Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2004:AP1576

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-05-2004
Datum publicatie
15-06-2004
Zaaknummer
03/2384 WAO
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2005:AT9847
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Nu bij het Koninklijk besluit van 4 december 2002 de inwerkingtreding van de verplichting voortvloeiend uit artikel 7658a, eerste lid, van het BW is uitgesteld tot 1 januari 2004, is er geen grond voor het oordeel dat eiser gehouden was de werknemer aan te melden voor outplacement en was hij evenmin gehouden met dat doel een loonsanctie tegen de werknemer te treffen.

Uitspraak bevestigd in hoger beroep; LJN AT9847.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK TE ROTTERDAM

Meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Reg.nr.: WAO 03/2384 NIFT

Uitspraak

in het geding tussen

[y], eiser,

gemachtigde mr. P. Smit,

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder,

vestiging Rotterdam.

1. Ontstaan en loop van de procedure

Op 1 april 2003 heeft [x] (hierna: de werknemer) een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering aangevraagd.

Bij besluit van 7 april 2003 heeft verweerder eiser meegedeeld dat het recht op loondoorbetaling van de werknemer wordt verlengd van 9 april 2003 tot 8 augustus 2003, omdat de activiteiten tot reïntegratie van de werknemer onvoldoende zijn geweest.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 25 april 2003 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 3 juli 2003 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft eiser bij brief van 8 augustus 2003 beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij brief van 3 september 2003 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2004. Aanwezig waren eiser en zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.J.M.M. de Poel.

2. Overwegingen

De werknemer is op 1 mei 1999 in dienst getreden bij eiser in de functie van patatverkoper.

Op 10 april 2002 is de werknemer uitgevallen in verband met rugklachten.

In mei 2002 heeft de werknemer bij eiser hervat in aangepast werk.

Arbo-arts M. van Nunen heeft in het reïntegratierapport van 29 mei 2002 geadviseerd dat de werknemer hervat voor tien uur per week in aangepaste werkzaamheden, met als einddoel werkhervatting in de eigen functie.

In zijn rapportage van 25 maart 2003 heeft de arbeidsdeskundige geconcludeerd dat de reïntegratie-inspanningen van eiser onvoldoende zijn geweest en dat eiser dit is te verwijten. Overwogen is dat de kansen van de werknemer om door middel van het “tweede spoor” aan het werk te komen, aanzienlijk waren. Onder tweede spoor wordt verstaan de verplichting van de werkgever om de inschakeling van de werknemer in voor hem passende arbeid in het bedrijf van een andere werkgever te bevorderen. De werknemer heeft zich op geen enkele wijze actief opgesteld om door middel van het tweede spoor aan het werk te komen en heeft zich niet aan controlevoorschriften gehouden. De werkgever heeft nagelaten, afgaand op inadequate informatie van de bedrijfsarts, het gedrag van de werknemer te sanctioneren door inhouding van loon. Naar het oordeel van de arbeidsdeskundige zou de werkgever hiermee medewerking aan reïntegratie door middel van het tweede spoor hebben afgedwongen.

In zijn brief van 5 februari 2004 aan eiser heeft M.P. Oosterwaal, accountmanager van Achmea Arbo B.V., meegedeeld dat hij navraag heeft gedaan bij het Uwv waarom het advies van bedrijfsarts [a] als onjuist is aangemerkt. Een medewerker van het Uwv heeft verklaard dat is bedoeld dat de bedrijfsarts eiser eerder op het traject van het tweede spoor had moeten zetten. In de brief is verklaard dat alle deskundigen van Arbo-groep GAK (thans Achmea Arbo B.V.) er tot 2003 van overtuigd waren dat de verplichting tot reïntegratie door middel van het tweede spoor pas met ingang van 1 januari 2003 verplicht was voor de werkgever en voordien een verplichting was van het Uwv.

De bezwaararbeidsdeskundige heeft in zijn rapportage van 27 juni 2003 overwogen dat geen mogelijkheden bestaan tot hervatting bij de eigen werkgever, maar dat geen aanmelding van de werknemer bij verweerder heeft plaatsgevonden voor arbeidsintegratie.

Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat hij niet verplicht was voor de werknemer een outplacementtraject op te starten.

Verweerder heeft het standpunt ingenomen dat eiser, door de werknemer niet aan te melden voor outplacement en door de werknemer geen loonsanctie op te leggen teneinde hem te bewegen zich actiever op te stellen tegenover de mogelijkheid van outplacement, onvoldoende reïntegratie-inspanningen heeft geleverd.

De rechtbank overweegt als volgt.

Op grond van artikel 71a, negende lid, van de WAO, voor zover hier van belang, stelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, indien bij de behandeling van de aanvraag, bedoeld in artikel 34, derde lid, van de WAO en de beoordeling als bedoeld in artikel 34a van de WAO blijkt dat de werkgever zonder deugdelijke grond onvoldoende reïntegratie-inspanningen heeft verricht, een tijdvak vast, gedurende welke de werknemer jegens die werkgever recht op loon heeft op grond van artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: het BW).

Ingevolge artikel III, onderdeel C, van de Wet verbetering poortwachter (Wet van 29 november 2001, Stb. 2001, 628, hierna: de WVP) wordt in het BW een nieuw artikel 7:658a ingevoegd.

In het eerste lid van artikel 7:658a, eerste lid, van het BW is, voor zover hier van belang, bepaald dat de werkgever, indien vaststaat dat de eigen arbeid niet meer kan worden verricht en in het bedrijf van de werkgever geen andere passende arbeid voorhanden is, de inschakeling van de werknemer in voor hem passende arbeid in het bedrijf van een andere werkgever bevordert.

Het tijdstip van inwerkingtreding van artikel III, onderdeel C, van de WVP is krachtens artikel XVII, eerste lid, van de WVP, in onderdeel b van het enig artikel van het Koninklijk besluit van 13 december 2001 (Stb. 2002/685) vastgesteld op 1 januari 2003.

Bij Koninklijk besluit van 4 december 2002 (Stb. 2002/607) is de inwerkingtreding van artikel III, onderdeel C, van de WVP uitgesteld tot 1 januari 2004.

Het bestreden besluit is gebaseerd op de overweging dat eiser te weinig inspanningen heeft geleverd om de werknemer te bewegen tot aanvaarding van werk bij een andere werkgever. Deze overweging veronderstelt de verplichting van eiser tot het bevorderen van inschakeling van de werknemer in passende arbeid in het bedrijf van een andere werkgever. Nu bij het Koninklijk besluit van 4 december 2002 de inwerkingtreding van die verplichting - voortvloeiend uit artikel 7658a, eerste lid, van het BW - is uitgesteld tot 1 januari 2004, is er geen grond voor het oordeel dat eiser gehouden was de werknemer aan te melden voor outplacement en was hij evenmin gehouden met dat doel een loonsanctie tegen de werknemer te treffen.

Voor zover verweerder zich op het standpunt heeft gesteld dat eiser ook ten aanzien van de reïntegratie binnen de eigen onderneming onvoldoende inspanningen heeft verricht, ontbeert dit standpunt een voldoende feitelijke grondslag. De sancties, die eiser volgens de arbeidsdeskundige verzuimd heeft tegen de werknemer te treffen, zouden immers reïntegratie van de werknemer bij een andere werkgever ten doel hebben gehad. Uitdrukkelijk is aangegeven in de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige dat geen mogelijkheden tot werkhervatting bestaan bij de eigen werkgever.

Het bestreden besluit berust op een onjuiste grondslag en komt derhalve wegens strijd met artikel 71a van de WAO voor vernietiging in aanmerking. Het beroep wordt gegrond verklaard.

De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep tot aan deze uitspraak redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank bepaalt de proceskosten op € 322,- aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Van overige kosten waarop een veroordeling in de proceskosten betrekking kan hebben, is de rechtbank niet gebleken.

3. Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt het bestreden besluit,

bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 31,- vergoedt,

veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 322,- en wijst het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan als de rechtspersoon die deze kosten aan eiser moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Stuurop als voorzitter en mr. L.A.C. van Nifterick en mr. A. van Sonsbeeck als leden.

De beslissing is, in tegenwoordigheid van mr. W.B. Vos als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 mei 2004.

De griffier: De voorzitter:

Afschrift verzonden op:

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiseres wordt begrepen -en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.