Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2005:AS8823

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
11-01-2005
Datum publicatie
07-03-2005
Zaaknummer
03/3468
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eenmalige extra storting maakt deel uit van heffingsgrondslag ingevolge de Kostenregeling Pensioen- en spaarfondsenwet 1993. Omvang geding.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 3:4, geldigheid: 2005-01-11
Algemene wet bestuursrecht 7:11, geldigheid: 2005-01-11
Algemene wet bestuursrecht 8:69, geldigheid: 2005-01-11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK TE ROTTERDAM

Meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Reg.nr.: BC 03/3468-KRD

Uitspraak

in het geding tussen

de Stichting Pensioenfonds Pharmachemie, gevestigd te Haarlem, eiseres,

gemachtigde: mr. W.J.R Okx, advocaat te Amsterdam,

en

de Pensioen- & Verzekeringskamer, verweerster,

gemachtigde: mr. A.J.P. Tillema, advocaat te Amsterdam.

1. Ontstaan en loop van de procedure

Bij factuur van 11 juni 2003, genaamd Kennisgeving Aanslag 2003, heeft verweerster eiseres een bedrag van € 7.107,- in rekening gebracht uit hoofde van de Kostenregeling Pensioen- en Spaarfondsenwet 1993 (hierna: de Kostenregeling).

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 4 juli 2003 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 15 oktober 2003 heeft verweerster het bezwaar afgewezen en de aanslag 2003 gehandhaafd.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft eiseres bij brief van 24 november 2003, aangevuld bij brieven van 30 december 2003 en 28 september 2004 beroep ingesteld.

Verweerster heeft bij brief van 10 februari 2004 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2004. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Voorts is namens haar verschenen A.M. van Wereld. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Voorts is namens verweerster verschenen mr. J.H. Klein Haneveld, werkzaam bij verweerster.

2. Overwegingen

2.1. Wettelijk kader

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h, van de Spaar- en Pensioenfondsenwet (hierna: PSW) wordt in deze wet en de daarop rustende bepalingen verstaan onder "bijdrage": iedere onder de naam van bijdrage, spaarbijdrage, premie, spaarpremie, inleg, contributie, koopsom, dan wel, indien de betaling in termijnen is overeengekomen, aflossing, of onder welke andere naam ook, ineens of periodiek verschuldigde geldsom bestemd voor de verzekering van pensioen of voor het sparen voor een uitkering bij wijze van oudedagsverzorging.

Ingevolge artikel 26 van de PSW zijn de pensioenfondsen en spaarfondsen verplicht tot vergoeding van de kosten, welke aan de uitvoering van deze wet verbonden zijn. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de Minister) stelt hiervoor nadere regelen vast.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder c, van de Kostenregeling wordt voor de toepassing van deze regeling verstaan onder heffingsgrondslag: de som van premies en directe beleggingsopbrengsten, beide zoals omschreven in staat 3.200, 3.201, 3.210 en 3.211 van Bijlage A behorende bij artikel 2, vierde lid, van het Besluit staten pensioenfondsen, met dien verstande dat de directe beleggingsopbrengsten worden bepaald op het bedrag voor aftrek van de afschrijving van de geactiveerde overrente.

In de eerste drie leden van artikel 3 van de Kostenregeling is bepaald dat:

1. de Pensioen- & Verzekeringskamer elk jaar de heffingsgrondslag van ieder fonds over het laatstverstreken jaar vast stelt. Onder laatstverstreken jaar wordt verstaan het jaar voorafgaande aan dat waarin de begroting, bedoeld in artikel 2, wordt opgesteld;

2. bij het vaststellen van de heffingsgrondslag de Pensioen- & Verzekeringskamer uit gaat van de door elk fonds over het betrokken jaar ingediende staten;

3. de heffingsgrondslag voor een fonds niet meer dan € 544.536.259,- bedraagt.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Kostenregeling brengt de Pensioen- & Verzekeringskamer de begrote kosten voor een jaar geheel of gedeeltelijk door middel van een aanslag in rekening bij de fondsen. De aanslag bestaat uit een vast bedrag van € 681,-, vermeerderd met een bedrag dat van jaar tot jaar wordt vastgesteld als een percentage van de heffingsgrondslag. Ingevolge het tweede lid van dat artikel wordt het percentage, bedoeld in het eerste lid, vastgesteld door de begrote kosten, verminderd met het totaal van de vaste bedragen, te delen door het totaal van de heffingsgrondslagen van alle fondsen tezamen.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van Kostenregeling kan de Pensioen- & Verzekeringskamer het vaste bedrag, bedoeld in artikel 5, eerste lid, verminderen, teneinde tegemoet te komen aan onbillijkheden van overwegende aard, die voor het fonds uit de aanslag mochten voortvloeien.

2.2. Feiten die als vaststaand worden aangenomen

Eiseres is een ondernemingspensioenfonds als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder c, van de PSW. In 2001 heeft de werkgever, naast de periodiek af te dragen premie, een extra storting gedaan van € 3.040,000,-. Dit bedrag is door eiseres meegenomen in de staten als bedoeld in het Besluit staten pensioenfondsen en vervolgens door verweerster meegenomen in de heffingsgrondslag.

Onbestreden is dat deze extra storting ziet op:

€ 500.000,- in verband met actuariële stijging premies;

€ 500.000,- in verband met waardedaling beleggingen;

€ 2.040.000,- in verband met onderdekking.

De met het bestreden besluit gehandhaafde in rubriek 1 vermelde aanslag 2003 ter hoogte van € 7.107,- is samengesteld uit een vast bedrag van € 681,- en een variabel deel, berekend als volgt: 0,1092 (het percentage als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Kostenregeling) vermenigvuldigd met € 5.885.000,- (de heffingsgrondslag).

2.3. Standpunten van partijen

In het bestreden besluit is onder meer overwogen dat (incidentele) extra stortingen evenals periodieke premies de functie en het doel hebben de financiële positie van het fonds te versterken. Extra stortingen zullen veelal dienen om tekorten aan te vullen die zijn (of zullen) ontstaan door onvoldoende periodieke premieafdrachten. Extra stortingen dienen daarom in de in artikel 1, aanhef en onder c, van de Kostenregeling genoemde staten te worden verantwoord en in de heffingsgrondslag te worden meegerekend.

Eiseres heeft in bezwaar verzocht het te betalen bedrag te verminderen met 0,1092% van € 3.040.000,-.

In het eerste aanvullende beroepschrift is de rechtbank verzocht om de (gehandhaafde) aanslag te herzien in die zin dat de variabele premie wordt vastgesteld op basis van de heffingsgrondslag van € 2.845.000,- waardoor deze wordt teruggebracht tot € 3.787,-. Daartoe is - voor zover thans nog van belang - aangevoerd dat de termen premies en aanvullende premies zien op doorlopende betalingen. In verzekeringstermen zou op een éénmalige storting nog eerder het etiket koopsom dan premie kunnen worden geplakt.

In het tweede aanvullend beroepschrift is aangevoerd dat:

- de storting van een bedrag van € 500.000,- in verband met waardedaling niet mee dient te tellen bij de vaststelling van de heffingsgrondslag. Indien sprake is van een negatief indirect rendement wegens waardedaling van de beleggingen dan leidt dat niet tot lagere premie, terwijl de extra storting ter compensatie van die waardedaling wel tot de heffingsgrondslag wordt gerekend. Dit leidt tot een dubbele heffing;

- pensioenfondsen die achtergestelde leningen aantrekken ten onrechte worden bevoordeeld boven fondsen die eigen vermogen aantrekken. Indien verweerster eenmalige stortingen wel tot de premies rekent dient zij dat eveneens te doen met achtergestelde leningen, waardoor het variabele heffingspercentage lager zou uitvallen en eiseres minder hoeft af te dragen;

- verweerster op billijkheidsgronden het vaste deel van de aanslag had kunnen verminderen of schrappen, indien zij meende vast te moeten houden aan een zeer ruime definitie van het begrip premie alsook meende achtergestelde leningen niet te moeten rekenen tot de heffingsgrondslag.

Op grond hiervan concludeert eiseres primair dat het variabele deel van de aanslag moet worden gebaseerd op een heffingsgrondslag die € 2.540.000,- lager uitpakt, danwel dat de heffingsgrondslag ten minste met € 500.000,- wordt verminderd. Subsidiair is zij van oordeel dat het heffingspercentage moet worden bijgesteld in neerwaartse richting en meer subsidiair is zij van mening dat het vaste deel van de kostenaanslag moet worden verminderd (tot nihil).

In het verweerschrift is - voor zover thans nog van belang - aangevoerd dat door de wetgever, gelet op de definitie van het begrip premie in artikel 1 van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf en van het begrip bijdrage in artikel 1 van de PSW, geen onderscheid is gemaakt tussen doorlopende betalingen en eenmalige stortingen. Ingevolge de Kostenregeling dient uit te worden gegaan van de premies als omschreven in de staten die jaarlijks door de pensioenfondsen worden ingediend. Ook in deze staten heeft de regelgever geen onderscheid gemaakt tussen eenmalige en periodieke betalingen. Eiseres heeft dienovereenkomstig de van belang zijnde staten ingevuld en verweerster heeft vervolgens dienovereenkomstig de heffingsgrondslag vastgesteld.

2.4. Beoordeling

Met betrekking tot de omvang van het geding overweegt de rechtbank - ambtshalve - het volgende. Gelet op artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), in verbinding met de artikelen 8:1, eerste lid, en 7:1, tweede lid, van de Awb, vormt de beslissing op bezwaar, althans hetgeen voorwerp zou moeten zijn van de beslissing op bezwaar, de buitenrand van het geschil in beroep. Het bezwaarschrift tegen de aanslag 2003 strekt er uitsluitend toe dat de heffingsgrondslag ten behoeve van het variabele deel van de aanslag met € 3.040.000,- wordt verminderd. De heroverweging van die beslissing zag gelet op artikel 7:11, eerste lid, van de Awb dan ook uitsluitend op de vraag of het variabele deel van de aanslag 2003 verminderd diende te worden ten gevolge van verlaging van de heffingsgrondslag. De in beroep opgeworpen subsidiaire vragen of de aanslag 2003 anderszins dient te worden verlaagd, namelijk door vermindering van het heffingspercentage of van het vaste deel, valt dan ook buiten de omvang van het geding nu dienaangaande geen beslissing van verweerster voorligt en ook niet behoort voor te liggen. Voorts heeft te gelden dat eiseres in beroep haar vordering met betrekking tot het variabele deel van de aanslag heeft verminderd, hetgeen, ingevolge artikel 8:69, eerste lid, van de Awb, de binnenrand van het geschil uitmaakt. De rechtbank zal haar beoordeling dan ook beperken tot hetgeen primair is gevorderd en hetgeen subsidiair en meer subsidiair is gevorderd buiten bespreking laten.

Met betrekking tot de vraag of verweerster terecht de eenmalige storting van € 2.540.000,- heeft betrokken in de vaststelling van de heffingsgrondslag voor de aanslag 2003 overweegt de rechtbank het volgende.

Onder de term bijdragen in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h, van de PSW vallen alle mogelijke bijdragen in de pensioen- en spaarsfeer, onder welke benaming dan ook. Gelet op de in die bepaling opgenomen zinsnede ‘iedere onder de naam van’ hebben premie en bijdragen dezelfde betekenis. Voorts wordt in die bepaling uitdrukkelijk geen onderscheid gemaakt tussen geldsommen die ineens dan wel periodiek verschuldigd zijn. Tenslotte heeft te gelden dat de Kostenregeling niet in afwijking daarvan onderscheid maakt tussen periodieke premiestortingen en eenmalige stortingen. Artikel 1, aanhef en onder c, van de Kostenregeling verwijst immers naar de staten als bedoeld in bijlage van het Besluit statenpensioenfondsen, welk besluit zelf is gebaseerd op artikel 28 van de PSW. Een dergelijk onderscheid ligt naar het oordeel van de rechtbank ook geenszins in de rede. Indien sprake is van een te lage premievaststelling in het verleden of een tekort anderszins, zal dit immers gerepareerd moeten worden met een periodieke verhoging of met een eenmalige storting. De rechtbank komt dan ook tot de slotsom dat verweerster een juiste invulling aan het begrip ‘de som van premies’ als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder c, van de Kostenregeling heeft gegeven.

Voor zover eiseres in beroep heeft willen aanvoeren dat de Kostenregeling zelf wegens het ontbreken van een wettelijke grondslag of wegens strijd met de redelijkheid (ten dele) buiten toepassing dient te worden gelaten bij het opleggen van een aanslag ingevolge de Kostenregeling, overweegt de rechtbank als volgt.

Artikel 26 van de PSW verplicht spaar- en pensioenfondsen tot vergoeding van de toezichtskosten conform nadere regelgeving door de Minister. Nu de Kostenregeling precies daarin voorziet is de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de Staatssecretaris) naar het oordeel van de rechtbank niet buiten zijn regelgevende bevoegdheid getreden.

Daarbij heeft te gelden dat de Staatssecretaris met inachtneming van artikel 26 van de PSW tot verschillende kostenregelingen zou kunnen komen. Bij de vraag of een beschikking kan worden gebaseerd op een dergelijk algemeen verbindend voorschrift speelt derhalve het in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb neergelegde evenredigheidsbeginsel mogelijk een rol. Die toetsing is, gelet op de vaste jurisprudentie terzake, waaronder de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 30 januari 2001 (LJN: AA9860), een marginale. Uitsluitend indien de Staatssecretaris, bij afweging van alle betrokken belangen, niet in redelijkheid tot de vaststelling van de Kostenregeling heeft kunnen komen, zal deze buiten toepassing gelaten dienen te worden.

De rechtbank is niet gebleken dat de Staatssecretaris bij het vaststellen van de heffingsmaatstaf niet in redelijkheid de som van premies en directe beleggingsopbrengsten zoals omschreven in artikel 1, aanhef en onder c, van de Kostenregeling tot uitgangspunt heeft kunnen nemen. Voorts acht de rechtbank het geenszins in strijd met het verbod van willekeur dat achtergestelde leningen (onder voorwaarden) niet worden meegeteld bij de som van premies. Het gaat hier immers om vreemd vermogen, terwijl de extra storting die eiseres in 2001 van de deelnemende onderneming ontving gerekend dient te worden tot het eigen vermogen van eiseres. Terugbetaling van de schuld zal zelf ook niet drukken op de premiesom. Tot slot overweegt de rechtbank in dit verband nog dat de vraag of in ieder concreet geval de toezichtskosten en de hoogte van de heffing in een juiste danwel evenredige verhouding staan bij deze beperkte redelijkheidstoets geen rol speelt.

De rechtbank zal het beroep gelet op het vorenstaande ongegrond verklaren.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Kruisdijk als voorzitter en mr. L.A.C. van Nifterick en mr. A.R. Hartmann als leden.

De beslissing is, in tegenwoordigheid van mr. drs. R. Stijnen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2005.

De griffier: De voorzitter:

Afschrift verzonden op:

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiseres wordt begrepen - en verweersters rechtsopvolgster De Nederlandsche Bank N.V. kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.