Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2004:AR5336

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25-10-2004
Datum publicatie
08-11-2004
Zaaknummer
10/005054-98
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontnemingsvordering. Blijkens het arrest van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage van 14 december 2000 onder bovenvermeld parketnummer is de veroordeelde veroordeeld ter zake van - zakelijk weergegeven - het in de periode van 01 augustus 1997 tot 16 maart 1999 leiding geven aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten handel in verdovende middelen en voor de invoer daarvan.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van het onderzoek ter terechtzitting aannemelijk is geworden dat de veroordeelde door middel van of uit baten van de feiten waarvoor hij is veroordeeld wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.

De rechtbank is eveneens van oordeel dat er voldoende aanwijzingen bestaan dat veroordeelde als leider van deze criminele organisatie in evengemelde periode betrokken is geweest bij meer (invoer)transporten van cocaïne naar Nederland dan die waar veroordeelde in concreto bij arrest van het Hof is veroordeeld.

De rechtbank schat het voordeel dat de veroordeelde wederrech-telijk heeft verkregen op ten minste € 12.745.734,24.

Gelet op de feiten en omstandigheden die tot de termijnoverschrijding in onderhavige ontnemingszaak hebben geleid, acht de rechtbank een matiging van 5% op zijn plaats, zodat het te betalen bedrag lager is dan het geschatte voordeel, te weten € 12.108.447,53.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 10/005054-98 (ontnemingsvordering)

Datum uitspraak: 25 oktober 2004

Veroordeelde verschenen

VONNIS

van de RECHTBANK ROTTERDAM, meervoudige kamer voor strafzaken, op de vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht van de officier van justitie in de zaak met bovenvermeld parketnummer tegen:

[naam veroordeelde],

geboren te [geboorteplaats] op [dd-mm] 1964,

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans gedetineerd in de PI Noord, gevangenis “De Marwei” te Leeuwarden.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 13 september 2004. De rechtbank heeft voorts ambtshalve acht geslagen op de inhoud van het arrest van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage van 14 december 2000 in de strafzaak onder bovenvermeld parketnummer tegen de veroordeelde.

DE VORDERING

De vordering van de officier van justitie, mr. Sta, strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat op € 18.616.500,-- en tot het opleggen aan veroor-deelde van de verplichting tot betaling aan de staat van een geldbe-drag ter ontneming van dat geschatte voordeel tot een maximum van € 17.685.675,-- (het equivalent van fl. 38.974.100,--).

De vordering van de officier van justitie is uitsluitend gebaseerd op artikel 36e lid 1 en lid 2 van het Wetboek van Strafrecht. Zij betreft voordeel verkregen door middel van of uit de baten van:

a. strafbare feiten waarvoor de veroordeelde is veroordeeld;

b. soortgelijke feiten;

c. feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan.

DE STRAFBARE FEITEN WAAROP DE VOORDEELSBEREKENING IS GEBASEERD

Blijkens het arrest van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage van 14 december 2000 onder bovenvermeld parketnummer is de veroordeelde veroordeeld terzake van - zakelijk weergegeven - het in de periode van 01 augustus 1997 tot 16 maart 1999 leiding geven aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten handel in verdovende middelen en voor de invoer daarvan.

In deze procedure wordt derhalve als vaststaand aangenomen dat deze feiten door de veroordeelde zijn begaan. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dat arrest is aan deze uit-spraak gehecht en maakt daarvan deel uit.

VASTSTELLING VAN HET WEDERRECHTELIJK VERKREGEN VOORDEEL

De rechtbank is van oordeel dat op grond van het onderzoek ter terechtzitting aannemelijk is geworden dat de veroordeelde door middel van of uit baten van de feiten waarvoor hij is veroordeeld wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.

De rechtbank is eveneens van oordeel dat er voldoende aanwijzingen bestaan dat veroordeelde als leider van deze criminele organisatie in evengemelde periode betrokken is geweest bij meer (invoer)transporten van cocaïne naar Nederland dan die waar veroordeelde in concreto bij arrest van het Hof is veroordeeld.

De rechtbank schat het voordeel dat de veroordeelde wederrechtelijk heeft verkregen op ten minste € 12.745.734,24.

De rechtbank grondt haar schatting op de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de inhoud van wettige bewijsmiddelen. De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist, in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

Met betrekking tot de berekening van het geschatte voordeel overweegt de rechtbank nader het volgende:

1. Vaststelling van de door veroordeelde ingevoerde hoeveelheid cocaïne.

1.1 Vaststelling van de middels dozen ingevoerde hoeveelheid cocaïne vanuit Curaçao.

De rechtbank heeft allereerst gelet op de bij de rechter-commissaris afgelegde verklaringen van [naam getuige 1] en [naam getuige 2]. De rechtbank acht deze verklaringen geloofwaardig.

De rechtbank acht het aannemelijk dat [naam getuige 1] voor veroordeelde [naam veroordeelde] heeft ingepakt:

- 3 x 3 dozen à 20 kilogram per doos: 180 kg

- 3 x 1 doos à 30 kilogram per doos: 90 kg

- 5 x 2 dozen à 30 kilogram per doos: 300 kg

----------

Subtotaal 570 kg

De rechtbank acht het aannemelijk dat [naam getuige 2] voor veroordeelde [naam veroordeelde] heeft ingepakt:

- 1 x 120 kilo van/voor [naam veroordeelde] alleen: 120 kg

- 3 x 1 doos à 44 kilogram per doos: 132 kg

- 3 x gemiddeld 80 kilogram: 240 kg

----------

Subtotaal 492 kg

De totale hoeveelheid cocaïne die op Curaçao is ingepakt en naar Nederland is vervoerd wordt dan ook vastgesteld op 1.062 kg.

Daarvan is 124 kilogram cocaïne door de politie in Nederland in beslag genomen. Die hoeveelheid dient bij de berekening van de opbrengst in mindering te worden gebracht. De hoeveelheid uit Curaçao afkomstige cocaïne die in Nederland is verkocht wordt derhalve vastgesteld op 938 kg.

Ter terechtzitting heeft de raadsman - kort gezegd - aangevoerd, dat de opbrengst verkregen uit de cocaïne die vanuit Curaçao door middel van dozen naar Nederland is gezonden, niet in zijn geheel aan veroordeelde [naam veroordeelde] kan worden toegerekend, aangezien hij tot januari 1999 met een persoon genaamd [naam getuige 3] heeft samengewerkt en zij de opbrengst door de helft hebben gedeeld. Daarnaast heeft de raadsman betoogd dat bij de berekening van de totale hoeveelheid cocaïne niet uitsluitend de verklaringen van de inpakkers [naam getuige 2] en [naam getuige 1] als uitgangspunt genomen kunnen worden, aangezien gedurende dezelfde periode waarin veroordeelde actief was in de opiumhandel ook anderen gebruik maakten van de diensten van voornoemde inpakkers en een deel daarvan bestemd was voor de lokale handel. Ter onderbouwing van zijn betoog heeft de raadsman ter terechtzitting een vonnis van het Gerecht in Eerste Aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao, d.d. 2 december 2002 in de zaak tegen [naam verdachte], overgelegd. Uit mede dit vonnis kan volgens de raadsman worden afgeleid dat onder meer voornoemde [naam getuige 3] een sleutelrol speelde bij de drugs die door de [getuige 1 en 2] werden ingepakt.

Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigt het door de raadsman overgelegde vonnis niet de conclusie dat [naam getuige 3] als gelijke naast [naam veroordeelde] in de cocaïnehandel actief was en op grond daarvan slechts vijftig procent van de geschatte opbrengst aan [naam veroordeelde] kan worden toegerekend. Het overgelegde vonnis wijst er eerder op dat [naam getuige 3] ná de aanhouding van [naam veroordeelde] een sleutelrol is gaan spelen. In het bijzonder gelet op de verklaringen van [naam getuige 4] en [naam getuige 5], afgelegd op respectievelijk 6 juni 2000 en 23 juni 1999, acht de rechtbank het aannemelijk dat veroordeelde de baas was van [naam getuige 3], en dat de totale opbrengst uit de cocaïnehandel met Curaçao grotendeels aan veroordeelde dient te worden toegerekend.

Gelet echter op de overige verklaringen in het dossier acht de rechtbank het aannemelijk dat een gedeelte van de opbrengst bij [naam getuige 3] terecht is gekomen, gelet op de werkzaamheden die hij voor [naam veroordeelde] verrichtte. De rechtbank schat dit gedeelte op 20% van de opbrengst uit Curaçao. Derhalve zal de rechtbank bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitgaan van een hoeveelheid van 750 kilogram cocaïne die in opdracht van [naam veroordeelde] van Curaçao naar Nederland is vervoerd en in Nederland is verkocht.

1.2 Vaststelling van de middels koeriers vanuit Aruba ingevoerde hoeveelheid cocaïne

1.2.1 De lijn [naam getuige 6] - [naam getuige 5] -[naam getuige 8]

Gelet op onder meer de verklaringen van [naam getuige 5], met name haar verklaring van 6 juli 1999, acht de rechtbank het aannemelijk dat [naam getuige 5] in opdracht van [naam veroordeelde] drie keer tassen met minimaal 18 kilogram cocaïne bij de woning van [naam getuige 6] heeft opgehaald. Daarvan is één tas door de politie onderschept en in beslag genomen. Aannemelijk is geworden dat [naam getuige 5], in opdracht van [naam veroordeelde], minimaal twee tassen met 18 kilogram cocaïne naar Nederland heeft vervoerd, hetgeen neerkomt op 36 kilogram cocaïne.

Door de raadsman is gesteld dat de cocaïnesmokkel vanuit Aruba naar Nederland buiten veroordeelde [naam veroordeelde] om heeft plaatsgevonden en dat [naam getuige 5] voor zichzelf, dan wel samen met [naam getuige 7] of [naam getuige 8] heeft gehandeld.

Gelet op de rol van [naam getuige 5] acht de rechtbank het niet aannemelijk dat [naam getuige 5] zelf, dan wel samen met [naam getuige 7] en/of [naam getuige 8], over voldoende kapitaal beschikte voor de inkoop van 36 kilogram cocaïne. De rechtbank acht het niet onaannemelijk dat [naam getuige 5] onder de vleugels van veroordeelde een kleine eigen handel had. Volgens haar verklaring bij de rechter-commissaris heeft zij hiermee een bedrag ter hoogte van fl. 150.000,-- voor zichzelf verdiend. De rechtbank zal bij de voordeelberekening rekening houden met die omstandigheid en voornoemd bedrag in mindering brengen op de geschatte winst van veroordeelde.

1.2.2. De lijn [naam getuige 9]

Gelet op de verklaringen van [naam getuige 9], [naam getuige 8] en [naam getuige 5] acht de rechtbank het aannemelijk dat in opdracht van veroordeelde [naam veroordeelde] vijftien maal acht kilogram cocaïne naar Nederland is vervoerd, zijnde 120 kilogram cocaïne in totaal.

Conclusie:

De totale hoeveelheid ingevoerde cocaïne die in opdracht van veroordeelde [naam veroordeelde] in Nederland is ingevoerd wordt door de rechtbank op grond van bovenstaande berekeningen geschat op 906 kilogram.

2. Vaststelling van de inkoopprijs en (gemiddelde) verkoopprijs van de cocaïne

Naar het oordeel van de rechtbank is aannemelijk geworden dat op Curaçao en Aruba de inkoopprijs voor 1 kilogram cocaïne gemiddeld fl. 7.600,-- bedroeg.

Ten aanzien van de verkoopprijs is de rechtbank uitgegaan van fl. 45.669,-- voor één kilogram cocaïne. De rechtbank heeft hierbij gelet op de boekhouding van veroordeelde, zoals neergelegd in de drie faxbladen d.d. 22 januari 1999 en een blauw schrift met het opschrift ‘Bal..’. Hierin worden de navolgende prijzen per kilo genoemd:

Hoeveelheid in kilo’s x prijs/kilo = verkoopwaarde

76 x fl. 46.000,-- = fl. 3.496.000,--

37 x fl. 44.000,-- = fl. 1.628.000,--

8 x fl. 50.000,-- = fl. 400.000,--

8 x fl. 43.000,-- = fl. 344.000,--

10 x fl. 48.000,-- = fl. 480.000,--

_____________________________

139 fl. 6.348.000,--/139 = fl. 45.669,--

De rechtbank heeft bij bovenstaande berekening van de gemiddelde verkoopprijs de verkoopprijzen in de zaken “West” en “Krijtje”, die respectievelijk een stuk lager en hoger zijn, buiten beschouwing gelaten.

3. Vaststelling van de inpakkosten

Gelet op de verklaringen van [naam getuige 2] acht de rechtbank het aannemelijk dat de kosten voor het inpakken US$ 546,-- per kilo bedragen. Die kosten zijn gemaakt voor (906 - 120) 786 kilo, nu 120 kilo door [naam getuige 2] is ingepakt en hij daarvoor niet is betaald.

4. Vaststelling van de overige kosten van de middels dozen en koeriers ingevoerde cocaïne

De kosten van de middels dozen en koeriers ingevoerde cocaïne zijn:

betaalde kosten [naam getuige 10] fl. 226.000,--

+ kosten reis-, verblijfkosten en

geprepareerde koffers en huur fl. 91.300,--

___________

fl. 317.300,--

De kosten voor de invoer van de dozen met cocaïne, door de verdediging gesteld op fl. 12.833,-- per kilo, worden door de rechtbank onaannemelijk hoog geacht en de verdediging heeft dit standpunt overigens ook op geen enkele wijze kunnen onderbouwen. De rechtbank houdt het er op dat het totaal van de bijzondere kosten is vast te stellen op fl. 317.300,--.

Voorts is een bedrag van US$ 500.000,--, toebehorende aan veroordeelde, bij een veroordeelde medeverdachte in beslag genomen en verbeurd verklaard. Vanwege dit laatste zal dit bedrag op het wederrechtelijk verkregen voordeel in mindering worden gebracht.

5. Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Op grond van de onder 1 tot en met 4 genoemde hoeveelheden, prijzen en kosten stelt de rechtbank aan de hand van navolgende berekening het wederrechtelijk verkregen voordeel vast.

Totale hoeveelheid cocaïne: 750 kg + 36 kg + 120 kg = 906 kg

Opbrengst cocaïne: 906 kg x fl. 45.669,-- = fl. 41.376.114,--

Minus operationele kosten:

Kosten inkoop: fl. 7600,-- x 906 kg = fl. 6.885.600,--

Kosten inpakken: 906 kg – 120 kg = 786 kg: 786 kg x US$ 546,-- x fl. 2,-- = fl. 858.312,--

Kosten plaatsen: fl. 4.500,-- x 906 kg = fl. 4.077.000,--

Overige kosten inclusief [naam getuige 10]: fl. 317.300,--

Totale Kosten fl. 12.138.212,--

Minus bijzondere kosten:

Kosten in beslag genomen geld: US$ 500.000,-- x fl. 2,-- = fl. 1.000.000,--

Deel winst [naam getuige 5]: = fl. 150.000,--

Wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op: fl. 28.087.902,--, hetgeen overeenkomt met € 12.745.734,24.

VASTSTELLING VAN HET TE BETALEN BEDRAG

Tijdsverloop.

Op 10 maart 1999 is door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank toestemming verleend tot het instellen van een strafrechtelijk financieel onderzoek (SFO). Op 10 september 2001 heeft het Openbaar Ministerie het SFO gesloten en is de ontnemingsvordering aan verdachte betekend. Op 10 oktober 2001 heeft de eerste pro forma behandeling plaatsgevonden en is de zaak op 6 november 2002 op verzoek van de verdediging verwezen naar de rechter-commissaris, teneinde getuigen te doen horen. Op 26 januari 2004 is veroordeelde niet tijdig opgeroepen en is de behandeling om die reden geschorst. Na nog twee pro forma behandelingen is de ontnemingszaak uiteindelijk op 13 september 2004 inhoudelijk door de rechtbank behandeld.

De rechtbank is van oordeel dat dit een overschrijding van de redelijke termijn oplevert.

Regel is dat de overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van het ontnemingsbedrag.

Gelet op de feiten en omstandigheden die tot de termijnoverschrijding in onderhavige ontnemingszaak hebben geleid, acht de rechtbank een matiging van 5% op zijn plaats, zodat het te betalen bedrag lager is dan het geschatte voordeel, te weten € 12.108.447,53.

De rechtbank heeft bij haar beslissing in aanmerking genomen de persoon en de persoon-lijke omstandigheden van de veroordeelde, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

De rechtbank zal bepalen dat het te betalen bedrag door de veroordeelde aan de staat moet worden betaald.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Deze beslissing is gegrond op de artikelen 24d (oud) en 36e van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

- stelt het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 12.745.734,24

(zegge: twaalf miljoen zevenhonderdvijfenveertig duizend zevenhonderdvierendertig euro en vierentwintig eurocent);

- legt aan de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat van € 12.108.447,53

(zegge: twaalf miljoen honderdacht duizend vierhonderdzevenenveertig euro en drieënvijftig eurocent).

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Kalk, voorzitter,

en mrs. Buizer en Boer, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Bernard, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 oktober 2004.