Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2003:AN9543

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
01-12-2003
Datum publicatie
05-12-2003
Zaaknummer
03/809
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verwijtbaar werkeloos. Ontslag na verwonden collega door te zwaaien met uitbeenmessen (uitbener) opzet niet vereist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE ROTTERDAM

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Reg.nr.: WW 03/809-NIFT

Uitspraak

in het geding tussen

[X], wonende te [Y], eiser,

gemachtigde mr. A.C. Seventer te Rotterdam,

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verweerder.

1. Ontstaan en loop van de procedure

Op 8 augustus 2002 heeft eiser een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (hierna: WW) aangevraagd.

Bij besluit van 3 oktober 2002 heeft verweerder eiser medegedeeld dat met ingang van 1 juli 2002 uitkering ingevolge de WW blijvend geheel geweigerd wordt. Verweerder heeft daarbij overwogen dat eiser verwijtbaar werkloos is geworden.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 11 oktober 2002, aangevuld bij schrijven van 10 december 2002, bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 29 januari 2003 heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard. Verweerder kent eiser alsnog een uitkering ingevolge de WW toe onder toepassing van een maatregel van 35% gedurende 26 weken.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) is namens eiser bij brief van 12 maart 2003, aangevuld bij schrijven van 14 april 2003, beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij brief van 1 mei 2003 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2003. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder is niet verschenen.

2. Overwegingen

De rechtbank leidt uit de redactie en de inhoud van eisers beroepschrift af dat eiser uitsluitend beroep wenst in te stellen tegen de toepassing van de maatregel van 35% gedurende 26 weken op de uitkering ingevolge de WW. De rechtbank zal zich bij de behandeling van dit beroep dan ook tot dit punt beperken.

2.1 feiten en omstandigheden

Uit de stukken komt naar voren dat eiser sedert 6 februari 1981 als uitbener werkzaam is geweest in dienst van F. Wellink Lekkerkerk B.V. te Lekkerkerk. Als gevolg van een incident op de werkplek waarbij met uitbeenmessen is gezwaaid en waarbij een collega van eiser gewond is geraakt aan de kin, is eiser op 7 mei 2002 op staande voet ontslagen. Dit ontslag is door de werkgever bij schrijven van 8 mei 2002 bevestigd. Door en namens eiser is tegen dit ontslag geprotesteerd.

Bij voorwaardelijk verzoekschrift gedateerd 24 mei 2002 is de kantonrechter namens de werkgever verzocht de arbeidsovereenkomst tussen eiser en zijn werkgever te ontbinden wegens gewichtige redenen. In dit verzoekschrift wordt uitgebreid uiteengezet hetgeen zich op de werkplek heeft voorgedaan.

Bij verzoekschrift gedateerd 21 juni 2002 is de kantonrechter namens de werkgever verzocht de tussen eiser en de werkgever bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden. Namens de werkgever is daarbij aangevoerd dat er sprake is van verschillen in visie over de wijze waarop de werkzaamheden verricht dienen te worden en dat deze verschillen tot problemen hebben geleid welke van structurele aard zijn. Het is partijen niet gelukt om oplossingen voor deze problemen te vinden. De werkgever heeft geen andere mogelijkheid gezien dan de kantonrechter om ontbinding van de arbeidsovereenkomst te verzoeken. Daarbij is namens de werkgever voorts aangevoerd dat eiser geen verwijten gemaakt kunnen worden. Eiser wordt een vergoeding ad € 5272, bruto aangeboden alsmede een toeslag op een eventueel toe te kennen uitkering ingevolge de WW tot 100% van zijn laatstgenoten salaris.

Bij beschikking van de kantonrechter gedateerd 27 juni 2002 is de tussen eiser en zijn werkgever bestaande arbeidsovereenkomst met ingang van 1 juli 2002 ontbonden onder toekenning van een vergoeding ad € 5272,-- bruto en een suppletie op een eventueel toe te kennen uitkering ingevolge de WW tot 100% van het laatstgenoten salaris gedurende de periode van drie maanden.

De kantonrechter heeft in zijn beschikking het volgende overwogen.

"De kantonrechter is van oordeel dat de arbeidsverhouding - zonder dat dit overigens aan verwerende partij te wijten is - dusdanig verstoord is geraakt dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve behoort te eindigen."

Bij het primaire besluit is eiser medegedeeld dat een uitkering ingevolge de WW blijvend geheel wordt geweigerd omdat hij verwijtbaar werkloos is geworden.

Tegen het primaire besluit is namens eiser bezwaar gemaakt. Dat bezwaar is bij de beslissing op bezwaar gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het volgende overwogen.

"Beoordeling van uw bezwaar

Uit de ons ten diensten staande gegevens worden als vaststaande feiten aangenomen dat uw dienstverband met uw voormalige werkgever F. Wellink Lekkerkerk B.V. te Lekkerkerk met ingang van 1 juli 2002 is ontbonden. Een en ander naar aanleiding van een incident dat op 7 mei 2002 tussen u en een collega heeft plaatsgevonden.

Derhalve dient te worden beoordeeld in hoeverre het tot uw werkloosheid leidende gedrag aan u is toe te rekenen.

Artikel 24, lid 2 aanhef, onderdeel a van de WW bepaalt dat een werknemer verwijtbaar werkloos is geworden, indien hij zich zodanig heeft gedragen, dat hij redelijkerwijs heeft moeten begrijpen, dat dit gedrag zijn ontslag tot gevolg zou kunnen hebben.

Met in achtneming van het feitelijke incident, alsmede de van werkgevers zijde vigerende protocollen terzake, is UWV-GUO enerzijds van oordeel, dat de mate van voorzienbaarheid van het gegeven ontslag aanzienlijk is te noemen. Anderzijds oordeelt UWV-GUO, dat gelet op uw lange werkervaring verondersteld mag worden dat het feit dat zich op 7 mei 2002 heeft voorgedaan inderdaad als een incident moet worden aangemerkt. Hierbij wordt nog in het bijzonder in aanmerking genomen dat op de hoorzitting duidelijk is geworden hoe dit incident heeft kunnen gebeuren.

Alles overwegende komt UWV-GUO tot het oordeel dat er in deze kwestie verzachtende omstandigheden zijn aan te wijzen die leiden tot de conclusie, dat het tot uw werkloosheid leidende gedrag u niet in overwegende mate is aan te rekenen, als bedoeld in artikel 27, lid 1 WW.

………………………….

Conclusie

Gezien het vorenstaande is besloten uw bezwaar gegrond te verklaren, omdat er sprake is van verminderde verwijtbaarheid.

Primair wordt beslist dat met inachtneming van de fictieve opzegtermijn, aan u het echt op WW wordt toegekend, vermits aan de overige voor het recht op WW is voldaan.

Secundair wordt dit recht tijdelijk gedeeltelijk geweigerd onder toepassing van een maatregel van 35% gedurende een periode van 26 weken, wegens verminderde verwijtbaarheid."

Eiser heeft, kort en zakelijk weergegeven, doen aanvoeren dat verweerder met het besluit op bezwaar de bezwaren van eiser onvoldoende gehonoreerd heeft en dat de door verweerder genoemde argumentatie innerlijk tegenstrijdig is. Juist omdat er sprake is geweest van een incident had eiser niet kunnen voorzien dat zijn gedrag zijn ontslag tot gevolg zou kunnen hebben. Voorts is aangevoerd dat er twijfels bestaan ten aanzien van eisers toerekenbaarheid. Bij schrijven van 8 augustus 2003 heeft de gemachtigde ter onderbouwing van dit laatste een handgeschreven ongedateerde verklaring van eisers huisarts ingezonden waaruit blijkt dat er bij eiser sedert mei 2002 sprake is van problemen met agressieregulatie waarvoor eiser af en toe rustgevende tabletten tot zich neemt.

Verweerder heeft in zijn schrijven van 22 oktober 2003 aangevoerd dat door of namens eiser geen medische stukken naar voren zijn gebracht waaruit blijkt dat er bij eiser sprake zou zijn van chronisch recidiverend ernstig onaangepast gedrag. Met name zijn geen (medische)argumenten aangevoerd waaruit blijkt dat eiser deze klachten reeds sedert medio tachtiger jaren heeft.

Hierop is namens eiser op 12 november 2002 gereageerd middels een nadere verklaring van eisers huisarts inhoudende dat eiser in verband met agressieregulatie onder behandeling van het Riagg staat.

2.2 Wettelijk kader

In artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW is bepaald dat de werknemer voorkomt dat hij verwijtbaar werkloos wordt.

Ingevolge artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW, is de werknemer verwijtbaar werkloos geworden, indien hij zich verwijtbaar zodanig heeft gedragen dat hij redelijkerwijs heeft moeten begrijpen, dat dit gedrag de beëindiging van zijn dienstbetrekking tot gevolg zou kunnen hebben.

In artikel 27, eerste lid, van de WW is bepaald dat indien de werknemer een verplichting, hem op grond van artikel 24, eerste lid, onderdeel a, opgelegd, niet is nagekomen, verweerder de uitkering blijvend geheel weigert, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten. In dat geval weigert verweerder de uitkering over een periode van 26 weken gedeeltelijk door het uitkeringspercentage te verlagen van 70 naar 35.

Ingevolge artikel 27, zesde lid, van de WW kan verweerder, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, besluiten van het opleggen van een maatregel af te zien.

2.3 Beoordeling

Blijkens artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW is een werknemer verwijtbaar werkloos geworden, indien hij zich zodanig heeft gedragen dat hij redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat dit zijn ontslag tot gevolg zou kunnen hebben. De werkloosheid moet het voorzienbaar gevolg zijn van het vertoonde gedrag. Dit gedrag moet bovendien aan de werknemer toe te rekenen zijn. Het begrip "verwijtbaar gedrag" in de zin van dit voormeld onderdeel van artikel 24 kan, zoals ook de Centrale Raad van Beroep al herhaaldelijk heeft overwogen, niet anders worden begrepen dan als "verwijtbaar jegens de werkgever".

Of hiervan in dit geval sprake is dient te worden beoordeeld.

De rechtbank overweegt dat niet bestreden wordt dat eiser op 7 mei 2002 betrokken is geweest bij een incident op de werkplek waarbij ondermeer door eiser met uitbeenmessen is gezwaaid en waarbij, al dan niet opzettelijk, als gevolg daarvan eisers collega aan de kin gewond is geraakt.

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat er bij eiser sprake is van verwijtbare werkloosheid. De rechtbank overweegt daar bij dat eiser reeds 21 jaar bij deze werkgever werkzaam is en derhalve bekend moet zijn met de veiligheidsvoorschriften binnen het bedrijf. Nu eiser op de werkplek met een uitbeenmes zijn collega heeft verwond kan niet anders geconcludeerd worden dan dat eiser de binnen het bedrijf geldende veiligheidsvoorschriften heeft overtreden. De rechtbank is van oordeel dat eiser zich zodanig heeft gedragen dat hij redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat dit gedrag, het zwaaien met uitbeenmessen op de werkplek, de beëindiging van zijn dienstbetrekking tot gevolg zou kunnen hebben.

De rechtbank laat nadrukkelijk in het midden of de verwonding aan eisers collega opzettelijk is toegebracht. Het voorgaande betekent dat verweerder op goede gronden heeft aangenomen dat eiser verwijtbaar werkloos is geworden in de zin van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW.

De rechtbank overweegt daarbij dat door of namens eiser geen (medische) gegevens naar voren zijn gebracht waaruit blijkt dat de aangevoerde agressieregulatie problemen ten tijde van het incident reeds bestonden, zodat niet aannemelijk is gemaakt dat er van enige ontoerekenbaarheid van eiser op of omstreeks 7 mei 2002 sprake is.

Uit het vorenstaande volgt dat eiser zijn verplichting op grond van artikel 24, eerste lid, onder a, van de WW niet is nagekomen. Ingevolge artikel 27, eerste lid, van de WW is verweerder in beginsel gehouden tot een blijvend gehele weigering van de uitkering, tenzij gezegd moet worden dat betrokkene het niet nakomen van de verplichting om verwijtbare werkloosheid te voorkomen niet in overwegende mate kan worden verweten.

Alle feiten en omstandigheden in aanmerking genomen is de rechtbank met verweerder van oordeel dat er voldoende aanleiding is voor de conclusie dat er sprake is van verminderde verwijtbaarheid als hierboven bedoeld, zodat verweerder terecht het uitkeringspercentage over een periode van 26 weken met 35 heeft verlaagd. Van dringende redenen als bedoeld in artikel 27, zesde lid, van de WW is de rechtbank niet gebleken.

Het bestreden besluit kan derhalve in stand blijven, zodat het daartegen gerichte beroep ongegrond dient te worden verklaard.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A.C. van Nifterick.

De beslissing is, in tegenwoordigheid van C.E. Delvaux als griffier, uitgesproken in het openbaar

op 1 december 2003.

De griffier: De rechter:

Afschrift verzonden op:

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiser wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.