Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2005:AT2698

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25-02-2005
Datum publicatie
29-03-2005
Zaaknummer
NIOAW 04/1999
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Herleven recht op IOAW-uitkering en verhouding met WW-uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE ROTTERDAM

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Reg.nr.: NIOAW 04/1999-PEE

Uitspraak

in het geding tussen

[Belanghebbende], wonende te [woonplaats], eiser,

gemachtigde mr. F.A. van Breukelen, medewerker van FNV Ledenservice te Rotterdam,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bernisse, verweerder.

1. Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 6 februari 2003 is aan eiser en zijn echtgenote met ingang van 1 februari 2003 een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en (gedeeltelijk) arbeidsongeschikte werkloze werknemers (hierna: IOAW) toegekend.

Bij besluit van 29 september 2003 (verzonden op 30 september 2003) heeft verweerder de IOAW-uitkering van eiser en zijn echtgenote met ingang van 1 oktober 2003 opgeschort in verband met een eventuele aanvraag in het kader van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (hierna: IOAZ).

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 7 oktober 2003 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 9 december 2003 (verzonden op 11 december 2003) heeft verweerder eiser en zijn echtgenote medegedeeld dat de toegekende IOAW-uitkering met ingang van 1 oktober 2003 wordt ingetrokken.

Tevens is bij dit besluit medegedeeld dat het besluit tot opschorting van 25 september 2003 (rb: bedoeld zal zijn 29 september 2003) wordt ingetrokken.

Eiser is bij brief van verweerder van 16 december 2003 medegedeeld dat het bezwaar dat is ingediend tegen de opschorting geacht wordt mede gericht te zijn tegen het besluit van 11 december 2003.

Eiser heeft op 30 december 2003 aanvullende bezwaargronden tegen de intrekking van de IOAW-uitkering ingediend.

Op 22 maart 2004 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door verweerder op het bezwaar tegen het besluit van 9 december 2003.

Deze rechtbank heeft eisers beroep bij uitspraak van 29 april 2004 gegrond verklaard en bepaald dat verweerder binnen zes weken na verzending van het afschrift van deze uitspraak alsnog een besluit neemt op het bezwaar van eiser.

Bij besluit van 27 mei 2004 (verzonden op 28 mei 2004) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft eiser bij brief van 2 juli 2004 beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij brief van 25 november 2004 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 december 2004. Aanwezig waren eiser en zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. van Iterson, die werd bijgestaan door E.L. den Broeder.

2. Overwegingen

In dit geding dient te worden beoordeeld of het bestreden besluit, waarbij het bezwaar van eiser tegen de intrekking van zijn IOAW-uitkering ongegrond is verklaard, in rechte stand kan houden.

Aan de gedingstukken ontleent de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser exploiteerde vanaf 1974 een café. Daarnaast heeft hij tot hij in 1994, toen hij op 54-jarige leeftijd werkloos werd, als schilder in loondienst gewerkt. Op 29 juni 1999 heeft eiser verweerder verzocht om in aanmerking te komen voor een IOAW-uitkering nadat de maximale duur van de hem toegekende WW-uitkering was bereikt. Nadat een medewerker van verweerder eiser erop had gewezen dat zijn aanvraag geen kans maakte gelet op het inkomen uit onderneming, heeft eiser laten weten geen prijs meer te stellen op verdere behandeling van zijn aanvraag, waarna zijn aanvraag door verweerder buiten behandeling is gesteld. Tegen dit besluit heeft eiser geen rechtsmiddelen ingesteld. Begin 2003 heeft eiser zijn café verkocht waardoor eiser met ingang van 1 februari 2003 hieruit geen inkomen meer heeft.

Eiser en zijn echtgenote [...] hebben op 21 januari 2003 een uitkering ingevolge de IOAW aangevraagd. Verweerder heeft met ingang van 1 februari 2003 onder toepassing van de artikelen 2, onder a en 7 van de IOAW, aan eiser en zijn echtgenote een periodieke uitkering toegekend in het kader van de IOAW.

Uit de zich tussen de stukken bevindende rapportage van 24 september 2003 blijkt dat verweerder achteraf de mening is toegedaan dat de IOAW-uitkering ten onrechte is toegekend en dat bezien dient te worden of eiser en zijn echtgenote eventueel recht hebben op een IOAZ-uitkering met terugwerkende kracht vanaf 1 februari 2003. Om deze reden wordt de IOAW-uitkering voorlopig opgeschort wat eiser en zijn echtgenote is medegedeeld bij besluit van 29 september 2003.

Naar aanleiding van eisers bezwaarschrift heeft verweerder bij besluit van 9 december 2003 het besluit van 29 september 2003 ingetrokken en daarbij de toegekende IOAW-uitkering met ingang van 1 oktober 2003 ingetrokken in verband met achteraf gebleken ten onrechte verstrekking.

Verweerder heeft aan de commissie bezwaarschriften die over het bezwaar een advies heeft uitgebracht een rapport van het IMK, opgesteld in het kader van de IOAZ beoordeling, en een tweetal uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 20 februari 2001, 99/495 NIOAW en 99/2407 NIOAW met betrekking tot het zijn van werkloze werknemer, doen toekomen. In deze uitspraken heeft de Raad overwogen dat voor het begrip werkloze werknemer in beginsel aansluiting gezocht moet worden bij de WW, maar dat van dit uitgangspunt afgeweken kan worden wanneer uit onderzoek blijkt dat de belanghebbende door activiteiten in het kader van een bedrijf of als zelfstandige zo zeer in beslag wordt genomen, dat daardoor zijn beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt in feite heeft opgehouden te bestaan.

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit, onder verwijzing naar het advies van de commissie bezwaarschriften van 18 mei 2004, op het standpunt gesteld dat eiser, gelet op de in het IMK-rapport weergegeven omzetcijfers, volledig in het café werkzaam is geworden op het moment dat hij werkloos werd. Door verweerder wordt aangenomen dat eiser niet meer beschikbaar was voor de arbeidsmarkt.

Eiser heeft niet onderbouwd dat hij beschikbaar was voor de arbeidsmarkt. Met verwijzing naar genoemde uitspraken van de Centrale Raad van Beroep meent verweerder dat eiser geen werkloos werknemer was op het moment dat de WW-uitkering eindigde. Eiser kan derhalve nimmer recht op een IOAW-uitkering hebben gehad. De beoordeling in 1999 is dus reeds onjuist geweest. Er kan derhalve volgens verweerder dan ook geen sprake zijn van herlevend recht op grond van artikel 7 van de IOAW.

Eiser heeft in beroep aangevoerd dat hij al vanaf 1974 tezamen met zijn vrouw en naast zijn fulltime werkzaamheden als schilder in loondienst zijn café heeft geëxploiteerd. Eiser stelt niet méér in het café te zijn gaan werken na zijn werkloosheid. Hij is gedurende de periode dat hij een WW-uitkering ontving steeds beschikbaar geweest voor het aanvaarden van arbeid. Ook al was in de aanloop naar de verkoop van het bedrijf in 2003 het aantal uren dat door eiser is besteed aan het bedrijf enigszins toegenomen, toch bleef er sprake van beschikbaarheid voor arbeid.

Volgens eiser volgt uit de door verweerder aangehaalde uitspraken van de Centrale Raad van Beroep juist dat eiser wel aanspraak heeft op een uitkering ingevolge de IOAW.

Eiser geeft aan dat het IMK over de toename van de omzet heeft opgemerkt dat de oorzaak daarvan terug te voeren is naar een prijsverhoging en een plotselinge toename van jeugdige klanten.

In het verweerschrift is door verweerder het standpunt ingenomen dat er na het bereiken van de volledige uitkeringsduur van de WW inclusief verlengen, nimmer recht op een IOAW-uitkering is ontstaan, doordat eisers inkomen beduidend meer bedroeg dan de voor hem geldende grondslag. Omdat het recht dat niet heeft bestaan, kan het ook niet herleven.

Voorts handhaaft verweerder zijn standpunt dat eiser niet kan worden beschouwd als werkloze werknemer als bedoeld in artikel 2, onder a, van de IOAW en hij op die grond geen recht op uitkering heeft.

Ter zitting is door de gemachtigde van verweerder verduidelijkt dat verweerder zich thans primair op het standpunt stelt dat het recht op een IOAW-uitkering nimmer is ontstaan omdat eisers inkomen op 1 maart 1999 boven de grens lag en daarom ook niet kan herleven. Daarnaast is verweerder van mening dat eiser niet meer als werkloze werknemer kan worden beschouwd. Eiser is per 1 maart 1999 geen werkloze werknemer, maar zelfstandig ondernemer.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank laat in het midden of het primaire besluit van 9 december 2003 een besluit is in de zin van artikel 6:18 van de Awb, aangezien door eiser binnen 6 weken na dit besluit een (aanvullend) bezwaarschrift is ingediend.

In artikel 2, aanhef en onder a, van de IOAW is het volgende bepaald:

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder werkloze werknemer:

de persoon die:

1°. werkloos is en de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt;

2°. na het bereiken van de leeftijd van 50 jaar werkloos is geworden, en

3°. nadien de volledige uitkeringsduur bedoeld in hoofdstuk IIa van de Werkloosheidswet, inclusief een eventuele verlenging van deze duur op grond van art. 76 van die wet, heeft bereikt tenzij op dat tijdstip een maatregel van blijvend gehele weigering van de uitkering op grond van art. 27, eerste of tweede lid, van de Werkloosheidswet van toepassing is;

Ingevolge artikel 5 van de IOAW hebben recht op uitkering, indien het inkomen per maand minder bedraagt dan de overeenkomstig het derde, vierde en vijfde lid vastgestelde grondslag, onder anderen de werkloze werknemer en de echtgenoot met of zonder kinderen.

Ingevolge artikel 7 van de IOAW herleeft het recht op uitkering indien het recht op uitkering als gevolg van werkaanvaarding van de werkloze werknemer of de echtgenoot is geëindigd, en vervolgens opnieuw werkloosheid ontstaat.

Tussen partijen is niet in geschil dat eisers inkomen ten tijde in geding de in artikel 5 van de IAOW bedoelde grondslag niet te boven ging.

De rechtbank ontleent aan de wetsgeschiedenis van de IOAW het navolgende (artikel 7 was ten tijde van de behandeling van het wetsontwerp nog artikel 6 van de IO(A)W):

Memorie van Toelichting (TK 1985-1986, 19260, nr. 3, pag. 5):

'Tot de kring van rechthebbenden behoren in beginsel ook degenen die aan de bovengenoemde vereisten voldoen, doch niet direct na het verstrijken van de werkloosheidsuitkering aanspraak kunnen doen gelden op een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere werkloze werknemers.

Dit kan het geval zijn bij degene die aansluitend op de WW-termijn weer werk heeft aanvaard of vanwege het arbeidsinkomen van de partner. Bij intreding van werkloosheid van de betrokkene of de partner, ontstaat dan op een later tijdstip aanspraak op een IOW-uitkering.'

Memorie van Antwoord (EK 1986-1987, 19260, nr. 24, pag. 6):

'De voorgestelde IOAW voorziet in de minimumbehoefte van bepaalde groepen van personen die de maximale uitkeringsduur van de nWW hebben doorlopen. Het uitkeringsrecht ontstaat als de inkomsten uit of in verband met arbeid minder bedragen dan de toepasselijke grondslag en blijft gelden tot het bereiken van de 65-jarige leeftijd.

Dit beginsel is voor alle duidelijkheid ook in artikel 6 tot uitdrukking gebracht. Als eenmaal de volledige uitkeringsduur van de nWW is doorlopen, blijft de betrokkene tot aan zijn 65ste jaar werkloze werknemer in de zin van de IOAW. Dit geldt ook als hij na werkaanvaarding en hernieuwde werkloosheid niet opnieuw een volledige nWW-uitkeringsduur tot en met de vervolguitkering doorloopt. Een onderbreking van het recht op uitkering als gevolg van hogere inkomsten dan de grondslag tast herleving als zodanig niet aan, omdat de betrokkene werkloze werknemer in de zin van de IOAW blijft.'

Vallen de inkomsten later weg, dan wordt de uitkering hervat. Dit geldt eveneens als het gaat om het tijdelijk vervullen van een raadslidmaatschap, of als men zich op andere wijze tijdelijk arbeidsinkomsten boven de grondslag heeft verworven (zelfstandige/freelancer). Wij verwachten op dit punt geen interpretatieverschillen.

Nadere Memorie van Antwoord (EK 1986-1987, 19260, nr. 24a, pag. 6):

'Het herlevingsrecht vloeit voort uit de definitiebepaling van het begrip werkloze werknemer in artikel 2….De bedoeling van artikel 6 - het is al meerdere malen uiteengezet - is niet anders dan het eventuele misverstand te voorkomen, dat een IOAW'er na werkaanvaarding van welke aard ook, en vervolgens weer werkloosheid daaruit, opnieuw een volledige nWW-uitkeringsduur zou moeten doorlopen.'

Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat een IOAW-aanspraak niet noodzakelijkerwijs aansluitend aan de maximumduur van de toegekende WW-uitkering ontstaat, maar dat bepalend is of op het moment waarop aanspraak gemaakt wordt op een IOAW uitkering voldaan wordt aan de voorwaarden van artikel 2, aanhef en onder a, van de IOAW en de voorwaarden van artikel 5 van de IOAW.

Verweerder heeft dit miskend door te stellen dat eiser geen aanspraak kan maken op een IOAW-uitkering omdat hij niet aansluitend aan de maximum WW-duur recht had op een IOAW-uitkering en er daardoor geen recht is dat kan herleven. Verweerders primaire standpunt dient derhalve verworpen te worden.

Ten aanzien van verweerders subsidiaire standpunt overweegt de rechtbank dat niet in geschil is dat eiser ten tijde in geding nog geen 65 jaar en werkloos was, na het bereiken van de leeftijd van 50 jaar werkloos is geworden en nadien de volledige uitkeringsduur ingevolge de WW heeft bereikt. Eiser voldoet derhalve aan de in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van de IOAW gestelde voorwaarden en behoorde ten tijde in geding tot de kring der rechthebbenden onder deze wet.

Nu eiser tot de kring der rechthebbenden behoort en ten tijde in geding geen inkomen had dat de voor hem geldende grondslag te bovenging, wordt geoordeeld dat verweerder ten onrechte de IOAW-uitkering van eiser heeft ingetrokken. Het bestreden besluit dient, onder gegrondverklaring van het beroep, te worden vernietigd.

De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van de haar ingevolge artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht toekomende bevoegdheid te doen wat verweerder had behoren te doen en zal het primaire besluit herroepen voor zover het betrekking heeft op de intrekking van eisers uitkering.

Eiser heeft verzocht verweerder te veroordelen tot vergoeding van de schade. Nu eiser verder niet heeft onderbouwd waar deze schade uit bestaat ziet de rechtbank geen aanleiding om een schadevergoeding, anders dan wettelijke rente, toe te kennen.

Uit het voorgaande volgt dat verweerder nalatig is gebleven uitkering te betalen over de periode vanaf 1 oktober 2003. De rechtbank leidt uit het dossier af dat eisers uitkering maandelijks op de 28ste werd overgemaakt. De eerste dag waarop verweerder in gebreke is de uitkering te betalen, is derhalve 28 september 2003, zodat verweerder vanaf deze datum wettelijke rente verschuldigd is. Deze rente is verschuldigd tot aan de dag der algehele voldoening. Met de bruto-uitkering moet worden verrekend een eventuele ter vervanging daarvan aan eiser over de desbetreffende periode toegekende uitkering krachtens een andere wettelijke regeling. Voorts dient telkens na afloop van een jaar het bedrag waarover de wettelijke rente wordt berekend, te worden vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente.

De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep tot aan deze uitspraak redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank bepaalt de proceskosten op € 644,00 aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Van overige kosten waarop een veroordeling in de proceskosten betrekking kan hebben, is de rechtbank niet gebleken.

De rechtbank ziet tevens aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank bepaalt deze proceskosten op € 644,00 aan kosten van door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand. Van overige kosten waarop een veroordeling in de proceskosten in bezwaar betrekking kan hebben is de rechtbank niet gebleken.

3. Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt het bestreden besluit,

bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit, hetgeen in dit geval inhoudt dat het besluit van 9 december 2003 wordt herroepen zover het betrekking heeft op de intrekking van de IOAW-uitkering,

veroordeelt de gemeente Bernisse tot vergoeding aan eiser van de wettelijke rente overeenkomstig de in rubriek 2 van deze uitspraak aangegeven wijze,

wijst het verzoek tot schadevergoeding voor het overige af,

bepaalt dat de gemeente Bernisse aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 37,00 vergoedt,

veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1288,00 en wijst de gemeente Bernisse aan als de rechtspersoon die deze kosten aan eiser moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C.J. Peeck.

De beslissing is, in tegenwoordigheid van mr. H.T. van de Erve als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2005.

De griffier: De rechter:

Afschrift verzonden op:

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiser wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.