Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2003:AO5987

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-02-2003
Datum publicatie
09-08-2006
Zaaknummer
00/530 en 531R
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Weigering homologatie wegens onttrekking van € 7.000,- aan de boedel. Beëindiging op grond van artikel 338 lid 4 Fw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te Rotterdam,

Enkelvoudige kamer

Bij vonnissen van deze kamer van 6 december 2000 is de definiteve toepassing van de schulsaneringsregelingen uitgesproken ten aanzien van:

D. A.

geboren op

en

Y. C. ,

geboren op,

beiden wonende te

schuldenaren.

De rechtbank heeft kennis genomen van de processen-verbaal van de gehouden

verifcatievergadering d.d. 19 september 2002, 15 november 2002 en 13 december 2002, alsmede van het aangenomen ontwerp van een akkoord.

De rechter-commissaris heeft ter terechtzitting van heden verslag uitgebracht. De inhoud van genoemd verslag, waarin de rechter-commissaris de rechtbank adviseert het akkoord niet te homologeren, dient als hier ingevoegd te worden beschouwd. Bezwaren van schuldeisers zijn noch bij de verificatievergadering noch ter zitting naar voren gebracht.

Uit eerdergenoemd proces-verbaal d.d. 13 december 2002 blijkt dat de bewindvoerder heeft verklaard dat de schuldenaren tijdens de schuldsaneringsregeling € 7.000,- hebben aangewend om privé-schulden af te lossen, hetgeen door de schuldenaren niet werd betwist. Ter terechtzitting van heden hebben de schuldenaren verklaard tijdens de schuldsaneringsregeling privé-schulden te hebben afbetaald. De schuldenaren hebben betwist dat het een bedrag van € 7.000,- betreft.

Ten aanzien van de homologatie oordeelt de rechtbank conform het advies van de rechter-commissars, zoals deze dit heeft verwoord in eerder genoemd verslag, zijnde diens verslag ex artikel 337 Faillissementwet d.d. 20 december 2002.

Vervolgens is aan de orde de vraag of de schuldsaneringsregelingen dienen te worden voortgezet. De schuldenaren hebben tijdens de schuldsaneringsregeling een aanzienlijk bedrag aan enkele privé-schuldeisers betaald, als gevolg waarvan hun overige schuldeisers zijn benadeeld. De schuldenaren wisten dan wel behoorden te weten dat hierdoor de overige schuldeisers benadeeld zouden worden. Immers, zonder voornoemde betalng had het aldus weggevloeide bedrag ter verdeling onder alle schuldeisers kunnen worden aangewend. De rechtbank is van oordeel dat voornoemd handelen voldoende grond oplevert om de schuldsaneringregelingen niet voor te zetten maar te beëindigen.

Aangezien de schuldsaneringsregelingen worden beëindigd op grond van het bepaalde in artikel 350 derde lid onder e van de Faillissementswet, verkeren de schuldenaren van rechtswege in staat van faillissement, zodra deze uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan. De rechtbank zal aanstonds een rechter-commissaris benoemen en een curator aanstellen. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 14, lid 1 van de Faillissementswet zal een postblokkade worden ingesteld.

De rechtbank zal het salaris van de bewindvoerder vaststellen. De kosten van de in de schuldsaneringsregelingen bevolen publicaties worden begroot op € 800,- en dienen tot voornoemd bedrag uit de boedel te worden voldaan en komen voor het meerdere ten laste van de Staat.

BESLISSING

De rechtbank:

- weigert de homologatie van het op 31 december 2002 aangenomen akkoord;

- beëindigt de toepassing van de schuldsaneringsregelingen en benoemt in de faillissementen van de schuldenaren als rechter-commissaris mr. Van B ,

en stelt aan tot curator mr. H ,

gevestigd te Rotterdam;

- stelt het bedrag van het salaris van de bewindvoerder vast op € 789,85 ( exclusief

de daarover verschuldigde omzetbelasting);

- bepaalt dat de kosten van de in de Faillissementswet bevolen publicaties tot een

bedrag van € 800,- ten laste van de boedel komen en voor het meerdere ten lastevan de Staat worden gebracht.

- geeft last aan de curator tot het openen van aan de gefailleerden gerichte brieven en

telegrammen.

Gewezen door mr. R , lid van genoemde kamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 februari 2003 in tegenwoordigheid van de griffier.