Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2003:AI0515

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25-07-2003
Datum publicatie
28-07-2003
Zaaknummer
VPOST 03/2146 HRK
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 juli 2003 heeft verweerder verzoeksters gelast de in het besluit onder 1 tot en met 12, weergegeven inlichtingen binnen drie weken na dagtekening van het besluit bij hem in te dienen. Indien verzoeksters deze inlichtingen niet binnen de gestelde termijn indienen, verbeuren zij een dwangsom van € 5.000,-- voor iedere werkdag, na afloop van de laatste dag van de gestelde termijn, waarop zij nalaten de betreffende inlichtingen bij verweerder in te dienen, met een maximum van € 50.000,-- in het totaal.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK TE ROTTERDAM

Voorzieningenrechter

Reg.nr.: VPOST 03/2146 HRK

Uitspraak

naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met de procedure tussen

TPG N.V., gevestigd te Amsterdam en Koninklijke TPG Post B.V., gevestigd te Den Haag, verzoeksters,

gemachtigde prof. mr. H.J. de Ru, advocaat te Amsterdam,

en

het college van de Onafhankelijk Post en Telecommunicatie Autoriteit, verweerder,

gemachtigde mr. F.W. Bleichrodt, advocaat te Den Haag.

1. Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 10 juli 2003 heeft verweerder verzoeksters gelast de in het besluit onder 1 tot en met 12, weergegeven inlichtingen binnen drie weken na dagtekening van het besluit bij hem in te dienen. Indien verzoeksters deze inlichtingen niet binnen de gestelde termijn indienen, verbeuren zij een dwangsom van € 5.000,-- voor iedere werkdag, na afloop van de laatste dag van de gestelde termijn, waarop zij nalaten de betreffende inlichtingen bij verweerder in te dienen, met een maximum van € 50.000,-- in het totaal.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) hebben verzoeksters bij brief van 16 juli 2003 bezwaar gemaakt.

Voorts hebben verzoeksters bij brief van 16 juli 2003 de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende schorsing van het bestreden besluit.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juli 2003. Aanwezig waren de gemachtigde van verzoeksters en mr. L.J. Wildenboer, kantoorgenoot van verzoeksters gemachtigde, bijgestaan door mr. D.F. E., werkzaam bij TPG. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door F.J.G. van der P en D.R. M, beiden werkzaam bij de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit.

2. Overwegingen

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voorzover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing op bezwaar of eventueel in de hoofdzaak.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat uit de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting blijkt dat partijen omtrent een groot aantal aspecten van het bestreden besluit van mening verschillen. Het betreft hier enerzijds principiële punten betreffende de bevoegdheid van verweerder en anderzijds een aantal zonder diepgaand onderzoek niet eenvoudig te beantwoorden vragen van meer feitelijke aard.

Tot eerstgenoemde categorie behoren onder andere de vraag of aan verweerder danwel slechts aan door hem aangewezen ambtenaren op grond van artikel 14b, eerste lid, Postwet een bevoegdheid toekomt, of verweerder het bestreden besluit in bezwaar eventueel op een (andere) wettelijke grondslag zou kunnen baseren, of artikel 5, tweede lid, aanhef en onder e, Postwet een vorm van attributie aan verweerder of delegatie aan de minister inhoudt en of onder de term “inlichtingen” in laatstgenoemde bepaling ook schriftelijke bescheiden kunnen worden begrepen.

Tot de tweede categorie behoren vragen als: hebben de in de vordering van 1 mei 2003 gevorderde inlichtingen (geheel) betrekking op het wettelijk aan verzoeksters opgedragen postvervoer, in hoeverre is het bestreden besluit voldoende duidelijk omtrent de gevorderde inlichtingen en in hoeverre wijkt het bestreden besluit ten nadele van verzoeksters af van de vordering van 1 mei 2003.

Een procedure als de onderhavige leent zich naar haar aard in beginsel niet voor de beantwoording van dergelijke principiële respectievelijk slechts na diepgaand feitenonderzoek te beantwoorden vragen. Dit geldt temeer nu met name uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de gedachtewisseling tussen partijen omtrent de punten die hen verdeeld houden nog geenszins tot rijping is gekomen. Het onderzoek ter terechtzitting heeft daardoor noodzakelijkerwijs op een aantal punten niet die helderheid kunnen verschaffen die wenselijk is alvorens daaromtrent een voorlopig oordeel te vellen.

Tegen het hiervoor overwogene dient te worden afgezet in welke mate verzoeksters door uitvoering te geven aan het bestreden besluit, nadeel lijden. Verzoeksters hebben desgevraagd in eerste en tweede instantie verwezen naar hun principiële bezwaren tegen het bestreden besluit en pas in derde instantie gesteld dat verweerder, indien bij een behandeling van het geschil in de hoofdzaak zou worden vastgesteld dat er geen of slechts een beperkte verplichting tot het verstrekken van inlichtingen zou bestaan voor verzoeksters, verweerder alsdan toch kennis heeft kunnen nemen van stukken, terwijl zij daartoe niet gerechtigd was. Verweerder zou in die situatie “besmet” worden met inlichtingen die zij niet mag gebruiken. Controle daarop zou problematisch kunnen zijn.

Verweerder heeft hier tegenovergesteld dat verzoeksters erop mogen vertrouwen dat de te verstrekken inlichtingen vertrouwelijk zullen worden behandeld. Voorts heeft verweerder uiteengezet dat de te verkrijgen inlichtingen zullen worden gebruikt voor een onderzoek naar de naleving door verzoeksters van de voorschriften neergelegd in de onderdelen 5.1 t/m 5.3 van het Besluit Algemene Richtlijnen Post. Indien het onderzoek daar aanleiding voor geeft zullen uiteindelijk bestuursrechtelijke maatregelen kunnen worden getroffen.

De voorzieningenrechter overweegt dat van verweerder verwacht mag worden dat hij – zoals hij zelf al heeft aangegeven – op zorgvuldige wijze met inlichtingen omgaat, zeker indien het inlichtingen betreft waarvan het vertrouwelijke karakter duidelijk is en zeker ook zolang het besluit op grond waarvan die inlichtingen zijn verkregen nog niet onherroepelijk is.

Voorts dient verweerder zich te beseffen dat, indien achteraf zou worden vastgesteld dat inlichtingen op onrechtmatige wijze zijn verkregen, hij zich bij het nemen van bestuursrechtelijke maatregelen jegens verzoeksters waarbij ook maar een begin van een vermoeden kan bestaan dat daarbij gebruik is gemaakt van dergelijke onrechtmatig verkregen inlichtingen, meer nog dan gebruikelijk zal moeten verantwoorden met betrekking tot de gegevens die daaraan ten grondslag hebben gelegen opdat iedere twijfel daaromtrent kan worden uitgesloten.

Gezien het hiervoor overwogene zal het verzoek om voorlopige voorziening worden afgewezen.

De voorzieningenrechter wenst nog het volgende op te merken. Verzoeksters hebben nadrukkelijk gesteld dat het bestreden besluit aan hen onvoldoende duidelijk maakt welke inlichtingen nu exact van hen wordt verlangd. Zo dit al het geval zou zijn dienen verzoeksters zich het volgende te realiseren. Zowel op basis van de Postwet als op basis van de Algemene wet bestuursrecht zijn verzoeksters verplicht aan verweerder dan wel aan diens (als toezichthouder) aangewezen ambtenaren inlichtingen te verstrekken voorzover dat redelijkerwijs voor de vervulling van verweerders taak nodig is. In het licht van die verplichting dienen verzoeksters, indien verweerder inlichtingen wenst te verkrijgen omtrent een specifiek deel van verzoeksters’ activiteiten, aan verweerder die inlichtingen te verschaffen die verweerder in staat stellen voldoende nauwkeurig te omschrijven waaraan behoefte ontstaat. Weliswaar heeft in het kader van de voorprocedure leidend tot het bestreden besluit een van de verzoeksters verweerder bij schrijven van 22 april 2003 op het eerste gezicht vrij uitvoerig van inlichtingen voorzien, maar verweerder is daar, om de enkele reden dat verzoeksters niet de bij zijn schrijven van 1 april 2003 gevraagde stukken hadden overgelegd, niet op ingegaan. Hoewel dit laatste te betreuren valt blijft het op de weg van verzoeksters liggen om, indien en voorzover zij constateren dat verweerder bij zijn verzoek om inlichtingen kennelijk geen goed beeld heeft van de werkelijke situatie, verweerder hieromtrent te informeren en kunnen zij niet volstaan met de mededeling dat het verzoek onduidelijk is.

Nu beide partijen verwijten kunnen worden gemaakt ten aanzien van eventuele onduidelijkheden in het bestreden besluit beveelt de voorzieningenrechter hen beide aan om ter voorlopige uitvoering van die last met inachtneming van ieders rechten en plichten in goed overleg te treden. Indien de gestelde begunstigingstermijn daarvoor geen ruimte biedt zou het verweerder sieren indien deze termijn daartoe zou worden verlengd.

Tenslotte overweegt de voorzieningenrechter nog het volgende. Verzoeksters hebben aangevoerd dat – voor zover het hen duidelijk is welke contracten overgelegd dienen te worden – delen daarvan betrekking kunnen hebben op postvervoer of andere dienstverlening ten aanzien waarvan verweerder geen wettelijke taak heeft. Voorzover dit zich voordoet moet voorshands worden aangenomen dat in de praktijk dergelijke contracten, en met name de daarin opgenomen prijsafspraken, als één geheel gezien moeten worden waarbij het eindresultaat belangrijker is dan de losse onderdelen. Indien verweerder slechts de beschikking zou krijgen over een of enkele onderdelen van zulk een contract is het voorstelbaar dat hij zich geen goed oordeel kan vormen over hetgeen waartoe partijen zich over en weer hebben verplicht.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding.

Gelet op het voorgaande wordt als volgt beslist.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter,

recht doende:

wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. van den Hurk als voorzieningenrechter.

De beslissing is, in tegenwoordigheid van mr. M. Traousis – van Wingaarden als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2003.

De griffier: De voorzieningenrechter: