Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2004:AP2086

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-04-2004
Datum publicatie
21-06-2004
Zaaknummer
03/2315 PREMIE
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank overweegt dat de door de minister vastgestelde regeling binnen de grenzen van de door de wetgever gegeven bevoegdheid blijft. De rechtbank acht de uitleg die de minister aan artikel 9, eerste, tweede en derde lid van de CSV heeft gegeven niet strijdig met vorenvermelde jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, aangezien deze jurisprudentie uitsluitend betrekking heeft op de situatie waarin werkzaamheden worden verricht in een arbeidspatroon van 14 dagen werken/ 14 dagen vrij. Voor het achterwege laten van toetsing aan de regeling bestaat geen aanleiding. Het betreft hier immers een regeling die in lijn is met de uitvoeringspraktijk van verweerder. Voor schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur is dan ook geen sprake.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE ROTTERDAM

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Reg.nr.: PREMIE 03/2315-ZWI

Uitspraak

in het geding tussen

[naam eiseres] , gevestigd te {naam plaats], eiseres,

gemachtigde drs. D.J. van de Velde, werkzaam bij Berk Accountants en Belastingadviseurs te Den Haag,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

1. Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 11 maart 2003 heeft verweerder eiseres correcties premieheffing ingevolge de werknemersverzekeringen over het loontijdvak 1 januari 2002 tot en met 31 december 2002 opgelegd.

Tegen dit besluit is namens eiseres bij brief van 22 april 2003 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 24 juni 2003 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) is namens eiseres bij brief van 1 augustus 2003 beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn bij brieven van 26 augustus 2003 en 12 maart 2003 aangevuld.

Verweerder heeft bij brief van 7 november 2003 een verweerschrift ingediend. Op 11 maart 2004 heeft verweerder het verweerschrift aangevuld.

Het geding is op 25 maart 2004 ter zitting aan de orde gesteld. Geen der partijen is verschenen.

2. Overwegingen

In dit geding dient de rechtbank te beoordelen of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Bij dit besluit heeft verweerder zijn standpunt, zoals neergelegd in het besluit van 11 maart 2003, waarbij verweerder eiseres correctienota's ingevolge de werknemersverzekeringen over het tijdvak 2002 heeft opgelegd, gehandhaafd.

In beroep heeft de gemachtigde van eiseres aangevoerd dat verweerder ten onrechte correctie premies werknemersverzekeringen heeft vastgesteld over de dagen waarop wel loon is genoten maar geen arbeid is verricht. Eiseres heeft in dit verband verwezen naar jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, in het bijzonder de uitspraak van 31 mei 2001, gepubliceerd in RSV 2001/184. Ten aanzien van de Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 3 februari 2004 is namens eiseres gesteld dat de terugwerkende kracht die aan deze regeling is gegeven in strijd is met het zorgvuldigheid- en rechtszekerheidsbeginsel en derhalve geen gevolgen kan hebben voor de onderhavige procedure omdat deze immers betrekking heeft op 2002.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de Centrale Raad van Beroep een te beperkte uitleg aan het begrip loondagen geeft. De uitleg van de Centrale Raad van Beroep dat onder loondagen moet worden verstaan “de dagen waarop een werknemer tegen loon heeft gewerkt” acht verweerder in strijd met de letterlijke tekst van artikel 9 van de Coordinatiewet Sociale Verzekering (hierna: CSV), en overigens ook met de bedoeling van de wetgever. Verweerder heeft in dit verband zich op het standpunt gesteld dat de systematiek van de premieheffing ingevolge artikel 9, eerste lid, van de CSV een systeem van premieheffing per premiebetalingstijdvak betreft en niet een systeem van premieheffing per gewerkte dag. Voorts is verweerder van oordeel dat in het gehele systeem van premieheffing werknemersverzekeringen geen verband wordt gelegd met daadwerkelijk verrichte arbeid en het ook niet de bedoeling van de wetgever is geweest om alleen arbeidsdagen als loondagen aan te merken. Toepassing van de door de Centrale Raad van Beroep gegeven definitie van het begrip loondag zou immers tot een onaanvaardbare rechtsongelijkheid leiden omdat bij gelijke lonen dan verschillende bedragen aan premies verschuldigd zouden zijn. Bovendien zouden op deze wijze dagen waarover wel loon is genoten, maar waarop geen arbeid is verricht niet als loondagen kunnen worden aangemerkt. Verweerder is dan ook van oordeel dat de zinsnede in artikel 9, eerste lid, van de CSV, waarin wordt gerefereerd aan “dagen waarover loon is genoten” dient te worden gelezen als “dagen waarover loon of een aan loon gelijkgestelde uitkering is genoten”. De Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 3 februari 2004 ziet verweerder als een onderbouwing van haar standpunt.

De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.

Partijen verschillen van mening over de vraag of verweerder, met inachtneming van de maximum daglonen en de geldende franchises, gehouden is tot premieheffing ingevolge de werknemersverzekeringen over dagen waarop niet is gewerkt, maar wel loon is gereserveerd.

De rechtbank zal zich tot dit punt van het geschil beperken.

De artikelen 4 tot en met 8 van de CSV bepalen wat tot het loon in de zin van deze wet behoort. Over dit loon is een werkgever premies werknemersverzekeringen verschuldigd. Aan de hoogte van het loon is ingevolge artikel 9 CSV een maximumbedrag verbonden, waarboven premieheffing achterwege dient te blijven.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de CSV wordt de hoogte van het maximumbedrag berekend door het aantal dagen, waarover in het premiebetalingstijdvak loon is genoten, te vermenigvuldigen met een voor ieder kalenderjaar opnieuw vastgesteld bedrag (het maximum dagloon). Het vijfde lid van dit artikel bepaalt dat, indien de werknemer uitsluitend als gevolg van ploegendienst op minder dan vijf dagen per week arbeid verrichtte, hij geacht wordt over het tijdvak waarin hij in ploegendienst werkzaam was, over vijf dagen per week loon te hebben genoten. Ingevolge het zesde lid van dit artikel wordt voor de toepassing van het bepaalde in de vorige leden onder meer bedoeld dat het aantal dagen, waarover de werknemer gemiddeld per werkweek loon heeft genoten, geacht wordt niet meer dan 5 te bedragen.

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft aanleiding gezien gebruik te maken van zijn in artikel 9, tiende lid, van de CSV neergelegde bevoegdheid tot het stellen van nadere regelen. Bij Regeling van 3 februari 2004, nr. SV/F&W/04/5689, houdende verduidelijking van het begrip dagen waarover de werknemer loon heeft genoten als bedoeld in artikel 9 (hierna: regeling) heeft de minister toegelicht wat moet worden verstaan onder het begrip "dagen waarover de werknemer loon heeft genoten". Aan de regeling is terugwerkende kracht gegeven tot 1 januari 1995.

Artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, b, c en d van de regeling luidt;

" 1. Onder dagen waarover de werknemer loon heeft genoten als bedoeld in artikel 9, eerste, derde

en vierde lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering, worden verstaan:

a. dagen waarop de werknemer tegen loon heeft gewerkt of zich tegen loon voor de werkgever beschikbaar heeft gehouden;

b. dagen waarover de werknemer loon heeft genoten op grond van artikel 628, 629 of 639 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, of op grond van naar aard en strekking overeenkomstige regelingen voor werknemers met een publiekrechtelijke dienstbetrekking;

c. de dagen waarop de werknemer normaal gesproken gewerkt zou hebben maar waarop hij geen werkzaamheden verricht noch zich voor de werkgever beschikbaar houdt en waarover de werkgever, anders dan op grond van de artikelen of regelingen, bedoeld in onderdeel b, wel loon betaalt;

d. dagen waarover de werknemer uitkering of toeslag als bedoeld in artikel 3a, tweede en derde lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering heeft ontvangen. ".

Op grond van het tweede lid van de regeling wordt zo nodig in afwijking van het eerste lid bij dezelfde werkgever een dag slechts eenmaal in aanmerking genomen.

De rechtbank overweegt dat de door de minister vastgestelde regeling binnen de grenzen van de door de wetgever gegeven bevoegdheid blijft. De rechtbank acht de uitleg die de minister aan artikel 9, eerste, tweede en derde lid van de CSV heeft gegeven aanvaardbaar en niet strijdig met vorenvermelde jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, aangezien deze jurisprudentie uitsluitend betrekking heeft op de situatie waarin werkzaamheden worden verricht in een arbeidspatroon van 14 dagen werken/ 14 dagen vrij.

Het bovenstaande brengt met zich dat het bestreden besluit dient te worden getoetst aan de regeling. Voor het achterwege laten van een dergelijke toetsing bestaat geen aanleiding nu de rechtbank geen grond heeft kunnen vinden voor de opvatting dat de regeling niet geacht zou mogen worden vanaf 1 januari 1995 te hebben gegolden. Het betreft hier immers een regeling die in lijn is met de uitvoeringspraktijk van verweerder. Voor schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zoals namens eiseres is betoogd, is dan ook geen sprake.

De rechtbank overweegt dienaangaande dat de wijze waarop verweerder bij het bestreden besluit feitelijk toepassing heeft gegeven aan artikel 9 van de CSV overeenstemt met de nadere uitleg die de minister in de regeling hieraan heeft gegeven.

Verweerder heeft zich bij het bestreden besluit derhalve terecht op het standpunt gesteld dat de dagen waarop niet is gewerkt, maar wel loon is genoten ingevolge artikel 9 van de CSV moeten worden betrokken bij de premieheffing werknemersverzekeringen.

Uit het vorenstaande volgt dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P van Zwieten.

De beslissing is, in tegenwoordigheid van mr. A.J.J. van der Vlist als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 april 2004.

De griffier: De rechter:

Afschrift verzonden op:

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiseres wordt begrepen -en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.