking genomen dat hij blijkens het op zijn naam gesteld uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 8 februari 2005 niet eerder is veroordeeld.

De rechtbank acht net als de officier van justitie het primair ten laste gelegde bewezen, doch de rechtbank zal verdachte van een aantal onderdelen vrijspreken. De rechtbank ziet echter, gezien de positie van verdachte binnen Rijkswaterstaat en hetgeen hiervoor is overwogen, geen reden om een lagere dan door de officier van justitie geëiste straf op te leggen.

Alles afwegend acht de rechtbank na te noemen straf passend en geboden.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 1, 9, 22c, 22d, 57, 363 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart de dagvaarding ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde waar het betreft het onderdeel “het zich ten opzichte van (vertegenwoordigers van (een) tot het Koop-concern behorend(e) en/of aan het Koop-concern gerelateerd(e) bedrijf/bedrijven minder strikt opstellen dan hij, verdachte, volgens de voor hem geldende en van hem te verwachten objectiviteit zou behoren te doen” partieel nietig;

- verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde feit, voor zover betrekking hebbend op de periode vóór 8 maart 1996;

- verklaart de officier van justitie voor het overige ontvankelijk in de vervolging;

- verklaart bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

- stelt vast dat het primair bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

- verklaart de verdachte terzake van het feit strafbaar;

- legt de verdachte een taakstraf op bestaande uit een werkstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren; de te verrichten werkzaamheden dienen te bestaan uit werkzaamheden voorkomend bij instellingen aangesloten bij de Stichting Reclassering Nederland Arrondissement Rotterdam;

- met bevel tot aftrek van de door de verdachte in verzekering doorgebrachte tijd volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek 228 (tweehonderdachtentwintig) uren te verrichten werkstraf resteert;

- met bevel dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 114 dagen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Koning, voorzitter,

en mrs. Van Boven en Van der Kaaij, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Jonker-den Besten, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 15 april 2005.