Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2003:AN9551

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
03-12-2003
Datum publicatie
05-12-2003
Zaaknummer
02/540 AKW en 02/3140 AKW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aantonen onderhoudsbijdrage voor kinderen in Irak als voorwaarde voor kinderbijslag. Omvang bewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE ROTTERDAM

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Reg.nrs: AKW 02/540-FRC

AKW 02/3140 FRC

Uitspraak

in de gedingen tussen

[X], wonende te [Y], eiser,

gemachtigde mr. H. Martens, advocaat te Rotterdam,

en

het bestuur van de Sociale verzekeringsbank, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank, in werking getreden. Thans oefent verweerder de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder verweerder tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.

Bij besluit van 13 november 2001 heeft verweerder eiser medegedeeld dat hij over het derde kwartaal van 2001 geen recht op kinderbijslag heeft voor zijn kinderen Rania, geboren op 3 februari 1988, Aiat, geboren op 16 oktober 1989 en Mohamed, geboren op 7 november 1993.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 19 november 2001 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 18 januari 2002 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit I) heeft eiser bij brief van 27 februari 2002, aangevuld bij brief van 4 april 2002, beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij brief van 23 april 2002 een verweerschrift ingediend.

Dit beroep is ter zitting van 1 augustus 2002 behandeld. Zowel eiser en diens gemachtigde als de vertegenwoordiger van verweerder waren daarbij aanwezig. De rechtbank heeft het onderzoek in deze zaak ter zitting gesloten, doch dit bij beslissing van 22 augustus 2002 heropend. Partijen hebben na deze heropening nadere stukken ingebracht en/of hun wederzijdse standpunten nader schriftelijk toegelicht.

Bij besluit van 10 juni 2002 heeft verweerder eiser medegedeeld dat hij over het vierde kwartaal van 2001 tot en met het tweede kwartaal van 2002 geen recht op kinderbijslag heeft voor zijn drie hiervoor genoemde kinderen.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 15 juli 2002, door verweerder op 22 juli 2002 ontvangen, bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 10 oktober 2002 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit II) heeft eiser bij brief van 18 november 2002, aangevuld bij brief van 18 december 2002, beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij brief van 7 januari 2003 een verweerschrift ingediend.

Met toestemming van partijen heeft de rechtbank in beide beroepszaken bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft zij het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

Verweerder heeft bij de bestreden besluiten overwogen dat de kinderen Rania, Aiat en Mohamed tijdens de litigieuze kwartalen bij hun moeder in Irak verbleven en dat zij aldus niet tot het huishouden van eiser behoren, zodat eiser, om voor het recht op kinderbijslag in aanmerking gebracht te kunnen worden, ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Algemene Kinderbijslagwet (hierna: de AKW) aan dient te tonen dat hij de kinderen in belangrijke mate onderhoudt. Verweerder is van oordeel dat eiser niet op voor verweerder eenvoudig controleerbare wijze aan dit vereiste heeft voldaan.

Eiser heeft onder meer aangevoerd dat verweerder hem bij vier besluiten van 19 januari 2001 en 5 februari 2001 kinderbijslag ten behoeve van de drie kinderen over het tweede kwartaal van 2000 tot en met het eerste kwartaal van 2001 heeft toegekend onder de overweging dat deze kinderen thuis wonen, zulks ondanks het feit dat eiser over de kwartalen desgevraagd betalingsbewijzen aan verweerder verstrekt heeft. Eiser stelt dat hij dan ook niet heeft begrepen en hoeven te begrijpen dat de wijze waarop hij betalingen aan de verzorgster van de kinderen, bij wie de kinderen in Irak verblijven, heeft verstrekt, niet voor verweerder acceptabel zijn.

Met deze stelling, waarmee eiser kennelijk beoogt te stellen dat hij erop heeft mogen vertrouwen dat de wijze waarop hij betalingen aan de verzorgster verstrekt zou hebben, ook tijdens de thans in geding zijnde kwartalen door verweerder geaccepteerd moeten worden, doet eiser een beroep op het vertrouwensbeginsel. Dit beroep faalt. Uit het bepaalde in artikel 11 van de AKW wordt afgeleid dat, in het geval de kinderen niet tot het huishouden van de aanvrager behoren, voor elk kwartaal afzonderlijk bezien dient te worden welke bijdrage is betaald en of daarmee over dat kwartaal aan de wettelijke onderhoudseis is voldaan. In dit verband is dus in de eerste plaats van belang dat de aanvrager elk kwartaal kan aantonen dan wel op voor het uitvoeringsorgaan eenvoudig controleerbare wijze aannemelijk kan maken aan de onderhoudseis 'in belangrijke mate' voor de betrokken kinderen te hebben voldaan. Voorts is hierbij van belang dat verweerder bij besluit van 7 september 1999 expliciet aan eiser kenbaar heeft gemaakt onder welke voorwaarden hij in aanmerking voor kinderbijslag kan worden gebracht over de kwartalen waarin de kinderen als uitwonend aangemerkt moeten worden. Hierbij zij opgemerkt dat verweerder niet gehouden kan worden eventuele foutieve beslissingen over het tweede kwartaal van 2000 tot en met het eerste kwartaal van 2001 ook voor de nadien gelegen kwartalen te herhalen.

Vaststaat dat de drie kinderen ten tijde van de in geding zijnde kwartalen niet behoorden tot het huishouden van eiser, omdat zij bij hun moeder, zijnde de voormalige echtgenote van eiser, in Irak verbleven. Voorts is tussen partijen niet in geschil dat het voor eiser niet mogelijk is geweest tijdens deze kwartalen rechtstreeks per bank gelden over te maken naar de verzorgster van de kinderen, zulks vanwege de destijds bestaande internationale economische boycot tegen Irak.

Ingevolge constante jurisprudentie dienen betalingen als bijdrage in de onderhoudskosten van eigen kinderen, die niet tot zijn huishouden behoren en voor wie aanspraak wordt gemaakt op kinderbijslag, door de aanvrager daarvan op voor het uitvoeringsorgaan eenvoudig controleerbare wijze aannemelijk te worden gemaakt.

Indien, zoals in dit geval, de betrokken kinderen en hun verzorgster in het buitenland wonen en de aanvrager hier te lande woonachtig is, ligt voor de hand dat de voorgeschreven bijdrage per internationale postwissel of via een bank rechtstreeks aan de verzorger van de kinderen wordt overgemaakt. Een uitzondering hierop kan worden aangenomen voor het geval met het woonland van de verzorgster (zoals in dit geval Irak) geen normaal betalingsverkeer mogelijk is. Ook in een dergelijk geval zal de aanvrager echter op voor verweerder eenvoudig te controleren wijze aannemelijk moeten maken dat hij de onderhoudsbijdragen heeft voldaan. Verweerder heeft terzake het volgende beleid ontwikkeld:

1. Aannemelijk moet worden gemaakt dat de verzekerde de bijdrage(n) aan de persoon heeft overhandigd die naar het woonland van de kinderen reist. Dit kan bijvoorbeeld door middel van een bankoverschrijving of een postwissel;

2. Vervolgens moet aangetoond worden dat deze persoon ook daadwerkelijk naar het woonland van de kinderen is gegaan. Dit kan bijvoorbeeld door middel van een paspoortstempel en vliegtuigtickets worden aangetoond.

3. Bovendien moet aangetoond worden dat hij het geld aan de verzorger heeft overhandigd of dat hij het aan een derde heeft overhandigd die het aan de verzorger heeft gegeven. Dit kan door middel van een verklaring van een officiële instantie of beambte die bij de overhandiging aanwezig is (geweest).

Elke stap van het traject dat betrokkene heeft gevolgd bij het doen van de betaling(en), alsmede de aangegeven chronologische volgorde, dient afzonderlijk aannemelijk gemaakt te worden.

Zoals ook de Centrale Raad van Beroep in haar in RSV 1999/230 gepubliceerde uitspraak heeft overwogen, is dit beleid in beginsel in overeenstemming met een redelijke beleidsbepaling. Zo zal voldoende aannemelijk geacht worden dat een betaling heeft plaatsgevonden indien de betrokkene

- middels een transactiebewijs van een bank aantoont dat hij een bedrag aan de tussenpersoon heeft overgeboekt;

- middels een verklaring van de tussenpersoon aantoont dat hem opdracht is gegeven hetzelfde bedrag aan de verzorg(st)er van de kinderen in hun woonland te overhandigen, èn

- middels een verklaring van een plaatselijke notaris of andere officiële instantie aantoont dat die verzorg(st)er het bedrag daadwerkelijk heeft ontvangen.

De rechtbank ziet zich in deze overweging gesteund door de in ABKort 2003/184 gepubliceerde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, welke uitspraak gelijk de onderhavige zaken betrekking heeft op kinderbijslag ten behoeve van in Irak verblijvende kinderen.

Geconstateerd moet worden dat de door eiser aangedragen gegevens slechts voor een deel het door hem gestelde traject aantonen dan wel aannemelijk maken; zo heeft eiser met betrekking tot geen enkel in geding zijnd kwartaal de derde stap van het traject aannemelijk gemaakt. De rechtbank ziet er niet aan voorbij dat eiser in een moeilijke bewijspositie verkeert, maar in verband met de noodzakelijkheid van controleerbaarheid van gestelde betalingen kan dit er niet toe leiden dat aan vorengenoemde, door verweerder beleidsmatig gestelde eisen, op enigerlei wijze afgedaan kan worden.

De beroepen van eiser tegen de bestreden beslissingen I en II dienen dan ook beide ongegrond verklaard te worden.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.F.C. Francken.

De beslissing is, in tegenwoordigheid van C.E. Delvaux als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 december 2003.

De griffier: De rechter:

Afschrift verzonden op:

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiser wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.