Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2003:AO1528

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15-12-2003
Datum publicatie
09-01-2004
Zaaknummer
03/3056-ZWI CSV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres is papieren bestuurder geweest in één van de vennootschappen. Zij was in de andere vennootschap naar het oordeel van de rechtbank geen feitelijke beleidsbepaler. De perioden waarin eiseres bestuurder zou zijn geweest vallen buiten de 3 jaarsperiode als bedoeld in art. 16d lid 3 CSV. Nu eiseres ten onrechte aansprakelijk is gesteld komt de grondslag aan het schorsingsbesluit te ontvallen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK TE ROTTERDAM

[y]voudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Reg.nrs.: CSV 03/3056-ZWI

CSV 03/3060-STU

CSV 03/3061-NIFT

Uitspraak

in het geding tussen

[x], wonende te [y] in België, eiseres,

gemachtigde: L.H.E. Møller, advocaat te Rotterdam,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

1. Ontstaan en loop van de procedure

Bij twee afzonderlijke besluiten van 3 juni 2002 heeft verweerder eiseres in de hoedanigheid van bestuurder ingevolge artikel 16d van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (hierna: CSV) hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor een deel van de door Donk Installatie- Constructie- en Timmerwerken N.V. (hierna: Donk) verschuldigde premies werknemersverzekeringen, bestaande uit onbetaald gebleven correcties en boeten, over de loontijdvakken 1996, 1997 en 1998 tot een bedrag van € 2.464.549,88 respectievelijk voor een deel van de door Sontinvest B.V. (hierna: Sontinvest) verschuldigde premies werknemersverzekeringen, bestaande uit onbetaald gebleven correcties en boeten, over de loontijdvakken 1996, 1997, 1998 en 1999 tot een bedrag van € 2.892.065,95. In de begeleidende brieven wordt eiseres verzocht de vorderingen inzake Donk en Sontinvest binnen vier weken na dagtekening van die brieven te voldoen en is medegedeeld dat bij gebreke daarvan vanaf de vervaldatum wettelijke rente in rekening zal worden gebracht.

De gemachtigde van eiseres heeft bij twee afzonderlijke brieven van 12 juli 2002 bezwaar gemaakt tegen deze besluiten. Daarbij heeft eiseres ten aanzien van beide primaire besluiten verzocht om uitstel van betaling tot onherroepelijk op het bezwaarschrift is beslist.

Bij brief van 16 september 2002 heeft verweerder met betrekking tot het verzoek om uitstel van betaling inzake aansprakelijkstelling voor door Donk verschuldigde premies eiseres bericht, dat alleen ingeval eiseres een bankgarantie tot zekerheid verstrekt uitstel van betaling wordt verleend. Binnen veertien dagen dient de vordering alsnog te zijn bijgeschreven op de rekening van verweerder danwel moet door eiseres een betalingsvoorstel zijn gedaan aan de hand van mee te sturen financiële informatie.

De gemachtigde van eiseres heeft bij brief van 28 oktober 2002 bezwaar gemaakt tegen deze brief van 16 september 2002.

Bij besluit van 22 januari 2003 heeft verweerder het bezwaar tegen de brief van 16 september 2002 ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit (hierna: besluit I) heeft eiseres bij brief van 4 maart 2003, aangevuld bij brief van 1 juli 2003, beroep ingesteld bij de rechtbank te Amsterdam.

Bij twee afzonderlijke besluiten van 29 april 2003 heeft verweerder de bezwaren tegen de besluiten van 3 juni 2002 deels gegrond verklaard onder herroeping van de aansprakelijkstellingen voor door Donk onbetaald gebleven premies voor loontijdvakken na 17 december 1996 en voor door Sontinvest onbetaald gebleven premies voor loontijdvakken na 21 juli 1997. Verweerder heeft de aansprakelijkstellingen daarbij teruggebracht tot een bedrag van respectievelijk € 937.156,78 en € 683.627,40. Voor het overige heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard.

Tegen deze besluiten (hierna: besluit II, respectievelijk besluit III) heeft eiseres bij afzonderlijke brieven van 17 januari 2003, aangevuld bij brieven van 4 september 2003, beroep ingesteld bij de rechtbank te Amsterdam.

Verweerder heeft bij brief van 30 juli 2003 een verweerschrift ingediend inzake het beroep tegen besluit I.

Voorts heeft verweerder bij brieven van 4 november 2003 een tweetal verweerschriften ingediend inzake de beroepen tegen de besluiten II en III.

De rechtbank te Amsterdam heeft met het oog op gewenste behandeling door één rechtbank van soortgelijke zaken genoemde zaken doorgestuurd naar de rechtbank te Rotterdam (hierna: de rechtbank) waar reeds één of meer soortgelijke zaken aanhangig zijn.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2003. Aanwezig waren eiseres en haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Hofland.

2. Overwegingen

2.1. Wettelijk kader

Ingevolge artikel 16d, eerste lid, van de CSV is hoofdelijk aansprakelijk voor de premie en de voorschotpremie verschuldigd door een rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam dat volledig rechtsbevoegd is, voor zover het aan de heffing van de vennootschapsbelasting is onderworpen: ieder van de bestuurders overeenkomstig het bepaalde in de volgende leden.

Ingevolge artikel 16d, tweede lid, eerste volzin, van de CSV is het lichaam als bedoeld in het eerste lid verplicht om onverwijld nadat gebleken is dat het niet tot betaling in staat is, daarvan mededeling te doen aan het uitvoeringsorgaan en, indien het uitvoeringsorgaan dit verlangt, nadere inlichtingen te verstrekken en stukken over te leggen.

Ingevolge artikel 16d, derde lid, van de CSV is, indien het lichaam op juiste wijze aan zijn in het tweede lid bedoelde verplichting heeft voldaan, een bestuurder aansprakelijk indien aannemelijk is, dat het niet betalen van de premie of de voorschotpremie het gevolg is van aan hem te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur in de periode van drie jaren, voorafgaande aan het tijdstip van de mededeling.

Ingevolge artikel 16d, zesde lid, van de CSV wordt voor de toepassing van dit artikel onder bestuurder mede verstaan:

a. de gewezen bestuurder, tijdens wiens bestuur de premieschuld is ontstaan;

b. degene ten aanzien van wie aannemelijk is dat hij het beleid van het lichaam heeft bepaald of mede heeft bepaald als ware hij bestuurder, met uitzondering van de door de rechter benoemde bewindvoerder;

c. ieder van de met de vereffening belaste personen ingeval het lichaam is ontbonden, met uitzondering van de door de rechter benoemde vereffenaar;

d. indien een bestuurder van een lichaam een lichaam is: ieder van de bestuurders van het laatstbedoelde lichaam.

2.2. Feiten die als vaststaand worden aangenomen

Ten tijde in geding waren de vennootschappen Donk en Sontinvest, respectievelijk opgericht op 8 december 1924 en 3 juli 1989 bij de Kamer van Koophandel ingeschreven als ondernemingen die werkzaam waren op het gebied van installatie, constructie en het aannemen en uitvoeren van timmerwerk. Bestuurder van Donk was tot 20 dec[d]1996 [z] en vanaf die datum Landstar Real Estate N.V. (hierna: Landstar). Landstar op haar beurt was op 20 oktober 1991 opgericht in Curaçao en per 20 oktober 1994 aldaar gevestigd. Bestuurder van Landstar is [h]. Donk was vanaf 23 april 1996 bestuurder van Sontinvest. Medebestuurder was tot 22 juli 1997 [x].

Nadat geplande looncontroles in 1998 geen doorgang konden vinden is door de looninspecteur van Gak Nederland BV aan de hand van de gestorte bedragen op de G-rekeningen van de vennootschappen een berekening gemaakt van de loonbedragen die ondermeer door Donk en Sontinvest opgegeven hadden moeten worden. Tegen de opgelegde voorschot- correctie- en boetenota's die daaruit resulteerden, is door Donk en Sontinvest bezwaar gemaakt, welke bezwaren ongegrond zijn verklaard. De tegen die besluiten ingesteld beroepen zijn door de rechtbank bij uitspraak van 2 augustus 2001, reg.nrs. CSV 99/1244- en 99/1375-LUG, niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van processueel belang van Donk en Sontinvest. Donk was inmiddels op 7 december 1999 failliet verklaard. Sontinvest is nadien op 19 december 2001 failliet verklaard.

Voorts is een strafrechtelijk en een fiscaal onderzoek ingesteld naar de aan Donk en Sontinvest gelieerde personen. Bij brief van 22 maart 2002 heeft de Officier van Justitie eiseres bericht haar (verder) niet te zullen vervolgen met betrekking tot de zaak bekend onder de naam Donk.

Het grotendeels onbetaald laten van nadien over de periode opgelegde nota's heeft geleid tot de besluiten van 3 juni 2002, welke bij de besluiten II en III zijn gehandhaafd. Tussendoor liep nog de besluitvorming inzake betalingsuitstel als vermeld in rubriek 1, hetgeen resulteerde in besluit I.

2.3. Standpunten van partijen

Zaak 03/3056

In besluit I heeft verweerder - samengevat - overwogen dat:

- de vraag of eiseres al dan niet terecht ingevolge artikel 16d van de CSV aansprakelijk is gesteld en de vraag of het betreffende besluit van 3 juni 2002 inzake Donk bevoegd is genomen buiten de beoordeling van het bezwaar vallen;

- het besluit van 16 december 2002 is genomen conform het beleid van verweerder;

- uit dat beleid geenszins volgt dat de betalingsverplichting bij een geschil omtrent de verschuldigdheid van de premies standaard zou worden opgeschort tot de verschuldigdheid onherroepelijk is komen vast te staan;

- van een reden tot uitstel niet is gebleken nu eiseres niet heeft gesteld in betalingsonmacht te verkeren en eiseres voorts niet bereid is gebleken enige zekerheid te stellen voor voldoening van de vordering.

In beroep is aangevoerd dat:

- de aansprakelijkstelling zelf niet in stand kan blijven;

- terughoudend moet worden omgegaan met de bevoegdheid tot invordering hangende bezwaar en beroep;

- het vertrouwen is gewekt dat, indien zoals in het geval van eiseres de aansprakelijkheid wordt betwist, wordt afgeweken van de normale wijze van invordering;

- het verzoek om uitstel van betaling ten onrechte niet is getoetst aan de Leidraad invordering 1990 van de belastingdienst.

In het verweerschrift heeft verweerder ondermeer aangevoerd dat eiseres geen belang meer heeft bij haar beroep nu besluit II inmiddels gereed is gekomen, dat geen toezeggingen zijn gedaan omtrent uitstel van betaling en dat in casu de invordering niet geschiedt door de belastingdienst.

Zaken CSV 03/3060 en 03/3061

Naar aanleiding van het bezwaar van eiseres dat de primaire besluiten van 3 juni 2002 onbevoegd zijn genomen heeft verweerder in de besluiten II en III overwogen dat uit de overgelegde (onder)mandaatregeling blijkt dat die besluiten bevoegd zijn genomen namens de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Dat in die besluiten zelf abusievelijk het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen is vermeld in plaats van de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen doet daar niet aan af.

Naar aanleiding van het bezwaar van eiseres dat zij ten onrechte als bestuurder van Donk is aangemerkt heeft verweerder in besluit II overwogen dat aannemelijk is dat eiseres het beleid van Donk (mede) tot 17 december 1996 heeft bepaald als ware zij bestuurder. Redengevend voor dit oordeel acht verweerder - voor zover hier van belang - het volgende:

- eiseres ontving op 7 juli 1995 een algemene volmacht tot het verrichten van alle handelingen die nodig waren ten behoeve van het bedrijf;

- eiseres verzorgde de aansluiting van Donk bij de betreffende bedrijfsvereniging en meldde in 1995 de indiensttreding van twee werknemers;

- eiseres heeft op 23 augustus 1995 de looninspecteur te woord gestaan, waarbij eiseres ondermeer aangaf dat één personeelslid op de loonlijst stond;

- op 7 augustus 1996 en 17 december 1996 heeft eiseres respectievelijk de wijziging van het correspondentieadres en van het kantooradres van Donk doorgegeven aan verweerder;

- eiseres fungeerde als tussenpersoon van Donk voor Union Milieu BV in 1997 toen de laatste op zoek was naar een (onder-)aannemer en heeft daarbij via Union Milieu BV inzage gehad in de ten onrechte doorstortingen vanaf de G-rekening van Donk;

- eiseres heeft voor Donk de G-rekening aangevraagd en diende op 31 mei 1996 terzake een verzoek tot deblokkering in;

- eiseres maakte de jaarstukken voor Donk op en verzorgde belastingaangiften;

- eiseres had een machtiging voor het verrichten van betalingen via de rekening van Donk bij de ABN AMRO;

- in de administratie van eiseres is een verklaring van eiseres gevonden inzake indiensttreding van C.P. van Nadort vanaf 1 januari 1996;

- eiseres heeft als gevolmachtigde van Donk de lege BV Sontinvest gekocht;

- uit de verklaringen van eiseres blijkt dat zij al vrij vroeg op de hoogte was van de zwartloonbetalingen door Donk.

De verklaring van eiseres dat zij louter in opdracht van de heer [k] en de heer [d] heeft gehandeld strookt naar het oordeel van verweerder niet met alle hiervoor vermelde door eiseres zelfstandig verrichte handelingen. Eiseres was dan ook verantwoordelijk voor een belangrijk kenmerk van Donk, namelijk het niet afdragen van premies. Verweerder heeft in dit verband nog overwogen dat na 17 december 1996, de datum dat eiseres een adreswijziging van het kantoor van Donk doorgaf, van rechtstreekse bemoeienis van eiseres als beleidsbepaler bij Donk niet is gebleken.

Naar aanleiding van het bezwaar van eiseres dat zij ten onrechte als bestuurder van Sontinvest is aangemerkt heeft verweerder in besluit III ondermeer overwogen dat:

- eiseres van 1 december 1996 tot 22 juli 1997 als bestuurder van Sontinvest bij het Handelsregister van de Kamer van Koophandel stond ingeschreven;

- de toenmalige, enig aandeelhouder van Sontinvest, de heer [d], eiseres op 5 december 1996 als bestuurder heeft benoemd en haar als bestuurder heeft opgegeven bij de Kamer van Koophandel;

- eiseres reeds vanaf 1 november 1992 als procuratiehouder van Sontinvest was benoemd en zij vanaf 22 maart 1995 als directrice geheel zelfstandig wijzigingen doorgaf aan de Kamer van Koophandel;

- eiseres haar handtekening heeft gezet onder haar inschrijving als bestuurder;

- eiseres zichzelf heeft uitgeschreven als bestuurder.

Dat de inschrijving bij de Kamer van Koophandel niet volgens de regels is geschied en die inschrijving niet aan eiseres is toe te rekenen gaat naar het oordeel van verweerder derhalve niet op. Als formele bestuurder van Sontinvest was eiseres verantwoordelijk voor het (financiële) beleid binnen dat bedrijf. Nu naar het oordeel van verweerder niet is gebleken dat eiseres ook na haar uitschrijving als bestuurder daadwerkelijk het beleid binnen Sontinvest heeft bepaald als ware zij bestuurder, is de aansprakelijkheid in bezwaar beperkt tot de premieschulden die betrekking hebben op de loontijdvakken voor 22 juli 1997.

Verweerder heeft voorts in de besluiten II en III overwogen dat het faillissement gelijk gesteld wordt aan de melding als bedoeld in artikel 16d, tweede lid, van het CSV, nu een deel van de onbetaald gebleven premies zijn opgelegd na dat faillissement.

Voorts is verweerder van oordeel dat sprake is geweest van kennelijk onbehoorlijk bestuur als bedoeld in artikel 16d, derde lid, van de CSV. Hiertoe is - samengevat - overwogen:

- door Donk en Sontinvest is geen deugdelijke administratie bijgehouden. Beide vennootschappen hebben slechts enkele werknemers aangemeld, maar hebben een veelvoud aan mensen uitgeleend aan derden. Een en ander heeft geleid tot de correctie- en boetenota's die grotendeels onbetaald zijn gebleven;

- de G-rekening van zowel Donk als Sontinvest is gebruikt voor andere doeleinden dan betaling aan verweerder of de belastingdienst. Er is ondermeer geld van die rekening doorgestort naar G-rekeningen van andere aannemers.

Gelet op de hoogte van de onbetaald gebleven premies is verweerder van oordeel dat sprake is van systematische en langdurige zwartloonbetalingen, hetgeen heeft geleid tot het onbetaald blijven van premies en dat dit onbetaald blijven een rechtstreeks gevolg is van kennelijk onbehoorlijk bestuur.

Verweerder is tenslotte van oordeel dat eiseres terzake van het onbetaald blijven van premies ook een verwijt valt te maken. Inzake Donk heeft zij een actieve rol gespeeld betreffende het niet afdragen van premies en inzake Sontinvest had zij als bestuurder moeten ingrijpen in de gang van zaken, hetgeen zij heeft nagelaten.

In beroep heeft eiseres de volgende grieven tegen de besluiten II en III aangevoerd:

- de primaire besluiten van 3 juni 2002 zijn onbevoegd genomen en derhalve nietig;

- verweerder heeft zijn besluitvorming geheel gebaseerd op de bevindingen van een opsporingsonderzoek zonder op basis van eigen onderzoek te rapporteren of is voldaan aan de voorwaarden voor aansprakelijkstelling en heeft eiseres aanvankelijk voorts zonder meer voor de totale premieschulden aansprakelijk gesteld. Deze handelswijze is in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb);

- de primaire besluiten zijn onvoldoende gemotiveerd, waardoor in de bezwaarfase in feite geen hoor en wederhoor heeft plaatsgehad;

- uit de besluiten II en III wordt volstrekt niet duidelijk op welke wijze de onderliggende premienota's zijn berekend, de hoogte van die nota's wordt dan ook bestreden;

- inzake Donk heeft te gelden dat eiseres het beleid niet mede heeft bepaald. Zij was niet de contactpersoon voor zakelijke relaties. De contacten die zij onderhield met verweerder en de belastingdienst vloeiden rechtstreeks voort uit de aan het administratiekantoor van eiseres verstrekte opdracht van Donk tot het voeren van een loonadministratie voor Donk. Eiseres was niet op de hoogte van de zwartloonbetalingen en als dit wel zo was dan nog volgt daar niet uit dat zij het beleid mede bepaalde. Nu zij handelde binnen haar volmacht was zij juist niet als bestuurder aansprakelijk. Het realiseren van de aansluiting gebeurde in opdracht van de heer [d]. Tenslotte kan uit het doorgeven van adreswijzigingen evenmin volgen dat eiseres het beleid binnen Donk bepaalde. Eiseres heeft slechts zorg gedragen voor die wijzigingen omdat zij, nadat Donk de zakelijke relatie met eiseres in april/mei 1996 had verbroken, post inzake Donk bleef ontvangen op het adres van het administratiekantoor van eiseres;

- nu 7 december 1999 als de dag van melding van betalingsonmacht moet worden aangemerkt inzake Donk moet de periode waarbinnen het kennelijk onbehoorlijk bestuur heeft plaatsgehad zijn gelegen tussen 7 december 1996 en 6 december 1999. Eiseres had in deze referteperiode geen enkele bemoeienis met Donk. Ook al zou moeten worden aangenomen dat, indien dezelfde bestuurder kennelijk onbehoorlijk handelt voorafgaande aan de referteperiode en dit handelen voortduurt tijdens de referteperiode, deze bestuurder hoofdelijk aansprakelijk kan worden gehouden voor premieschulden die ontstaan zijn voor de referteperiode, dan nog heeft te gelden dat eiseres niet aansprakelijk kan worden gesteld daar zij in de referteperiode zelf geen bemoeienis meer had met Donk;

- inzake Sontinvest heeft te gelden dat eiseres niet conform het bepaalde in artikel 2:242 van het Burgerlijk Wetboek is benoemd tot bestuurder, terwijl verweerder zelf concludeert dat eiseres in het primaire besluit ten onrechte als medebeleidsbepaler is aangemerkt. Reeds hierom kan zij niet als bestuurder aansprakelijk worden gesteld. Verder heeft te gelden dat de referteperiode hier loopt van 20 december 1998 tot 19 december 2001. Die periode valt geheel na de periode waarin eiseres bestuurder zou zijn geweest. Ook hier geldt dat een extensieve interpretatie van artikel 16d van de CSV verweerder niet kan baten;

- uit de besluiten blijkt nergens op welke gronden de boeten zijn vastgesteld en welk bedrag aan boeten is inbegrepen in de aansprakelijkstellingen.

2.4. Beoordeling

De rechtbank ziet aanleiding eerst in te gaan op de vraag of de besluiten II en III in rechte stand kunnen houden alvorens in te gaan op het beroep tegen besluit I.

Zaken CSV 03/3060 en 03/3061

De rechtbank stelt voorop dat de beroepen tegen de besluiten II en III uitsluitend zijn gericht tegen die besluiten voorzover daarmee de besluiten van 3 juni 2002 zijn gehandhaafd. Voorzover die besluiten strekken tot herroeping van de besluiten van 3 juni 2002 zijn zij niet in geding.

Het beroepschrift in beide zaken is gedateerd op 10 juni 2003, de laatste dag van de termijn als bedoeld in artikel 6:7 van de Awb, terwijl de griffie van de rechtbank te Amsterdam een stempel heeft aangebracht inhoudende dat het beroepschrift op 12 juni 2003 aldaar is ingekomen.

Gelet op de door de gemachtigde van eiseres overgelegde brief van 27 maart 2003 waarin uitdrukkelijk is verzocht de beslissingen op bezwaar naar het nieuwe kantooradres (postbusnummer) van de gemachtigde van eiseres te zenden, is de rechtbank van oordeel dat verweerder, door de besluiten II en III naar het oude postbusnummer te zenden en naar het oude woonadres van eiseres, de besluiten II en III met die verzending niet bekend heeft gemaakt conform het bepaalde in artikel 7:12, tweede lid, in verbinding met artikel 2:1 van de Awb. De beroepstermijn nam naar het oordeel van de rechtbank een aanvang zodra de gemachtigde alsnog kennis had genomen van die besluiten, hetgeen volgens diens schrijven 6 mei 2003 was. Nu de beroepschriften in ieder geval uiterlijk op 12 juni 2003 zijn ontvangen door de rechtbank te Amsterdam, is tijdig beroep ingesteld.

Met betrekking tot de grief dat de primaire besluiten van 3 juni 2002 onbevoegd zijn genomen en derhalve nietig zouden zijn, stelt de rechtbank voorop dat haar ter beoordeling staat of de besluiten II en III in rechte stand kunnen houden.

In dit verband overweegt de rechtbank dat in elk geval duidelijk is dat medewerkers van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de primaire besluiten hebben genomen, zodat bij een eventueel gebrekkig (onder)mandaat die besluiten op zijn hoogst vernietigbaar zijn. Een dergelijk gebrek leent zich voor herstel in bezwaar, nu het eventuele onbevoegd genomen besluit door het bestuursorgaan, al dan niet via mandaat aan een daartoe aangewezen medewerker, wordt heroverwogen. Nu gesteld noch gebleken is dat de besluiten II en III onbevoegd zijn genomen moet deze grief falen.

Hoewel afzonderlijke rapportages inzake aansprakelijkstelling ontbreken moet de grief daaromtrent naar het oordeel van de rechtbank falen. Uit de looncontrolerapporten die zijn opgenomen in de bij de stukken behorende ordners, het persoonsdossier van eiseres dat in de ordners is opgenomen en de besluiten II en III is in onderling verband voldoende gemotiveerd af te leiden dat verweerder heeft vastgesteld dat Donk en Sontinvest structureel geen of onjuiste opgave deden aan verweerder van het door haar uit te lenen personeel, dat verweerder aan de hand van ondermeer de mutaties op de G-rekeningen schattenderwijs heeft bepaald over welk loon premies afgedragen had moeten worden, dat naar het oordeel van verweerder sprake is geweest van kennelijk onbehoorlijk bestuur en op welke gronden verweerder eiseres als bestuurder heeft aangemerkt. De besluiten II en III komen in zoverre dan ook niet in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb.

Dat de primaire besluiten van 3 juni 2002 summierlijk zijn gemotiveerd en eerst in bezwaar uiteen is gezet op welke gronden eiseres als bestuurder van Donk en Sontinvest is aangemerkt, waarbij de periode waarin eiseres als bestuurder is aangemerkt is beperkt, maakt niet dat de besluiten II en III reeds daarom geen stand kunnen houden. Evenmin volgt daaruit dat eiseres in haar mogelijkheid tot het instellen van bezwaar is beknot of dat daarmee de hoorplicht in geding is gekomen zoals eiseres heeft doen aanvoeren. Uit de primaire besluitvorming blijkt afdoende dat verweerder eiseres als bestuurder hoofdelijk aansprakelijk heeft gesteld voor onbetaald gebleven verschuldigde premie door Donk en Sontinvest. Tevens is daarbij aangegeven om welke bedragen en periodes het gaat. Ook waar het gaat om hoofdelijke aansprakelijkheid voor de boetebedragen is daarmee voldaan aan de eis dat duidelijk is voor welke overtreding eiseres wordt vervolgd met de aansprakelijkstellingen.

Niet in geschil tussen partijen is dat de faillietverklaring van Donk als een melding als bedoeld in artikel 16d, tweede lid, van de CSV dient te worden aangemerkt, zodat verweerder aannemelijk dient te maken dat wegens onbehoorlijk bestuur onvoldoende premie is afgedragen. Nu partijen inzake Donk van oordeel zijn dat de faillissementsdatum 7 december 1999 moet worden aangemerkt als zijnde de datum waarop Donk geacht wordt haar betalingsonmacht te hebben gemeld, zal de rechtbank hier van uitgaan bij haar beoordeling.

In het primaire aansprakelijkstellingbesluit van 3 juni 2002 inzake Sontinvest is overwogen dat door ambtshalve opheffing op 10 november 1999 en het uiteindelijke faillissement van 19 december 2001 door verweerder kennis is genomen van het feit dat Sontinvest niet tot betaling in staat is en dat er van uit wordt gegaan dat daarmee is voldaan aan de meldingsplicht. Nu in het bestreden besluit het faillissement van Sontinvest is aangemerkt als het tijdstip waarop geacht wordt melding te zijn gedaan van betalingsonmacht en verweerder ter zitting heeft bevestigd dat de datum van het faillissement van Sontinvest uitgangspunt is voor de referteperiode, ziet de rechtbank aanleiding 19 december 2001 aan te merken als de relevante datum.

Verweerder heeft in de besluiten II en III overwogen dat het kennelijk onbehoorlijk bestuur dat tot het niet voldoen van de premieschulden heeft geleid moet hebben plaatsgehad in de drie jaren voorafgaande aan de melding van betalingsonmacht. Het kennelijk onbehoorlijk bestuur als bedoeld in artikel 16d, derde lid, van de CSV moet gelet hierop hebben plaatsgehad voor wat betreft Donk de drie jaren voorafgaand aan 7 december 1999 en voor wat betreft Sontinvest de drie jaren voorafgaand aan 19 december 2001.

Een en ander brengt met zich dat eiseres alleen voorzover zij als bestuurder van Donk of Sontinvest moet worden aangemerkt op enig tijdstip dat valt binnen genoemde referteperiodes hoofdelijk aansprakelijk kan worden gesteld voor (een deel) van de onbetaald gebleven premies die genoemde vennootschappen zijn verschuldigd. Alleen indien eiseres ook na 6 december 1996 als bestuurder van Donk moet worden aangemerkt kan zij hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld voor enig onbetaald gebleven premieschuld door Donk en alleen indien eiseres ook na 20 december 1998 als bestuurder van Sontinvest moet worden aangemerkt kan zij hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld voor enig onbetaald gebleven premieschuld door Sontinvest.

De stelling van verweerder dat ook kennelijk onbehoorlijk bestuur voorafgaande aan de referteperiode dat voortduurt in de referteperiode relevant is met het oog op de aansprakelijkstelling kan de rechtbank in casu niet volgen. Ingevolge de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 3 juli 2003 (USZ 2003/281) kan een bestuurder weliswaar aansprakelijk worden gesteld voor premieschulden die zijn ontstaan voor zijn aantreden als bestuurder, tenzij hij aannemelijk maakt dat er niet voldoende geld aanwezig was om de premieschuld te betalen en dat het niet mogelijk is gebleken maatregelen te treffen om de schuld toch nog te voldoen, maar die uitspraak doet niet af aan de eis dat het onbehoorlijk bestuur zich moet hebben afgespeeld in de referteperiode en dat de aansprakelijk gestelde bestuurder op enig moment in de referteperiode bestuurder moet zijn geweest. Voorts kan blijkens de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 10 maart 1993 (RSV 1994/35) weliswaar het onbehoorlijke bestuur tijdens de referteperiode mede zien op het onbetaald laten van materieel verschuldigde premies over aan die referteperiode voorafgaande loontijdvakken, maar ook dan geldt nog immer dat er sprake moet zijn van bestuurderschap op enig moment in de referteperiode om tot een dergelijke toerekening te kunnen komen.

Nu verweerder in besluit III is teruggekomen op de lengte van de periode waarin eiseres als bestuurder van Sontinvest kon worden aangemerkt, namelijk de periode na 21 juli 1997, staat daarmee vast dat eiseres geen bestuurder van Sontinvest is geweest op enig tijdstip op of na 20 december 1998. De handhaving van de hoofdelijke aansprakelijkstelling van eiseres voor een deel van de door Sontinvest onbetaald gebleven premies komt derhalve in strijd met artikel 16d, derde lid, van de CSV.

Met betrekking tot bestuurdersaansprakelijkheid inzake Donk is verweerder in besluit II eveneens teruggekomen op de periode van aansprakelijkstelling. Eiseres is daarin immers tot 18 december 1996 als beleidsbepaler aangemerkt. Haar bestuurderschap zou derhalve deels liggen binnen de referteperiode die aanving op 6 december 1996.

De rechtbank is van oordeel dat hetgeen verweerder heeft gesteld omtrent de feitelijke bemoeienis van eiseres met Donk onvoldoende is om te kunnen spreken van beleidsbepaling als ware zij bestuurder. Dat eiseres vanuit haar eigen kantooradres de loonadministratie heeft verricht ten behoeve van Donk maakt haar niet nog tot beleidsbepaler. Voorts ontgaat het de rechtbank dat bemoeienis van eiseres bij Union Milieu BV - in 1997 - op enigerlei wijze van belang kan zijn voor de vraag of zij feitelijk beleidsbepaler was bij Donk. Dat eiseres zich vanuit haar bemoeienis bij Donk formeel heeft laten benoemen tot bestuurder van Sontinvest is daarentegen op zich wel een indicatie dat eiseres op enig moment ook een belangrijke rol binnen Donk heeft vervuld, maar is daartoe niet voldoende.

Daarnaast heeft naar het oordeel van de rechtbank nog te gelden dat, al zou wel op enig moment sprake zijn geweest van beleidsbepaling door eiseres, die beleidsbepaling geheel valt buiten de referteperiode die aanving op 7 december 1996. Nu verweerder zelf het doorgeven van adreswijzigingen als ijkpunt hanteert voor het tijdstip van het beëindigen van de (beleidsbepalende) rol van eiseres binnen Donk, hetgeen de rechtbank op zich niet onjuist zou achten indien sprake zou zijn geweest van een dergelijke bemoeienis harerzijds, doet zich immers de vraag voor waarom niet 7 augustus 1996, zijnde de datum waarop eiseres aan verweerder schriftelijk doorgaf dat het correspondentieadres van Donk was gewijzigd, als het relevante tijdstip moet worden aangemerkt. Verweerder heeft niet gemotiveerd waarom aansluiting is gezocht bij de datum van de laatste berichtgeving inzake adreswijziging, terwijl eiseres in beroep heeft aangevoerd dat zij die wijzigingen had doorgegeven nu zij correspondentie inzake Donk bleef ontvangen terwijl haar bemoeienis bij Donk voorbij was.

De handhaving van een deel van de door Donk onbetaald gebleven premies is gelet hierop eveneens in strijd met artikel 7:12 van de Awb dan wel met artikel 16d, derde lid, van de CSV.

Het beroep tegen de besluiten II en III is gelet op hetgeen hiervoor is overwogen gegrond. Hetgeen verder van de zijde van eiseres is aangevoerd kan onbesproken blijven.

Nu gelet op hetgeen hiervoor is overwogen inzake de referteperiodes geen enkele grondslag voor aansprakelijkstelling voor de premies in geding bestaat, had verweerder de besluiten van 3 juni 2002 ook voorzover aangevochten dienen te herroepen. De rechtbank zal gelet hierop de besluiten II en III in zoverre vernietigen en voorts zal zij onder toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb - doende hetgeen verweerder had behoren te doen - tevens de primaire besluiten van 3 juni 2002 herroepen voorzover dat met de besluiten II en III achterwege is gebleven.

Zaak 03/3056

De rechtbank stelt voorop dat, anders dan verweerder heeft aangevoerd, het gereedkomen van besluit II niet het procesbelang van eiseres ontneemt aan haar beroep tegen besluit I. Besluit I is immers een heroverweging naar aanleiding van een bezwaar tegen nadere besluitvorming betreffende de tenuitvoerlegging van de aansprakelijkstelling. Besluit II ziet daar niet op, maar slechts op de aansprakelijkstelling zelf. Bovendien is met besluit II niet onherroepelijk omtrent de aansprakelijkstelling beslist nu tegen dat besluit beroep is ingesteld. Dat verweerder tot op heden niet tot feitelijke invordering is overgegaan kan hier niet aan afdoen.

In casu is in het bezwaarschrift tegen het besluit van 3 juni 2002 inzake aansprakelijkstelling voor Donk verzocht om uitstel van betaling totdat onherroepelijk op het bezwaar is beslist. Een dergelijk verzoek om in afwijking van artikel 6:16 van de Awb hangende bezwaar en beroep uitstel van betaling te verlenen vergt nadere besluitvorming, zoals ook is voorzien in verweerders beleidsregels terzake. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de brief van 16 september 2002 op zelfstandig rechtsgevolg is gericht.

Nu de rechtbank het besluit II voorzover aangevochten zal vernietigen komt daarmee tevens de grondslag voor de aan de aansprakelijkstelling gekoppelde betalingsverplichting en de daarmee samenhangende besluitvorming inzake het al dan niet verlenen van betalingsuitstel te ontvallen voorzover dit niet reeds was gebeurd bij de gedeeltelijke herroeping van het besluit van 3 juni 2002 inzake Donk.

Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank het beroep tegen besluit I gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. Tevens ziet zij aanleiding om onder toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb het besluit van 16 september 2002 te herroepen.

Hetgeen van de zijde van eiseres tegen besluit I is aangevoerd kan gelet hierop verder buiten bespreking blijven.

Proceskosten

De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep tot aan deze uitspraak redelijkerwijs heeft moeten maken in deze drie samenhangende zaken. De rechtbank bepaalt de proceskosten op € 644,00 aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Van overige kosten waarop een veroordeling in de proceskosten betrekking kan hebben, is de rechtbank niet gebleken.

3. Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart de beroepen gegrond,

vernietigt de besluiten I, II en III voorzover aangevochten,

herroept de besluiten van 3 juni 2002, voorzover die bij de besluiten II en III in stand zijn gelaten, alsmede het besluit van 16 september 2002,

bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 93,00 vergoedt,

veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 644,00 en wijst het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan als de rechtspersoon die deze kosten aan eiseres moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. van Zwieten als voorzitter en mr. F. Stuurop en mr. L.A.C. van Nifterick als leden.

De beslissing is, in tegenwoordigheid van mr. drs. R. Stijnen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 december 2003.

De griffier: De voorzitter:

Afschrift verzonden op:

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiseres wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.