Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2005:AS4574

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-01-2005
Datum publicatie
02-02-2005
Zaaknummer
04/1298
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CBB:2006:AZ4248, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Vrijstelling onder voorwaarden van verplichte deelneming aan de Stichting Vroegpensioen Brandstoffenbedrijf. Omvang heroverweging en omvang geding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2005/117

Uitspraak

RECHTBANK TE ROTTERDAM

Meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Reg.nr.: BC 04/1298-PEE

Uitspraak

in het geding tussen

Gulf Oil Nederland B.V., gevestigd te Den Helder, eiseres,

gemachtigde mr. E. Nunes, advocaat te Amsterdam,

en

het bestuur van de Stichting Vroegpensioen Brandstoffenbedrijf, verweerder,

gemachtigde mr. P.E. Lucassen, advocate te Rotterdam.

1. Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 21 november 2002 heeft verweerder zijn besluit van 17 juni 2002 voor zover dit ziet op de weigering om eiseres op haar verzoek vrijstelling te verlenen van deelname in de Stichting Vroegpensioen Brandstoffenbedrijf (hierna: de Stichting) gehandhaafd.

Het tegen die beslissing op bezwaar namens eiseres ingestelde beroep heeft de rechtbank bij uitspraak van 21 november 2003 (BC 02/3558 KRD) gegrond verklaard. Zij heeft daarbij verweerder opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

Bij besluit van 19 maart 2004 (hierna: besluit I) heeft verweerder opnieuw beslissende op het bezwaar overwogen dat ingevolge artikel 5 van het Vrijstellingsbesluit Wet Bpf 2000 (hierna: Vrijstellingsbesluit 2000) vrijstelling aan eiseres kan worden verleend met ingang van 1 januari 2003 onder de voorwaarde dat aan de pensioenregeling van eiseres ten minste dezelfde aanspraken kunnen worden ontleend door de werknemers als aan de pensioenregeling van het bedrijfstakpensioenfonds. Eiseres wordt in dit verband verzocht binnen 2 weken na dagtekening van dit besluit te laten weten of zij gebruik wenst te maken van deze mogelijkheid tot vrijstelling.

Bij besluit van 5 april 2004 (hierna: besluit II) heeft verweerder overwogen bereid te zijn om ingevolge artikel 6 van het Vrijstellingsbesluit 2000 reeds vanaf de aanvang van de verplichtstelling, te weten 19 mei 1999, vrijstelling te verlenen indien eiseres aangeeft bereid te zijn met ingang van die datum een vroegpensioenregeling te treffen die identiek is aan die van verweerder en waarin alle werknemers vanaf 19 mei 1999 worden opgenomen. Eiseres wordt in dit verband verzocht binnen 2 weken na dagtekening van dit besluit te laten weten of zij gebruik wenst te maken van deze mogelijkheid tot vrijstelling.

Bij faxbericht van 29 april 2004, aangevuld bij brief van 7 juni 2004, heeft de gemachtigde van eiseres tegen besluit I beroep ingesteld.

Voorts heeft de gemachtigde van eiseres bij faxbericht van 29 april 2004, aangevuld bij brief van 15 juli 2004, tegen besluit II bezwaar gemaakt.

Verweerder heeft bij brief van 13 augustus 2004 een verweerschrift ingediend.

De griffier heeft partijen op 3 december 2004 telefonisch bericht dat de rechtbank mogelijk besluit II in haar beoordeling zal betrekken.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 december 2004. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, bijgestaan door P. Kruyff en I. van den Meer, respectievelijk commissaris en directeur van eiseres. Verweerder heeft zich eveneens laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door mr. J. Mul, werkzaam bij Nationale Nederlanden, in zijn hoedanigheid van administrateur van verweerder.

2. Overwegingen

2.1. Wettelijk kader

Met ingang van 1 januari 2001 zijn de Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds (hierna: Wet Bpf) en de Vrijstellingsregeling Wet Bpf komen te vervallen met de inwerkingtreding van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 (hierna: Wet Bpf 2000) en het Vrijstellingsbesluit 2000.

De eerste drie leden van artikel 39 van de Wet Bpf 2000 luiden als volgt:

“1. Op een aanvraag tot het verplichtstellen van deelneming in een bepaald bedrijfstakpensioenfonds ontvangen voor de inwerkingtreding van artikel 2, eerste lid, beslist Onze Minister volgens het ten tijde van de ontvangst van de aanvraag geldende recht.

2. Op bezwaar- en beroepschriften die zijn ingediend voor de inwerkingtreding van artikel 2, eerste lid, wordt beslist op grond van het ten tijde van de indiening geldende recht.

3. Een verplichting tot het deelnemen in een fonds op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel 2, eerste lid, wordt aangemerkt als een verplichtstelling op grond van artikel 2, eerste lid.”.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet Bpf 2000 kan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de Minister) op aanvraag van het georganiseerde bedrijfsleven binnen een bedrijfstak, dat naar zijn oordeel een belangrijke meerderheid van de in die bedrijfstak werkzame personen vertegenwoordigt, deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds voor één of meer bepaalde groepen van personen die in de betrokken bedrijfstak werkzaam zijn, verplicht stellen.

Ingevolge artikel 13 van de Wet Bpf 2000:

1. heeft het bedrijfstakpensioenfonds tot taak het verlenen en het intrekken van vrijstellingen van de verplichtstelling;

2. kan het bedrijfstakpensioenfonds aan de vrijstelling voorschriften verbinden;

3. worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld met betrekking tot de gevallen waarin en de voorwaarden waaronder het bedrijfstakpensioenfonds vrijstelling van de verplichtstelling verleent, kan verlenen, intrekt en kan intrekken alsmede met betrekking tot de voorschriften die het bedrijfstakpensioenfonds aan de vrijstelling kan verbinden.

Het Vrijstellingsbesluit 2000 bevat regels als bedoeld in artikel 13, derde lid, van de Wet Bpf 2000.

Ingevolge artikel 2 van het Vrijstellingsbesluit 2000 wordt op verzoek van een werkgever door een bedrijfstakpensioenfonds aan alle werknemers van die werkgever, met ingang van de dag dat de verplichtstelling in werking treedt respectievelijk als gevolg van gewijzigde bedrijfsactiviteiten op hem van toepassing wordt, vrijstelling verleend, indien de werknemers van die werkgever al deelnemen in een pensioenregeling die al tenminste zes maanden voor het moment van indiening van de aanvraag tot verplichtstelling van kracht was respectievelijk indien de werkgever voor zijn werknemers al een pensioenvoorziening heeft getroffen die al ten minste zes maanden voor het moment dat de verplichtstelling op hem van toepassing wordt, van kracht was.

Ingevolge artikel 4 van het Vrijstellingsbesluit 2000 wordt op verzoek van een werkgever door een bedrijfstakpensioenfonds aan alle werknemers van die werkgever vrijstelling verleend voorzover een besluit tot algemeenverbindendverklaring van bepalingen van een collectieve arbeidsovereenkomst (hierna: CAO) op die werkgever niet van toepassing is of, indien dat besluit wel op hem van toepassing is, voorzover hij hiervan dispensatie heeft gekregen en met de bij het arbeidsvoorwaardenoverleg betrokken vakorganisaties een afzonderlijke pensioenvoorziening is overeengekomen. Het verzoek om vrijstelling wordt mede door of namens de bij het arbeidsvoorwaardenoverleg betrokken vakorganisaties gedaan.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vrijstellingsbesluit 2000 wordt op verzoek van een werkgever door een bedrijfstakpensioenfonds aan alle werknemers van die werkgever vrijstelling verleend indien uit de performancetoets, uitgevoerd over een periode van 5 kalenderjaren aan de hand van bijlage 1 bij deze regeling, blijkt dat het feitelijk behaalde beleggingsrendement van het bedrijfstakpensioenfonds in negatieve zin aanzienlijk afwijkt van het rendement van de door het fonds vastgestelde normportefeuille waarbij van een aanzienlijke afwijking in negatieve zin sprake is indien de uitkomst van de berekening van de performancetoets minder is dan - 1,28.

Ingevolge artikel 6 van het Vrijstellingsbesluit 2000 kan op verzoek van een werkgever door het bedrijfstakpensioenfonds aan alle werknemers van die werkgever ook om andere redenen dan genoemd in de artikelen 2, 3, eerste lid, 4 en 5, eerste lid, vrijstelling worden verleend.

Ingevolge artikel 7, vijfde lid, van het Vrijstellingsbesluit 2000 wordt aan de vrijstelling, bedoeld in de artikelen 2 en 6 door het bedrijfstakpensioenfonds het voorschrift verbonden dat de pensioenregeling van de werkgever volgens de berekening aan de hand van bijlage 3 bij dit besluit te allen tijde ten minste actuarieel en financieel gelijkwaardig is aan die van het bedrijfstakpensioenfonds.

Ingevolge artikel 7, zesde lid, van het Vrijstellingsbesluit 2000, wordt aan de vrijstelling, bedoeld in artikel 5, eerste lid, het voorschrift verbonden dat aan de pensioenregeling van de werkgever ten minste dezelfde aanspraken worden ontleend als aan de pensioenregeling van het bedrijfstakpensioenfonds.

Artikel 9 van het Vrijstellingsbesluit 2000 luidt als volgt:

“1. In afwijking van artikel 5, eerste lid, onderdeel a, wordt de performancetoets in 2002 uitgevoerd over de periode 26 april 1998 tot 1 januari 2002 en in 2003 over de periode 26 april 1998 tot 1 januari 2003.

2. In afwijking van artikel 5, derde lid, wordt voor het jaar 1998 uitgegaan van een vóór 26 augustus 1998 door het bestuur van het bedrijfstakpensioenfonds vastgestelde normportefeuille die naar keuze van het bedrijfstakpensioenfonds of is gebaseerd op de feitelijke verdeling van de beleggingen in vastrentende en zakelijke waarden zoals het bedrijfstakpensioenfonds die hanteerde op 26 april 1998 of is gebaseerd op de gemiddelde feitelijke verdeling van de beleggingen in vastrentende en zakelijke waarden in de maand april 1998. Artikel 5, vijfde lid, is hierbij van overeenkomstige toepassing.

3. In afwijking van het tweede lid, eerste zin, kan, indien vóór 1 januari 1998 door het bestuur van het bedrijfstakpensioenfonds voor het jaar 1998 een normportefeuille is vastgesteld, van die normportefeuille worden uitgegaan. Bij de uitvoering van de performancetoets, bedoeld in het eerste lid, wordt in dat geval de normportefeuille gehanteerd zoals deze luidde op 26 april 1998.

4. Voor de jaren 1999 en 2000, wordt bij de berekening van de performancetoets, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel a, uitgegaan van de normportefeuille die op grond van artikel 5, derde lid, en de daarop berustende bepalingen van de Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds zoals die wet en de daarop berustende bepalingen luidde op de dag voor inwerkingtreding van artikel 40 de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 voor die jaren is vastgesteld.

5. Voor de jaren 1998 en 1999 wordt bij de berekeningen in bijlage 1 uitgegaan van de gemaakte berekeningen op grond van artikel 5, derde lid, en de daarop berustende bepalingen van de Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds zoals die wet en de daarop berustende bepalingen luidde op de dag voor inwerkingtreding van artikel 40 van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 over die jaren.”.

Ingevolge artikel 10 van het Vrijstellingsbesluit 2000 treedt dit besluit in werking met ingang van 1 januari 2001 met dien verstande dat artikel 5, eerste lid, onderdeel a, met ingang van 1 januari 2002 in werking treedt.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de Staatssecretaris) heeft op 24 augustus 2001 de beleidsregel Toetsingkader Wet Bpf 2000 vastgesteld. Deze beleidsregel bevat - onder meer - het volgende:

“Met het Toetsingskader Wet Bpf 2000 wordt de lijn gevolgd die is ingezet met het in 1998 tot stand gekomen Toetsingskader Algemeen Verbindend Verklaring van CAO-bepalingen (Toetsingskader AVV, Stcrt. 1998, nr. 240). Zowel in het geval van verplichtstelling als bij algemeen verbindend verklaring gaat het om een besluit van de overheid op verzoek van sociale partners, waarbij met het besluit arbeidsvoorwaarden dwingend worden opgelegd aan ongeorganiseerde werkgevers. Omdat de duur en betekenis van het besluit tot verplichtstelling (in beginsel voor onbepaalde tijd) een andere is dan bij een besluit tot algemeen verbindend verklaring (bepaalde tijd met een maximum van 5 jaar), stemmen de procedures niet geheel overeen. Dit is met name aan de orde bij het vaststellen van de representativiteit (zie paragraaf 4), waarbij zoveel mogelijk is aangesloten bij de praktijk onder de oude Wet Bpf. Daar waar mogelijk is echter in dit toetsingskader aansluiting gezocht bij het Toetsingskader AVV.

[..]

Op wie een besluit tot verplichtstelling van toepassing is, wordt bepaald door de werkingssfeer. Dit is de omschrijving van de bedrijfstak. Deze wordt opgesteld door sociale partners. De Minister van SZW heeft met de afbakening van de werkingssfeer geen bemoeienis.

Voorwaarde voor de omschrijving van de werkingssfeer is dat duidelijk is op wie de werkingssfeer van toepassing is. Ongeorganiseerden moeten kunnen begrijpen of ook zij, in het geval van verplichtstelling, dienen deel te nemen in het verplichtgestelde bpf.

[..]

De bedrijfsactiviteiten moeten duidelijk worden omschreven. Daarbij kan ook door sociale partners worden vermeld hoe wordt omgegaan met ondernemingen die ten dele de in de werkingssfeer omschreven bedrijfsactiviteiten uitoefenen.

Ter verduidelijking van de afbakening ten opzichte van andere bpf-en, bedrijfstakken of ook ondernemingspensioenfondsen kan gebruik gemaakt worden van het benoemen van bedrijven, bijvoorbeeld om te bepalen of een bedrijf in verband met zijn variëteit aan bedrijfsactiviteiten onder de werkingssfeer valt.”.

Verweerder heeft een Pensioenreglement Vroegpensioenregeling Brandstoffenbedrijf (hierna: het Reglement), vastgesteld dat op 1 januari 1998 in werking is getreden en nadien is gewijzigd conform de door de Staatssecretaris op 16 september 1999 (Strct. 1999, 203) en op 18 oktober 1999 (Stcrt. 1999, 179) afgegeven verklaringen van geen bezwaar. In dit Reglement zijn, gelet op artikel 5, tweede lid, van de Wet Bpf, bepalingen opgenomen omtrent het door verweerder verlenen van vrijstelling van verplichte deelneming.

Door de Staatssecretaris zijn de volgende besluiten omtrent verplichte deelneming in de Stichting als bedoeld in artikel 3 van de Wet Bpf c.q. artikel 2 van de Wet Bpf 2000 genomen.

Bij besluit van de Staatssecretaris van 19 mei 1999 (Scrt. 1999, 98), dat in werking is getreden op 21 mei 1999, is deelneming in de Stichting Vroegpensioen Brandstoffenbedrijf verplicht gesteld voor: de werknemers in het brandstoffenbedrijf. Ingevolge dit besluit geldt deze verplichting vanaf de eerste dag van de maand eerstvolgend op die waarin de werknemer de leeftijd van 25 jaar bereikt. De verplichte deelneming eindigt op de eerste dag van de maand volgend op die waarin de werknemer de leeftijd van 65 jaar bereikt. Van de verplichtstelling zijn - voor zover hier van belang - uitgezonderd: de werkgevers in het brandstoffenbedrijf die uitsluitend brandstof leveren aan schepen in de binnenvaart, visserij en zeevaart.

Bij besluit van de Staatssecretaris van 18 december 2003 (Stcrt. 2003, 247), dat in werking is getreden op 20 december 2003, is op grond van artikel 10, eerste lid, van de Wet Bpf 2000 het voornoemde besluit van 19 mei 1999 (Stcrt. 1999, 98) in zoverre gewijzigd dat de verplichte deelneming in de Stichting Vroegpensioen Brandstoffenbedrijf geldt vanaf de eerste dag van de maand eerstvolgend op die waarin de werknemer de leeftijd van 20 jaar bereikt. Van de verplichtstelling zijn - voor zover hier van belang - uitgezonderd: de werkgevers in het brandstoffenbedrijf die uitsluitend brandstof leveren aan schepen in de zeevaart.

2.2. Feiten die als vaststaand worden aangenomen

Eiseres is een in 1991 opgerichte Besloten Vennootschap die, blijkens het uittreksel van de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Noordwet-Holland van 2 juni 2004, als bedrijfsomschrijving heeft: groot- en kleinhandel in aardolieproducten. In de periode waarop het verzoek om vrijstelling betrekking heeft had eiseres ongeveer 100 werknemers in dienst. Ongeveer 70 van hen waren werkzaam in de levering aan de zeevaart. De overigen waren werkzaam in de levering aan tankstations en andere landklanten, aldus eiseres.

Op 8 november 2001 heeft eiseres een afschrift van de bij haar geldende Arbeidsvoorwaardenregeling Gulf aan Nationale Nederlanden N.V. (hierna: de administrateur), die is belast met de administratieve uitvoering van zowel verweerder als de Stichting Vervroegd Uittreden Brandstoffenbedrijf, gezonden met het volgende verzoek:

“Wij verzoeken u ons op basis van dit reglement dispensatie te willen verlenen voor de VUT vroegpensioen regeling.”.

De administrateur heeft dit verzoek enerzijds opgevat als een verzoek om vrijstelling van verweerders vroegpensioenregeling en anderzijds als een verzoek om vrijstelling van de Algemeen verbindend verklaarde CAO inzake de VUT-regeling voor het Brandstoffenbedrijf. Ten aanzien van het eerste verzoek heeft zij namens verweerder een voor bezwaar vatbare beslissing afgegeven, houdende een afwijzing van het verzoek. Ten aanzien van het tweede verzoek heeft zij namens de Stichting Vervroegd Uittreden Brandstoffenbedrijf besloten geen gebruik te maken van zijn bevoegdheid ingevolge artikel 17 van de statuten van de Stichting Vervroegd Uittreden Brandstoffenbedrijf. Beide besluiten zijn vervat in de brief van administrateur van 17 juni 2002.

In het namens verweerder afgegeven besluit van 17 juni 2002 is - toetsend aan het Reglement - overwogen dat niet is gebleken dat ingevolge de Arbeidsvoorwaardenregeling Gulf reeds 6 maanden voor de verplichtstelling een eigen pensioenregeling van eiseres van toepassing was. Daarbij is overwogen dat hetgeen daarin inzake het oudedagspensioen vanaf 65 jaar en het nabestaandenpensioen is neergelegd met het oog op de vrijstellingsbeoordeling niet van belang is omdat de verplichte deelneming ziet op het vroegpensioen dat een andere doelstelling heeft. Voorts is overwogen dat de vroegpensioenregeling van eiseres een facultatieve deelname behelst en niet is gebleken dat er daadwerkelijk deelnemers zijn. Tenslotte heeft verweerder overwogen dat hem geen omstandigheden bekend zijn op grond waarvan het van eiseres in redelijkheid niet verlangd kan worden dat zij deelneemt in de Stichting.

Bij brief van 21 november 2002 is door de administrateur meegedeeld dat de in bezwaar aangevoerde gronden verweerder geen aanleiding geven tot het verlenen van vrijstelling van verplichte deelneming. Zij heeft daarbij uitdrukkelijk 1 januari 1998 aangemerkt als de datum waarop de ingangsdatum van het vrijstellingsverzoek ziet.

In het beroep tegen deze eerste beslissing op bezwaar is namens eiseres aangevoerd dat haar redelijkerwijs vrijstelling van deelneming in de Stichting moet worden verleend, omdat ten minste 70% van de activiteiten van eiseres zien op de levering van brandstof aan zeeschepen, zodat voldaan is aan de bepaling opgenomen in de algemeen verbindend verklaarde CAO voor het Brandstoffenbedrijf, dat werkgevers die overwegend brandstoffen vervoeren ten behoeve van de levering aan zeeschepen uitzondert van deze CAO, en dat voorts is voldaan aan elk der gronden voor verplichte vrijstelling als vervat in artikel 16, tweede lid, van het Reglement.

De rechtbank heeft in haar uitspraak van 21 november 2003 overwogen dat eiseres ter zitting terecht de grief heeft opgeworpen dat in strijd met artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is verzuimd haar in de gelegenheid te stellen op het bezwaar te worden gehoord en heeft deswege het besluit van 21 november 2002 vernietigd opdat opnieuw op het bezwaar zal worden beslist met inachtneming van de hoorplicht. Voor zover hier van belang heeft de rechtbank met het oog op de nadere besluitvorming - ten overvloede - het volgende overwogen:

“Voorts dient verweerder de aanvraag van eiseres, nu deze op 8 november 2001 bij verweerder is ingediend, te beoordelen aan de hand van de wetgeving zoals die geldt vanaf 1 januari 2001 en niet aan de hand van het Pensioenreglement, dat laatstelijk op 26 april 1998 is gewijzigd, derhalve ruim vóór de inwerkingtreding van de Wet Bpf 2000 en het Vrijstellingsbesluit 2000.

Om al dan niet toepassing te kunnen geven aan artikel 2 van het Vrijstellingsbesluit 2000 dient verweerder na te gaan op welke datum de aanvraag tot verplichtstelling, zoals in voornoemd artikel bedoeld, bij de Minister is ingediend en met ingang van welke datum de deelneming in de Stichting Vroegpensioen Brandstoffenbedrijf verplicht is gesteld.

De rechtbank is niet gebleken dat het verzoek om vrijstelling in verband met eigen CAO als bedoeld in artikel 4 Vrijstellingsbesluit 2000 is gedaan mede door of namens de bij het arbeidsvoorwaardenoverleg betrokken vakorganisaties.

Bij een verzoek om vrijstelling op basis van artikel 5, eerste lid onder a, van het Vrijstellingsbesluit 2000, dient verweerder, ingevolge de Toelichting op dit artikel, aan eiseres schriftelijk mededeling te doen van het feitelijk rendement van het vermogen van het bedrijfstakpensioenfonds per jaar, van het rendement van de gekozen normportefeuille per jaar, en van de toepassing van de toets op toereikendheid van het rendement als voorgeschreven in Bijlage 1 van het Vrijstellingsbesluit 2000.

Tot slot moet verweerder eerst nog een primair besluit nemen op het in beroep gedane verzoek om onverplichte vrijstelling als bedoeld in artikel 6 van het Vrijstellingsbesluit 2000.”.

Naar aanleiding van deze uitspraak heeft verweerder op 5 februari 2004 een hoorzitting gehouden. Bij die hoorzitting is aan de orde geweest of aan eiseres verplicht dan wel onverplicht vrijstelling van verplichte deelneming in de Stichting behoort te worden verleend door verweerder. Eiseres heeft in dit verband stukken overgelegd inzake de pensioenregeling van Kruijff Bunker Service B.V. (hierna: KBS) en gesteld dat zij als rechtsopvolgster de pensioenregeling van KBS heeft overgenomen per 1 oktober 1998. Voorts heeft zij gesteld dat verweerder heeft verzuimd schriftelijk mededeling te doen van zijn rendement en heeft zij, met het oog op onverplichte vrijstelling, herhaald dat voldaan is aan de bepaling opgenomen in de algemeen verbindend verklaarde CAO voor het Brandstoffenbedrijf, dat werkgevers die overwegend brandstoffen vervoeren ten behoeve van de levering aan zeeschepen uitzondert van deze CAO. Voorts heeft zij aangevoerd dat haar werknemers geen interesse hebben in deelneming aan een vroegpensioenregeling, waartoe zij 29 afstandsverklaringen van (voormalige) werknemers heeft overgelegd.

Met inachtneming van voornoemde geciteerde overwegingen ten overvloede van de rechtbank heeft verweerder vervolgens de besluiten I en II genomen.

2.3. De besluiten I en II en de standpunten van partijen

Verweerder heeft in besluit I met betrekking tot verplichte deelneming overwogen dat ingaande 19 mei 1999 de deelneming in de Stichting voor brandstoffenbedrijven verplicht is gesteld door de Minister (bedoeld is: de Staatssecretaris) en dat - voor zover hier van belang - van verplichtstelling zijn uitgezonderd de werkgevers in het brandstoffenbedrijf die uitsluitend brandstof leveren aan schepen in de binnenvaart, visserij en zeevaart. Een latere in een CAO neergelegde afwijkende omschrijving van het toepassingsbereik van die CAO heeft geen invloed op de werking van het besluit van 19 mei 1999, in welk verband verweerder wijst op de uitspraak van de Hoge Raad van 20 februari 2004 (LJN: AO1427) voor wat betreft de uitleg van de bepalingen van een pensioenreglement. Nu vaststaat dat een deel van de werknemers van eiseres werkzaam is in de landhandel, staat daarmee vast dat de verplichte deelneming geldt voor de werknemers die werkzaam zijn in de landhandel.

Vervolgens heeft verweerder in dat besluit de toepasselijkheid van de verplichte vrijstellingen als bedoeld in artikel 16, tweede lid, van het Reglement aan de hand van het Vrijstellingsbesluit 2000 heroverwogen.

In het kader van artikel 2 van het Vrijstellingsbesluit 2000 heeft verweerder overwogen dat in het midden kan blijven of eiseres de pensioenregeling van KBS heeft voortgezet nu die pensioenregeling geen betrekking heeft op vroegpensioen. Voor wat betreft het facultatieve vroegpensioen in de Arbeidsvoorwaardenregeling 2002 van Gulf Oil geldt dat die geen bestaande vroegpensioenregeling is als bedoeld in artikel 2 van het Vrijstellingsbesluit 2000, terwijl voorts heeft te gelden dat daaraan deelgenomen diende te worden door alle werknemers waarop de verplichtstelling ziet. De overgelegde geanonimiseerde verklaring van een werknemer van 23 januari 2004 leidt dan ook niet tot een nieuw gezichtspunt inzake de toepassing van artikel 2 van het Vrijstellingsbesluit 2000.

Nu geen aanvraag is gedaan mede namens de bij het arbeidsvoorwaardenoverleg betrokken vakorganisaties mist artikel 4 van het Vrijstellingsbesluit 2000 toepassing, aldus verweerder.

Met betrekking tot de verplichte vrijstelling als bedoeld in artikel 5 van het Vrijstellingsbesluit 2000 heeft verweerder overwogen dat het resultaat van zijn performancetoets waarvoor een minimum geldt van - 1,28 voor het jaar 2002 - 0,46 bedraagt en voor 2003 - 1,36. Deze zogenoemde z-score over 2002 voldoet, zodat voor dat jaar geen vrijstelling kan worden verleend, terwijl vóór 2002 een dergelijke vrijstellingsgrond nog niet van toepassing was, zodat ook voordien niet een dergelijke vrijstelling aan de orde kan zijn. Slechts vanaf 1 januari 2003 is derhalve een grond voor verplichte vrijstelling als bedoeld in artikel 5 van het Vrijstellingsbesluit 2000.

Aan die vrijstelling is vervolgens de voorwaarde verbonden als bedoeld in het zesde lid van art. 7 van het Vrijstellingsbesluit 2000. Verweerder wil van eiseres vernemen of zij gebruik wil maken van die vrijstelling.

Bij besluit II heeft verweerder voor zover nog van belang overwogen dat hij, indien eiseres gebruik maakt van de verplichte vrijstelling als bedoeld in artikel 5 van het Vrijstellingsbesluit 2000, bereid is tevens ingevolge artikel 6 van het Vrijstellingsbesluit 2000 onverplicht vrijstelling te verlenen voor de periode voorafgaande aan de verplichte vrijstelling, derhalve 19 mei 1999 tot 1 januari 2003, indien eiseres voor alle werknemers die vanaf 19 mei 1999 onder de verplichte deelneming vielen een aan de Stichting identieke vroegpensioenregeling treft. Verweerder wenst van eiseres te vernemen of zij gebruik wil maken van ook die vrijstelling.

Dit besluit is - anders dan besluit I, dat is voorzien van een beroepsclausule - voorzien van een bezwaarclausule.

In het aanvullend beroepschrift heeft eiseres gesteld dat zij zich - hoewel haar met de besluiten I en II zowel verplicht als onverplicht, zij het onder voorwaarden, vrijstelling aan deelneming in de Stichting is verleend - niet kan verenigen met de inhoud van besluit I.

In het aanvullend beroepschrift is - samengevat - het volgende aangevoerd:

- eiseres valt niet onder het toepassingsbereik van het Reglement nu in de CAO Brandstoffenbedrijf uitdrukkelijk een uitzondering wordt gemaakt voor werkgevers die overwegend brandstoffen vervoeren ten behoeve van de levering aan schepen en eiseres voldoet aan die uitzonderingsvoorwaarde. Dat in het Reglement de betreffende terminologie niet is gewijzigd is kennelijk een misslag nu ook in huidige CAO is bepaald dat op 1 januari 2003 de collectieve VUT-regeling wordt omgezet in een verplichte 100% individuele vroegpensioenregeling. Gelet op de in de uitspraak van de Hoge Raad van 20 februari 2004 (LJN: AO1427) gehanteerde ‘CAO-norm’ als maatstaf voor de uitleg van een CAO of een pensioenreglement is, anders dan verweerder doet voorkomen, niet een zuiver tekstuele interpretatie doorslaggevend. Voorts is in dit verband van belang dat verweerder zelf eerder heeft toegegeven dat het Reglement moet worden uitgelegd in het licht van de CAO-bepalingen;

- mocht eiseres wel onder het toepassingsbereik van het Reglement vallen dan heeft te gelden dat sprake is van deelneming door de werknemers van eiseres in een pensioenregeling die gold reeds zes maanden voordat het verzoek tot verplichtstelling is ingediend of de onderneming onder een verplichtstelling kwam te vallen nu bij haar rechtsvoorgangster KBS daarin reeds was voorzien vanaf 1970. Voor de door verweerder gestelde aanvullende eis dat slechts indien een vroegpensioenregeling bestaat vrijstelling moet worden verleend zijn geen aanknopingspunten te vinden in het Reglement of het Vrijstellingsbesluit 2000. Voor zover verweerder desalniettemin die eis mocht stellen heeft te gelden dat hij niet voorts de eis mocht stellen dat in de Arbeidsvoorwaardenregeling was voorzien in een verplichte deelneming aan vroegpensioen nu artikel 16 van het Reglement daar niet in voorziet en het Vrijstellingsbesluit 2000 daar niet met terugwerkende kracht wijziging in kan aanbrengen;

- voor wat betreft de in verband met onvoldoende beleggingsrendement verleende vrijstelling heeft te gelden dat daaraan geen voorwaarden mogen worden verbonden. Hoewel artikel 16, tweede lid, laatste zin, van het Reglement bepaalt dat vrijstellingen zullen worden verleend volgens het daaromtrent bepaalde in het Vrijstellingsbesluit Wet Bpf 2000 (bedoeld is: de Vrijstellingsregeling Wet Bpf), geldt dat gezien de plaatsing van deze zinsnede slechts voor de inhoudelijke toetsing van de vrijstellingsgronden, en niet voor wat betreft de voorwaarden waaronder vrijstelling kan worden verleend. De eventuele voorwaarden zijn immers opgenomen in artikel 16, derde lid, van het Reglement;

- door niettemin aanvullende voorwaarden te stellen heeft verweerder miskend dat de werknemers van eiseres uitdrukkelijk te kennen hebben gegeven geen behoefte te hebben aan enigerlei vroegpensioenregeling.

In het aanvullend bezwaarschrift zijn tegen besluit II identieke gronden aangevoerd als die in het bovengenoemde aanvullend beroepschrift tegen besluit I, met uitzondering van de tweede en de derde grond, die specifiek betrekking hebben op de verplichte vrijstelling. Daarnaast is in het aanvullend bezwaarschrift aangevoerd dat de eerder aan de Gebroeders Kruijff B.V. verleende vrijstelling voor de VUT-regeling zou moeten leiden tot vrijstelling van deelname in de Stichting.

2.4. Beoordeling

Met betrekking tot de vraag naar de toepasselijke regelgeving is de rechtbank, in navolging van de overweging ten overvloede dienaangaande in de uitspraak van 21 november 2003, van oordeel dat het onderhavige beroep moet worden beoordeeld aan de hand van de vanaf 1 januari 2001 geldende wetgeving. Blijkens het in artikel 39 van de Wet Bpf 2000 neergelegde overgangsrecht wordt de keuze van het toepasselijke materiële recht bepaald door aanvraag- en beslismomenten. In dit geval is de aanvraag om vrijstelling gedaan op 8 november 2001. Uit een oogpunt van rechtszekerheid is voorts geen bezwaar tegen toepassing van de Wet Bpf 2000 op aanvragen om vrijstelling, ook al zouden deze terugwerken tot een datum vóór 1 januari 2001, nu de voor die datum geldende bepalingen niet voorzien in ruimere vrijstellingsmogelijkheden.

Dit betekent dat het Reglement dat conform artikel 5, tweede lid, van de Wet Bpf eigen bepalingen kent omtrent vrijstelling, per 1 januari 2001 van rechtswege is komen vervallen voorzover het vrijstellingsbepalingen betreft en dat voorts heeft te gelden dat, voorzover aanvragen nadien betrekking hebben op een periode gelegen voor 1 januari 2001, deze eveneens worden beoordeeld aan de hand van het Vrijstellingsbesluit 2000 en niet aan de hand van het Reglement of de Vrijstellingsregeling Wet Bpf.

Hierop geldt naar het oordeel van de rechtbank één uitzondering. De artikelen 9 en 10 van het Vrijstellingsbesluit 2000 brengen beperkingen met zich met betrekking tot de reikwijdte van de toepassing van artikel 5 van het Vrijstellingsbesluit 2000. Vrijstellingen op grond van die bepalingen kunnen niet eerder worden verleend dan vanaf 1 januari 2002. Voor de verlening van vrijstellingen in verband met onvoldoende beleggingsrendement terugwerkend vóór die datum zal dan de voordien geldende regelgeving alsmede het bepaalde in het betreffende pensioenreglement van het bedrijfs(tak)pensioenfonds bepalend zijn.

De rechtbank overweegt - eveneens ambtshalve - het volgende met betrekking tot de omvang van het geschil als bedoeld in artikel 8:69 in verbinding met artikel 8:1, eerste lid, en artikel 7:1, tweede lid, van de Awb.

Ingevolge artikel 7:11, eerste lid, van de Awb was verweerder gehouden op de grondslag van het bezwaar het besluit van 17 juni 2002 te heroverwegen. De omvang van dit primaire besluit alsmede hetgeen blijkens de aanvraag daarvan de omvang zou moeten zijn, bepalen de buitenrand van deze heroverweging. De eventuele beperktere binnenrand van de heroverweging wordt gevormd door de grondslag van het bezwaar voorzover daarin één of meer besluitonderdelen niet zijn aangevochten.

Hieruit vloeien gelet op het voorliggende geschil een tweetal ambtshalve op te werpen vragen voort, namelijk of verweerder enerzijds met besluit I binnen de omvang van de heroverweging is gebleven en of hij anderzijds met dat besluit een volledige heroverweging heeft verricht.

Met besluit I is besloten ingaande 1 januari 2003 onder voorwaarden vrijstelling te verlenen. Die datum ligt na de datum waarop de aanvraag ziet, alsmede na de datum waarop het primaire besluit is genomen (en voorts na de datum waarop de eerste beslissing op bezwaar is genomen), zodat de vraag voorligt of hier nog wel sprake is van een heroverweging. Die vraag beantwoordt de rechtbank bevestigend. Geen rechtsregel staat er aan in de weg dat het bestuursorgaan in beginsel die feiten en omstandigheden in diens heroverweging betrekt zoals die ten tijde van die heroverweging voorliggen. In dit geval is er geen aanleiding om hierop een uitzondering te maken nu de te nemen beslissing op de grondslag van de aanvraag en, in bezwaar, op de grondslag van het bezwaar niet betrekking heeft op een afgesloten tijdvak, terwijl voorts heeft te gelden dat eiseres door deze handelswijze niet in haar belangen is geschaad. Met besluit I is verweerder naar het oordeel van de rechtbank aldus niet buiten artikel 7:11 van de Awb getreden.

Blijkens de brief van 8 november 2001 heeft eiseres verzocht om vrijstelling van verplichte deelneming in de Stichting. Het verzoek om die vrijstelling is niet uitdrukkelijk beperkt tot een of meer vrijstellingsgronden. Blijkens het besluit van 17 juni 2002 heeft verweerder ten volle op dit verzoek beslist. De rechtbank oordeelt dat verweerders overweging dat hem geen andere omstandigheden bekend zijn op grond waarvan het van eiseres in redelijkheid niet verlangd kan worden dat zij deelneemt in de Stichting, niet anders kan worden opgevat dan als een beslissing inzake de onverplichte vrijstelling.

Hoewel eiseres in bezwaar haar gronden heeft gericht tegen de geweigerde verplichte vrijstelling kan daar naar het oordeel van de rechtbank niet reeds uit worden afgeleid dat eiseres het primaire besluit van 17 juni 2002 ongemoeid heeft willen laten waar het gaat om het niet verlenen van onverplichte vrijstelling. In dit verband overweegt de rechtbank dat eiseres in bezwaar niet expliciet heeft aangegeven dat zij het besluit van 17 juni 2002 uitsluitend heeft willen aanvechten voorzover dit betrekking heeft op het niet verlenen van verplichte vrijstelling, terwijl de vraag naar het al dan niet aan de orde zijn van een onverplichte vrijstelling redelijkerwijs pas aan de orde komt indien zich niet een van de verplichte vrijstellingsgronden voordoet.

Het gestelde in het beroep tegen het besluit van 21 november 2002, dat de rechtbank in haar uitspraak van 21 november 2003 tot de overweging ten overvloede bracht dat daarin een aanvraag is vervat tot het nemen van een primair besluit omtrent onverplichte vrijstelling en dat dienaangaande nog een beslissing genomen diende te worden, moet naar het oordeel van de rechtbank dan ook worden opgevat als een beroepsgrond tegen het besluit van 21 november 2002 zelf. De rechtbank heeft dit in haar uitspraak van 21 november 2003 miskend.

Een en ander brengt met zich dat besluit I dat, voortbordurend op voornoemde overweging ten overvloede, uitsluitend een heroverweging inhoudt met betrekking tot de verplichte vrijstelling wegens strijd met artikel 7:11 van de Awb geen stand kan houden en voor vernietiging in aanmerking komt. Het beroep is derhalve gegrond.

Alhoewel besluit II strikt genomen geen besluit is als bedoeld in artikel 6:18 van de Awb nu het genomen is voordat beroep tegen besluit I is ingesteld en betrekking heeft op een andere periode, ziet de rechtbank aanleiding besluit II niettemin mede te betrekken in het beroep tegen besluit I. Zij overweegt hiertoe dat de besluiten I en II tezamen materieel gezien de thans in beroep bestreden heroverweging van het besluit van 17 juni 2002 inhouden, ook voor wat betreft de vraag of vrijstelling uit hoofde van artikel 6 van het Vrijstellingsbesluit 2000 aangewezen is na vernietiging van het besluit van 21 november 2002. Voorts volgt hier uit dat verweerder ten onrechte met besluit II een nieuw primair besluit heeft afgegeven. De rechtbank zal het bezwaarschrift daartegen dan ook opvatten als een (aanvullend) beroepschrift en besluit II, dat in strijd met artikel 7:11 van de Awb als een zelfstandig primair besluit is genomen, aldus eveneens vernietigen. Het beroep dat zich tevens uitstrekt tot besluit II is dan ook eveneens gegrond.

In dit verband overweegt de rechtbank voorts nog dat zij - in afwijking van hetgeen van de zijde van eiseres ter zitting is aangevoerd - aanleiding ziet in de besluiten I en II tezamen een afgeronde beslissing op bezwaar te lezen inzake de verzochte vrijstelling.

Dat daarbij aan eiseres de keuze wordt gelaten of zij onder de gestelde voorwaarden daadwerkelijk gebruik wenst te maken van de vrijstelling als bedoeld in artikel 5 van het Vrijstellingsbesluit 2000, voor wat betreft de periode vanaf 1 januari 2003, en van de vrijstelling als bedoeld in artikel 6 van het Vrijstellingsbesluit 2000, voor wat betreft de periode voor 1 januari 2003, kan daar niet aan afdoen. De rechtbank overweegt hiertoe dat het gelet op de strekking van het besluit van 17 juni 2002 wellicht ondoenlijk zal zijn in bezwaar reeds uitsluitsel te verkrijgen of daadwerkelijk gebruik zal worden gemaakt van de vrijstelling, terwijl nadere besluitvorming van verweerder - ook indien daadwerkelijk gebruik zou worden gemaakt van de vrijstelling - niet nodig zal zijn.

De rechtbank ziet gelet hierop aanleiding te bezien of de rechtsgevolgen van de besluiten I en II in stand dienen te worden gelaten.

Eiseres beoogt met haar beroep primair dat de rechtbank tot het oordeel komt dat verweerder niet de bevoegdheid toekomt een beslissing omtrent vrijstelling van deelname in de Stichting te geven omdat geen sprake zou zijn van verplichte deelname.

Zoals de rechtbank eerder heeft overwogen is verweerder met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de Wet Bpf 2000 uitsluitend als een bestuursorgaan aan te merken betreffende het beslissen op een verzoek om vrijstelling als bedoeld in artikel 13 van de Wet Bpf 2000. Verweerder komt aldus niet de bevoegdheid toe om een (afzonderlijk) besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb af te geven omtrent verplichte deelneming. Verplichte deelneming volgt rechtstreeks uit een besluit van de Staatssecretaris tot verplichtstelling als bedoeld in artikel 2 van de Wet Bpf 2000, terwijl geschillen omtrent deelneming en daaraan verbonden verplichtingen aan de kantonrechter kunnen worden voorgelegd. Evenwel heeft de rechtbank voorts eerder overwogen dat indien om vrijstelling van deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds is verzocht, daarbij tevens de vraag aan de orde kan zijn of het bedrijfstakpensioenfonds bevoegd is tot het nemen van een besluit als bedoeld in artikel 13 van de Wet Bpf 2000. De rechtbank ziet derhalve aanleiding zich te buigen over de vraag of werknemers van eiseres van rechtswege deelnemen in de Stichting.

Die vraag beantwoordt zij met verweerder bevestigend.

Onbetwist is dat de werknemers van eiseres ten tijde in geding werkzaam waren in het brandstoffenbedrijf als bedoeld in het besluit van de Staatssecretaris van 19 mei 1999 houdende verplichtstelling van deelneming in de Stichting. Blijkens de duidelijke tekst van het besluit van 19 mei 1999 zijn van de verplichtstelling uitgezonderd de werkgevers in het brandstoffenbedrijf die uitsluitend brandstof leveren aan schepen in de binnenvaart, visserij en zeevaart. Nu een deel van de werknemers - 30% - ten tijde in geding werkzaam was in de levering aan ‘landklanten’, leverde eiseres niet uitsluitend brandstof aan schepen in de binnenvaart, visserij en zeevaart. Op de werknemers van eiseres was derhalve de uitzonderingsbepaling niet van toepassing.

In het in rubriek 2.1. genoemde Toetsingskader Wet Bpf 2000 is - onder meer - overwogen dat de duur en betekenis van het besluit tot verplichtstelling (in beginsel voor onbepaalde tijd) een andere is dan van een besluit tot algemeen verbindend verklaring van CAO’s en is voorts bepaald dat met betrekking tot de verplichtstelling de bedrijfsactiviteiten duidelijk moeten worden omschreven en dat daarbij ook door de sociale partners kan worden vermeld hoe wordt omgegaan met ondernemingen die ten dele de in de werkingssfeer omschreven bedrijfsactiviteiten uitoefenen.

De rechtbank is van oordeel dat de Staatssecretaris met dit Toetsingskader Wet Bpf 2000, dat een wetsinterpreterende beleidsregel behelst, geen onjuiste uitleg geeft aan artikel 2, eerste lid, van de Wet Bpf 2000. Noch de wet noch deze beleidsregel verwijzen naar omschrijvingen omtrent de werkingssfeer die zijn neergelegd in al dan niet algemeen verbindend verklaarde CAO’s. Om de werkingssfeer van de verplichtstelling afhankelijk te stellen van de werkingssfeer van een verbindend verklaarde CAO voor het Brandstoffenbedrijf is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen ruimte. Hierbij overweegt de rechtbank voorts nog dat de tekst van de verplichtstelling geen ruimte laat voor interpretatieverschillen, terwijl voorts nog heeft te gelden dat in het besluit van de Staatssecretaris van 18 december 2003 wederom is voorzien in een uitzonderingsclausule waar het de werkgevers in het brandstoffenbedrijf betreft die uitsluitend brandstof leveren aan schepen in de zeevaart.

De rechtbank overweegt in dit verband dat verweerder heeft miskend dat de hoofdregel van rechtswege van toepassing is op alle werknemers van eiseres, door in besluit I te overwegen dat uitsluitend de werknemers die werkzaam zijn in de landhandel verplicht deelnemen in de Stichting. Dit betekent voorts dat verweerder zich vervolgens ten onrechte slechts heeft gebogen over de vraag of vrijstelling diende te worden verleend aan de werknemers die werkzaam zijn in de landhandel. Nu de rechtbank slechts voor zover een verzoek om vrijstelling voorligt de vraag naar verplichte deelneming kan beantwoorden en haar niet is gebleken dat eiseres ook vrijstelling heeft willen verzoeken voor die werknemers die naar het oordeel van verweerder niet vallen onder de verplichte deelneming in de Stichting, kan zij hier, mede gelet op het in artikel 8:69, eerste lid, van de Awb besloten liggende verbod van reformatio in peius, geen consequenties aan verbinden.

De vraag die vervolgens aan de orde dient te komen is of verweerder gebruikmakend van zijn plicht dan wel bevoegdheid tot het verlenen van vrijstelling daaraan voorwaarden heeft moeten of kunnen verbinden als bedoeld in artikel 7 van het Vrijstellingsbesluit 2000. In feite betoogt eiseres dat voorzover sprake is van verplichte deelneming haar zonder nadere voorwaarden vrijstelling verleend dient te worden.

Eiseres miskent daarmee dat artikel 7 van het Vrijstellingsbesluit 2000 per vrijstellingsgrond één of meer verplicht te stellen voorwaarden bevat. Hetgeen eiseres in beroep heeft aangevoerd omtrent het ontbreken van dergelijke voorwaarden in het Reglement kan reeds gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen omtrent de toepasselijke regelgeving niet slagen.

Ten aanzien van het beroep op het niet voorkomen van de term vroegpensioen in de van toepassing zijnde regelgeving overweegt de rechtbank dat die term evenmin voorkomt in artikel 2 van de Wet Bpf 2000, maar dat niettemin een verplichtstelling tot deelneming in de Stichting voorligt, waarbij de rechtbank in aanmerking neemt dat haar geen zwaarwegende redenen zijn gebleken waarom de wettelijke term pensioen niet tevens enige vorm van vroegpensioen zou kunnen omvatten. Nu die verplichtstelling geldt, heeft evenzo te gelden dat voor vrijstelling en de daaraan verbonden voorwaarden aanknoping gevonden zal moeten worden bij hetgeen die verplichtstelling behelst.

Voorzover eiseres meent dat het stellen van deze voorwaarden in strijd komt met hogere regelgeving of enige andere geschreven of ongeschreven rechtsregel, oordeelt de rechtbank dat het Vrijstellingsbesluit 2000 haar wettelijke basis vindt in artikel 13, derde lid, van de Wet Bpf 2000. Een marginale toetsing aan het in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb besloten liggende evenredigheidsbeginsel kan haar niet tot het oordeel brengen dat de Minister in redelijkheid niet tot de vaststelling van het Vrijstellingsbesluit 2000 heeft kunnen komen. Dat de werknemers van eiseres zelf geen behoefte hebben aan deelneming aan enige regeling inzake vroegpensioen maakt dit, gelet op het doel en de strekking van de verplichtstelling tot deelneming, niet anders.

Verweerder heeft dan ook terecht in zijn heroverweging de voorwaarden als omschreven in artikel 7 van het Vrijstellingsbesluit 2000 betrokken.

Door eiseres is eerst ter zitting verweerders vaststelling dat niet eerder dan per 1 januari 2003 is voldaan aan vrijstelling op grond van artikel 5 van het Vrijstellingsbesluit 2000 bestreden, daartoe stellende dat verweerder heeft verzuimd de in de uitspraak van de rechtbank van 21 november 2003 genoemde stukken over te leggen. De rechtbank overweegt dat deze grief, nog daargelaten dat naar haar oordeel het eerst ter zitting aanvechten van de betreffende grondslag van besluit I in strijd komt met een goede procesorde, feitelijke grondslag mist nu de betreffende stukken met het verweerschrift zijn overgelegd.

Ook het eerst ter zitting gedane beroep op artikel 4 van het Vrijstellingsbesluit 2000 kan niet slagen, reeds niet omdat de rechtbank, anders dan eiseres betoogt, in die bepaling niet vermag te lezen dat de slotzin van die bepaling uitsluitend betrekking heeft op de situatie waarin een werkgever dispensatie heeft gekregen van een besluit tot algemeenverbindendverklaring van bepalingen van een CAO en met de bij het arbeidsvoorwaardenoverleg betrokken vakorganisaties een afzonderlijke pensioenvoorziening is overeengekomen.

Nu de voorwaarden die zijn verbonden aan de onverplichte vrijstelling als bedoeld in artikel 6 van het Vrijstellingsbesluit 2000 gelijk zijn aan een eventuele vrijstelling als bedoeld in artikel 2 van het Vrijstellingsbesluit 2000 en eiseres zich gelet op haar bezwaren tegen besluit II niet kan vinden in die voorwaarden kan en zal de rechtbank in het midden laten of verweerder gehouden is op verzoek vrijstelling te verlenen ingevolge artikel 2 of artikel 6 van het Vrijstellingsbesluit 2000 voor wat betreft de periode voorafgaande aan januari 2003.

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding de rechtsgevolgen van de besluiten I en II in stand te laten.

De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep tot aan deze uitspraak redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank bepaalt de proceskosten op € 966,-. In dit verband heeft zij in totaal drie procespunten gerekend voor het indienen van het eerste (aanvullende) beroepschrift, het (aanvullende) bezwaarschrift dat als (aanvullend) beroepschrift tegen besluit II wordt aangemerkt en voor het verschijnen ter zitting. Van overige kosten waarop een veroordeling in de proceskosten betrekking kan hebben, is de rechtbank niet gebleken. Voorts zal de rechtbank bepalen dat verweerder het griffierecht aan eiseres dient te vergoeden.

3. Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep tegen de besluiten I en II gegrond,

vernietigt deze besluiten en bepaalt dat de rechtsgevolgen van die besluiten geheel in stand blijven,

bepaalt dat de Stichting Vroegpensioen Brandstoffenbedrijf aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 273,- vergoedt,

veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 966,- en wijst de Stichting Vroegpensioen Brandstoffenbedrijf aan als de rechtspersoon die deze kosten aan eiseres moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A.C. van Nifterick als voorzitter en mr. D.C.J. Peeck en mr. J.A.F. Peters als leden.

De beslissing is, in tegenwoordigheid van mr. drs. R. Stijnen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2005.

De griffier: De voorzitter:

Afschrift verzonden op:

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiseres wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.