Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2003:AI0300

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-07-2003
Datum publicatie
22-07-2003
Zaaknummer
10/150051-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aan verdachte is ten laste gelegd de ‘gewone invoer’ van een hoeveelheid hasjiesj “en/of” de invoer als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet. De rechtbank is van oordeel het woord “en” in de zinsnede ”en/of” een wijze van tenlastelegging oplevert waardoor twee elkaar uitsluitende delictomschrijvingen onder hetzelfde feit zijn gebracht. In zoverre is de tenlastelegging innerlijk tegenstrijdig en dient deze partieel te worden nietig verklaard. De rechtbank is voorts van oordeel dat de steller van de tenlastelegging met het woord ‘of’ in de zinsnede “en/of” heeft bedoeld aan te geven primair de gewone invoer ten laste te leggen en subsidiair de invoer als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer van de berechte zaak: 10/150051-03

Datum uitspraak: 22 juli 2003

Tegenspraak

VONNIS

van de RECHTBANK ROTTERDAM, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1940 te [geboorteplaats],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres [adres], ten tijde van het onderzoek ter terechtzitting preventief gedetineerd in de penitentiaire inrichting “De IJssel”, 2921 LR Krimpen aan den IJssel, Van der Hoopstraat 100.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 8 juli 2003.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld is in de inleidende dagvaarding onder parketnummer 10/150051-03. Van deze dagvaarding is een kopie in dit vonnis gevoegd (bladzijden genummerd 1A tot en met 1C).

DE EIS VAN DE OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie heeft gerekwireerd - zakelijk weergegeven de bewezenverklaring van het ten laste gelegde (medeplegen van gewone invoer) en de veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest.

PARTIELE NIETIGHEID VAN DE DAGVAARDING

Aan verdachte is ten laste gelegd de ‘gewone invoer’ van een hoeveelheid hasjiesj “en/of” de invoer als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet. De rechtbank is van oordeel het woord “en” in de zinsnede ”en/of” een wijze van tenlastelegging oplevert waardoor twee elkaar uitsluitende delictomschrijvingen onder hetzelfde feit zijn gebracht. In zoverre is de tenlastelegging innerlijk tegenstrijdig en dient deze partieel te worden nietig verklaard. De rechtbank is voorts van oordeel dat de steller van de tenlastelegging met het woord ‘of’ in de zinsnede “en/of” heeft bedoeld aan te geven primair de gewone invoer ten laste te leggen en subsidiair de invoer als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet.

BEWEZEN

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan op de wijze als vermeld in de hierna ingevoegde bijlage (bladzijde genummerd 1D), die van dit vonnis deel uitmaakt.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezen verklaarde tenlastelegging kennelijke verschrijvingen voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

BEWIJS

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de inhoud van wettige bewijsmiddelen. De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist, in een bijlage bij dit vonnis worden opgenomen.

RECHTMATIGHEID VAN DE BEWIJSGARING

De raadsman van verdachte heeft betoogd dat bij aanvang van het onderzoek tegen medeverdachte [medeverdachte 1] er geen sprake was van een redelijk vermoeden van schuld van [medeverdachte 1] aan een misdrijf, nu de informatie van de C.I.E. van najaar 2002 gezien de inhoud van het proces-verbaal geen onderzoek rechtvaardigt en de informatie uit vier afgesloten politieonderzoeken evenmin een grondslag kan opleveren, nu [medeverdachte 1] bij die onderzoeken kennelijk aangehouden noch verdacht is geweest. Naar het oordeel van de raadsman is het onderzoek en de inzet van de dwangmiddelen als observatie en afluisteren van telefoons op onrechtmatige gronden geschied. Het uit het onderzoek voortvloeiende materiaal is derhalve onrechtmatig verkregen en dient van het bewijs te worden uitgesloten.

De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

In vrijwel gelijkluidende rapporten van verbalisant R. Kolsteren van 21 januari 2003 - die ten grondslag liggen aan het door de officier van justitie afgegeven bevel op basis van artikel 126 g Wetboek van Strafvordering tegen [medeverdachte 1] alsmede de vorderingen tot machtiging tot het opnemen van telecommunicatie - wordt melding gemaakt van de C.I.E. informatie van 21 oktober 2002 waarin [medeverdachte 1] genoemd wordt. Tevens wordt vermeld dat in een viertal afgesloten politieonderzoeken bleek dat - onder andere - [medeverdachte 1] contacten onderhield met anderen op het gebied van de productie van XTC. Voorts worden de op 5 en 12 november 2002 afgelegde verklaringen van [betrokkene] omtrent de betrokkenheid van [medeverdachte 1] bij de productie van XTC genoemd.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van al deze informatie - bezien in onderling verband en samenhang - op 22 januari 2003 sprake was van voldoende feiten en omstandigheden voor de gevolgtrekking dat jegens [medeverdachte 1] een redelijk vermoeden van schuld bestond van (al dan niet in georganiseerd verband) betrokkenheid bij een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid Sv dat gezien zijn aard een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleverde, zodat de officier van justitie genoemde bevel en vorderingen naar het oordeel van de rechtbank rechtmatig heeft gegeven respectievelijk gedaan.

Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank de start van het onderzoek tegen [medeverdachte 1] niet onrechtmatig terwijl evenmin is gebleken van onrechtmatige bewijsvergaring. De voorliggende resultaten van het onderzoek - welk onderzoek uiteindelijk ook geleid heeft tot de aanhouding van verdachte - kunnen naar haar oordeel voor het bewijs worden gebruikt.

STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Het bewezen feit levert op:

primair

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, eerste lid, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod,

strafbaar gesteld bij artikel 11, vierde lid van de Opiumwet, in verbinding met artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is strafbaar.

STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is strafbaar.

MOTIVERING VAN DE STRAF

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft samen met anderen per vrachtwagen ongeveer 1000 kg hasjiesj Nederland ingevoerd. Nadat een vrachtwagenchauffeur er tegenover een medeverdachte blijk van had gegeven in grote financiële moeilijkheden te verkeren, is er op korte termijn een ontmoeting geregeld waarbij de chauffeur is benaderd om in zijn vrachtauto drugs vanuit Spanje mee naar Nederland te nemen.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte betrokken was bij de verschillende stadia van het transport. Verdachte is door zijn intensieve betrokkenheid bij verschillende stadia van het transport een onmisbare schakel gebleken in deze internationale drugshandel. Het gebruik van drugs is schadelijk voor de gezondheid en met het gebruik ervan gaan allerlei vormen van criminaliteit gepaard. Verdachte heeft zich enkel laten leiden door zijn eigen drang naar geldelijk gewin en is aan de nadelige gevolgen voor de maatschappij totaal voorbijgegaan.

Het gaat om een ernstig feit. Op dit feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een vrijheidsbenemende straf van geruime duur.

In het nadeel van verdachte is rekening gehouden met de omstandigheid dat hij blijkens een op zijn naam gesteld uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 9 april 2003 eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Na in augustus 2002 te zijn vrijgekomen na een langdurige gevangenisstraf terzake soortgelijke feiten, heeft hij zich vrijwel meteen weer met de handel in verdovende middelen ingelaten.

Alles afwegende acht de rechtbank na te noemen straf passend en geboden.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De op te leggen straf is gegrond op de reeds genoemde artikelen.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart de dagvaarding partieel nietig voor zover het betreft het woord “en” in de zinsnede “en/of” bovenaan blad 2 van de dagvaarding;

- verklaart de dagvaarding voor het overige geldig;

- verklaart bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

- stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

- verklaart de verdachte terzake van het feit strafbaar;

- veroordeelt de verdachte terzake van het onder primair bewezen verklaarde feit tot een gevangenisstraf voor de tijd van TWAALF (12) MAANDEN;

- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Flint-van Noort, voorzitter,

en mrs. Verbeek en Heevel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Jonker-den Besten, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 juli 2003.