Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2003:AI0296

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-07-2003
Datum publicatie
22-07-2003
Zaaknummer
10/150050-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aan verdachte is onder 1 ten laste gelegd de ‘gewone invoer’ van een hoeveelheid hasjiesj “en/of” de invoer als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet. De rechtbank is van oordeel het woord “en” in de zinsnede ”en/of” een wijze van tenlastelegging oplevert waardoor twee elkaar uitsluitende delictomschrijvingen onder hetzelfde feit zijn gebracht. In zoverre is de tenlastelegging innerlijk tegenstrijdig en dient deze partieel te worden nietig verklaard. De rechtbank is voorts van oordeel dat de steller van de tenlastelegging met het woord ‘of’ in de zinsnede “en/of” heeft bedoeld aan te geven primair de gewone invoer ten laste te leggen en subsidiair de invoer als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer van de berechte zaak: 10/150050-03

Datum uitspraak: 22 juli 2003

Tegenspraak

VONNIS

van de RECHTBANK ROTTERDAM, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1951 te [geboorteplaats] (Suriname),

verblijvende doch niet ingeschreven op het adres [adres],

ten tijde van het onderzoek ter terechtzitting preventief gedetineerd in de penitentiaire inrichting “Scheveningen”, 2597 JW ’s-Gravenhage, Pompstationsweg 48.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 8 juli 2003.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld is in de inleidende dagvaarding onder parketnummer 10/150050-03. Van deze dagvaarding is een kopie in dit vonnis gevoegd (bladzijden genummerd 1A tot en met 1C).

DE EIS VAN DE OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie heeft gerekwireerd - zakelijk weergegeven de bewezenverklaring van het onder 1 (medeplegen van gewone invoer) en 2 ten laste gelegde en de veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest.

PARTIELE NIETIGHEID VAN DE DAGVAARDING

Aan verdachte is onder 1 ten laste gelegd de ‘gewone invoer’ van een hoeveelheid hasjiesj “en/of” de invoer als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet. De rechtbank is van oordeel het woord “en” in de zinsnede ”en/of” een wijze van tenlastelegging oplevert waardoor twee elkaar uitsluitende delictomschrijvingen onder hetzelfde feit zijn gebracht. In zoverre is de tenlastelegging innerlijk tegenstrijdig en dient deze partieel te worden nietig verklaard. De rechtbank is voorts van oordeel dat de steller van de tenlastelegging met het woord ‘of’ in de zinsnede “en/of” heeft bedoeld aan te geven primair de gewone invoer ten laste te leggen en subsidiair de invoer als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet.

DE ONTVANKELIJKHEID VAN DE OFFICIER VAN JUSTITIE IN DE VERVOLGING

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat de officier van justitie niet ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat door de officier van justitie bij de behandeling in raadkamer van de vordering tot gevangenhouding op 18 april 2003, op een drietal punten is gelogen. Daardoor is de rechtbank misleid en kan er geen sprake meer zijn van een eerlijke berechting van verdachte. De rechtbank - aldus nog steeds de raadsman - mag niet accepteren dat een officier van justitie leugens vertelt en mitsdien dient het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Naar vaste jurisprudentie past de sanctie van niet-ontvankelijk verklaring van de officier van justitie in de vervolging slechts dan indien door onrechtmatig optreden van opsporingsambtenaren dan wel de officier van justitie zelf, doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak, is tekortgedaan dan wel de rechtbank doelbewust is misleid.

Wat er ook zij van de stelling van de raadsman over de discussie in raadkamer - die met name ging over de positie van een medeverdachte - de rechtbank baseert zich bij haar beslissing over de voorliggende vordering tot gevangenhouding in beginsel slechts op de op dat moment in het dossier van de verdachte aanwezige stukken, gehoord hebbende de toelichting ter raadkamer van de zijde van de verdediging en de officier van justitie.

Indien men de beslissing van de rechtbank op onjuiste gronden acht te zijn genomen, staat tegen de beslissing hoger beroep open van welke mogelijkheid in casu ook gebruik is gemaakt. Het Gerechtshof te Den Haag heeft vervolgens dit beroep afgewezen.

Gelet op het voorgaande valt niet in te zien dat door het gestelde onrechtmatige handelen van de officier van justitie aan verdachte’s recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan dan wel dat de rechtbank is misleid. Het verweer wordt mitsdien verworpen.

De raadsman van verdachte heeft voorts betoogd dat het onderzoek tegen medeverdachte [medeverdachte 1]is gestart op basis van onbetrouwbare informatie omdat uit de inhoud van het proces-verbaal van de chef van de Criminele Inlichtingen Eenheid (C.I.E.) van 21 oktober 2002 onvoldoende vermoeden van schuld van [medeverdachte 1] kan worden afgeleid aan een misdrijf als bedoeld in artikel 67 lid 1 Wetboek van Strafvordering (Sv), zodat de officier van justitie op onrechtmatige gronden gebruik heeft gemaakt van een aantal bijzondere opsporingsbevoegdheden. Gelet daarop dient de officier van justitie niet ontvankelijk te worden verklaard.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende

In vrijwel gelijkluidende rapporten van verbalisant R. Kolsteren van 21 januari 2003 - die ten grondslag liggen aan het door de officier van justitie afgegeven bevel op basis van artikel 126 g Sv alsmede de vorderingen tot machtiging tot het opnemen van telecommunicatie - wordt melding gemaakt van de C.I.E. informatie van 21 oktober 2002 waarin [medeverdachte 1] genoemd wordt. Tevens wordt vermeld dat in een viertal afgesloten politieonderzoeken bleek dat - onder andere - [medeverdachte 1] contacten onderhield met anderen op het gebied van de productie van XTC. Voorts worden de op 5 en 12 november 2002 afgelegde verklaringen van [betrokkene] omtrent de betrokkenheid van [medeverdachte 1] bij de productie van XTC genoemd.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van al deze informatie - bezien in onderling verband en samenhang - op 22 januari 2003 sprake was van voldoende feiten en omstandigheden voor de gevolgtrekking dat jegens [medeverdachte 1] een redelijk vermoeden van schuld bestond van (al dan niet in georganiseerd verband) betrokkenheid bij een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid Sv dat gezien zijn aard een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleverde, zodat de officier van justitie genoemde bevel en vorderingen naar het oordeel van de rechtbank rechtmatig heeft gegeven respectievelijk gedaan.

Gelet op het voorgaande wordt het verweer verworpen.

Nu ook overigens geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die zouden moeten leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie, is de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging.

BEWEZEN

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan op de wijze als vermeld in de hierna ingevoegde bijlage (bladzijden genummerd 1D en 1E), die van dit vonnis deel uitmaakt.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezen verklaarde tenlastelegging kennelijke verschrijvingen voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

BEWIJS

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de inhoud van wettige bewijsmiddelen. De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist, in een bijlage bij dit vonnis worden opgenomen.

RECHTMATIGHEID VAN DE BEWIJSGARING

De raadsman heeft gesteld dat - gezien de onrechtmatige start van het onderzoek tegen de medeverdachte [medeverdachte 1] - de resultaten van dat onderzoek , welk onderzoek uiteindelijk ook geleid heeft tot aanhouding van verdachte - in elk geval van het bewijs moeten worden uitgesloten, indien de rechtbank het verweer tot niet ontvankelijk verklaring van de officier van justitie zou verwerpen.

Zoals door de rechtbank hierboven is overwogen, is naar haar oordeel de start van het onderzoek tegen [medeverdachte 1] niet onrechtmatig terwijl evenmin is gebleken van onrechtmatige bewijsvergaring. De voorliggende resultaten van het onderzoek kunnen naar haar oordeel voor het bewijs worden gebezigd.

Met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde feit heeft de raadsman nog aangevoerd dat het binnentreden in de woning aan [adres] op disproportionele wijze heeft plaatsgevonden zodat het aldaar aangetroffen materiaal onrechtmatig is verkregen en van het bewijs dient te worden uitgesloten.

De rechtbank overweegt dat een disproportioneel optreden niet aannemelijk is geworden zodat het verweer wordt verworpen.

STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

De bewezen feiten leveren op:

1. primair

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, eerste lid, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod,

strafbaar gesteld bij artikel 11, vierde lid van de Opiumwet, in verbinding met artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

2.

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, eerste lid, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod,

strafbaar gesteld bij artikel 11, tweede lid van de Opiumwet.

De raadsman van verdachte heeft ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde feit gesteld dat verdachte ontslagen dient te worden van rechtsvervolging nu dit feit geen strafbaar feit oplevert. Verdachte heeft de aangetroffen 250 gram hasj in bewaring voor een beheerder/eigenaar van een coffeeshop. In het licht van het coffeeshop- en gedoogbeleid is het toegestaan een voorraad aan te houden van 500 gram en is het hebben van die voorraad niet strafbaar.

De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

Verdachte heeft blijkens het proces-verbaal van verhoor van 10 april 2003 tegenover de politie verklaard dat het betreffende blokje hasj van hem was om eventuele visite te kunnen laten roken. Eerst bij pleidooi is er beroep gedaan op de omstandigheid dat verdachte het ten behoeve van een eigenaar van een coffeeshop onder zich had om de kwaliteit te beoordelen. Nog daargelaten het in Nederland gevoerde coffeeshop beleid, kan het bezit van hasj in een woning ten behoeve van een ander, niet tot het oordeel leiden dat het bezit niet strafbaar is. Het beroep op ontslag van rechtsvervolging wegens niet strafbaarheid van het feit wordt mitsdien verworpen.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is strafbaar.

MOTIVERING VAN DE STRAFFEN EN MAATREGEL

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft samen met anderen per vrachtwagen ongeveer 1000 kg hasjiesj Nederland ingevoerd. Nadat een vrachtwagenchauffeur er tegenover een medeverdachte blijk van had gegeven in grote financiële moeilijkheden te verkeren, is er op korte termijn een ontmoeting onder meer met verdachte geregeld waarbij de chauffeur is benaderd om in zijn vrachtauto drugs vanuit Spanje mee naar Nederland te nemen.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte intensief betrokken was bij alle stadia van het transport.

Verdachte heeft zich aldus schuldig gemaakt aan internationale drugshandel. Verdachte is door zijn intensieve betrokkenheid bij alle stadia van het transport een onmisbare schakel gebleken in deze internationale drugshandel. Het gebruik van drugs is schadelijk voor de gezondheid en met het gebruik ervan gaan allerlei vormen van criminaliteit gepaard. Verdachte heeft zich enkel laten leiden door zijn eigen drang naar geldelijk gewin en is aan de nadelige gevolgen voor de maatschappij totaal voorbijgegaan.

Het gaat om een ernstig feit. Op dit feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een vrijheidsbenemende straf van geruime duur.

Bovendien heeft verdachte een plak hasj aanwezig gehad.

In het nadeel van verdachte is rekening gehouden met de omstandigheid dat hij blijkens een op zijn naam gesteld uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 9 april 2003 eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.

Alles afwegende acht de rechtbank na te noemen straf passend en geboden.

IN BESLAG GENOMEN VOORWERPEN

De officier van justitie heeft gevorderd de verbeurdverklaring van een weegschaal en onttrekking aan het verkeer van de plak hasj.

De rechtbank beslist als volgt:

het in beslag genomen voorwerp, te weten:

de weegschaal wordt verbeurd verklaard.

Het voorwerp behoort toe aan de verdachte. Het voorwerp is tot het begaan van het onder 2 bewezen misdrijf bestemd.

Het in beslag genomen voorwerp, te weten:

de plak hasj van 250 gram wordt onttrokken aan het verkeer.

Het voorwerp behoort toe aan de verdachte en is van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De op te leggen straf en bijkomende straf en maatregel zijn behalve op de reeds genoemde artikelen gegrond op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart de dagvaarding ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde partieel nietig voor zover het betreft het woord “en” in de zinsnede “en/of” bovenaan blad 2 van de dagvaarding;

- verklaart de dagvaarding voor het overige geldig;

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging;

- verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

- stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

- verklaart de verdachte terzake van de feiten strafbaar;

- veroordeelt de verdachte terzake van de onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde feiten tot een gevangenisstraf voor de tijd van TWAALF (12) MAANDEN;

- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

- beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:

- verklaart verbeurd: de weegschaal;

- verklaart onttrokken aan het verkeer: de plak hasj van 250 gram.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Flint-van Noort, voorzitter,

en mrs. Verbeek en Heevel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Jonker-den Besten, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 juli 2003.