Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2003:AH8795

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-06-2003
Datum publicatie
30-06-2003
Zaaknummer
10/150018-02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt verweten in ieder geval in de periode van 2001 tot en met 2002 leider te zijn geweest van een gestructureerd crimineel samenwerkingsverband dat zich op professionele wijze in het bijzonder bezighield met mensensmokkel. Hierbij is bewerkstelligd dat een groot aantal Chinezen, tegen betaling van forse bedragen en soms onder erbarmelijke omstandigheden, geholpen werd wederrechtelijk Nederland binnen te komen. Voorts maakte de organisatie gebruik van zogenaamde "safehouses", waar de gesmokkelden, in minstens één huis onder mensonwaardige omstandigheden, werden ondergebracht en vastgehouden tot betaling van het transport had plaatsgevonden. Hierbij werd het gebruik van geweld niet geschuwd. De organisatie maakte zich voorts schuldig aan het voorhanden hebben van wapens en munitie en het ter beschikking stellen van vervalste documenten aan de gesmokkelden.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 140
Wetboek van Strafrecht 197a
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 348
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2003, 311
NBSTRAF 2003/311
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer van de berechte zaak: 10/150018-02

Datum uitspraak: 27 juni 2003

Tegenspraak

VONNIS

van de RECHTBANK TE ROTTERDAM, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum]

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op [adres]

ten tijde van het onderzoek ter terechtzitting gedetineerd in het Huis van Bewaring "De Vecht" te Nieuwersluis.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzit-tingen van 20 februari 2003, 21 maart 2003, 2 april 2003, 13 mei 2003, 23 mei 2003, 26 mei 2003, 3 juni 2003, 5 juni 2003, 6 juni 2003, 10 juni 2003 en 13 juni 2003.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding d.d. 20 augustus 2002 onder parketnummer 10/150018-02 zoals die overeenkomstig de vordering aanpassing tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering van de officier van justitie op 23 mei 2003 ter terechtzitting is gewijzigd. Van deze inleidende dagvaarding en vordering zijn kopieën in dit vonnis gevoegd (blad-zijden genummerd A.1 tot en met A.8).

DE EIS VAN DE OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Verwiel heeft gerekwireerd - zakelijk weergegeven - de bewezenverklaring van het op de vordering aanpassing tenlastelegging onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde en de veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van tien (10) jaren en acht (8) maanden, met aftrek van de tijd die door de verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht.

De officier van justitie vordert voorts onttrekking van de inbeslaggenomen pillen en verbeurdverklaring van goederen en bescheiden, zoals door haar is aangegeven op de kopieën van de lijsten van in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen (kennisgevingen van inbeslagneming), en voor het overige teruggave. Deze lijsten zijn door de officier van justitie bij haar requisitoir overgelegd en als bijlage C.1 tot en met C.4 aan dit vonnis gehecht.

DE ONTVANKELIJKHEID VAN DE OFFICIER VAN JUSTITIE IN DE VERVOL-GING

1.1 De raadsvrouw van verdachte stelt zich primair op het standpunt dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging, althans dat algehele bewijsuitsluiting dient te volgen en heeft daartoe gepleit conform de door haar overgelegde pleitnotities.

De verdediging heeft - kort samengevat - aangevoerd dat de officier van justitie niet ontvankelijk verklaard behoort te worden in de vervolging op grond van - zakelijk weergegeven - het onherstelbare gebrek aan inzichtelijkheid van (het ontstaan van) de verdenking en de loop van het onderzoek, een en ander bezien tegen het licht van de incompleetheid van het dossier, het gebrek aan controlemogelijkheden ten aanzien van de toegepaste dwangmiddelen en de rol van het ZOA-team. Er is sprake van een ernstige inbreuk op de beginselen van een goede procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan haar recht op een eerlijke behandeling van haar zaak is tekort gedaan en artikel 6 EVRM is geschonden. In dat verband moet ook de overschrijding van de redelijke termijn voor vervolging worden meegewogen. Ook heeft de officier van justitie zich niet gehouden aan de gedragscode voor het Openbaar Ministerie. Voorts is sprake van schending van artikel 8 EVRM, gelet op het ontbreken van een wettelijke basis voor de match-bestanden van het ZOA-team en het niet geautoriseerd zijn van het gebruik van die gegevens door een rechter.

1.2 De rechtbank ziet aanleiding om dit verweer ten aanzien van het Jade-dossier en het Opaal-dossier afzonderlijk te bespreken.

Jade

2.1 Ten aanzien van feit 1 en feit 4, voorzover het betreft de periode 1997-1998 (Jade-dossier), heeft de raadsvrouw gesteld dat sprake is van een grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte tengevolge waarvan haar verdedigingspositie onherstelbaar is beschadigd.

Alvorens hierop nader in te gaan zal allereerst de feitelijke gang van zaken kort worden geschetst.

2.2 Bedoelde verwijten vinden hun grondslag in informatie afkomstig uit Duitse onderzoeken (zaken Duisburg en Freyung) verricht in de periode 1 maart 1997 tot en met 9 maart 1998, welke gegevens later zijn toegevoegd aan het zogenoemde Jade-dossier.

Uit het algemeen proces-verbaal, onderzoek Jade, is gebleken dat op 1 januari 1997 binnen het kernteam Rotterdam het projectteam Zuid-Oost Azië (hierna te noemen: ZOA-team) is opgericht welk team in de tweede helft van dat jaar nader onderzoek ging doen naar het bestaan van criminele netwerken in Nederland welke betrokken zijn bij mensensmokkel vanuit Zuid-Oost Azië naar West-Europa.

Vanaf september 1997 zijn er vanuit Nederland contacten met de politie in Duitsland.

Naar aanleiding van informatie afkomstig uit o.a. contacten met de Kriminalpolizei Duisburg en de Grenzpolizei Freyung ontstonden bij het ZOA-team steeds meer aanwijzingen dat een vrouw genaamd [naam] een leidinggevende rol zou vervullen binnen een criminele groep Chinezen welke zich mogelijk bezighield met mensensmokkel. Medio oktober 1998 werd deze informatie uit het voorbereidend onderzoek ter beschikking gesteld aan een rechercheteam en op 27 januari 1999 werd tegen [naam] verdachte, een gerechtelijk vooronderzoek geopend.

Op basis van rechtshulpverzoeken aan de Duitse autoriteiten zijn in december 1998 (Freyung) respectievelijk januari 1999 (Duisburg) enkele verbalisanten van het Rotterdamse onderzoeksteam naar Duitsland afgereisd teneinde de Duitse onderzoeksgegevens in te zien en getuigen te horen. Zij hebben een selectie gemaakt van de Duitse onderzoeksgegevens en hebben deze stukken toegevoegd aan het Jade-dossier.

2.3 Op 26 maart 1999 is het Jade-onderzoek stopgezet, waarbij het inmiddels geopende gerechtelijk vooronderzoek niet is gesloten. In maart 2000 is een doorstart gemaakt met het Jade-onderzoek, onder de naam Jade II. Kennelijk omdat geen voortgang werd geboekt in het onderzoek, is dit op 10 mei 2000 weer stopgezet, terwijl het gerechtelijk vooronderzoek door bleef lopen. Uiteindelijk is het gerechtelijk vooronderzoek in Jade gesloten op 3 februari 2003, en is op 28 maart 2003 de kennisgeving van verdere vervolging betekend aan verdachte.

2.4 Verdachte is in het kader van het Opaal-onderzoek op 28 mei 2002 in verzekering gesteld. Blijkens het bevel gevangenhouding van 7 juni 2002 is de voorlopige hechtenis van verdachte verleend op grond van verdenking van andere feiten dan de Jade-feiten.

Bij brief van 8 november 2002 heeft de officier van justitie de raadsvrouw van verdachte bericht dat het Jade-dossier zou worden toegevoegd aan het Opaal-dossier.

Eind januari 2003 is het Jade dossier feitelijk aan het Opaal-dossier toegevoegd (met toestemming van de rechter-commissaris).

Het verwijt aan verdachte op grond van het Jade-dossier is eind maart 2003 geformuleerd in de concept-dagvaarding die door de officier van justitie aan de raadsvrouw is toegestuurd, terwijl op 23 mei 2003 de omschrijving van de tenlastelegging is aangepast overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering.

3.1 De rechtbank stelt vast dat het verwijt zoals geformuleerd onder feit 1 en feit 4 - voorzover het betreft de periode 1997-1998 - op de tenlastelegging vrijwel uitsluitend berust op informatie afkomstig uit genoemde Duitse opsporingsonderzoeken. Deze onderzoeken kunnen worden beschouwd als een op zichzelf staand afgerond geheel, waarbij wordt opgemerkt dat verdachte zelf gedurende deze onderzoeken nimmer is gehoord.

De hiervoor geschetste gang van zaken maakt dat verdachte eerst ruim 5 jaar na de onderzoeken in Duitsland geacht moet worden in de gelegenheid te zijn geweest adequaat de verdediging te voeren. Het behoeft geen betoog dat het tijdsverloop daarbij een ernstig belemmerende factor is gebleken.

3.2 Allereerst bleek na bestudering van de stukken dat een aantal zaaksdossiers uit het Jade-dossier zoals dat was aangeleverd niet compleet waren, zodat een reeks van gegevens waaronder verklaringen van medeverdachten/getuigen nog in een later stadium aan het dossier is toegevoegd.

Daarnaast heeft de raadsvrouw van verdachte getracht om nader inzicht te verkrijgen in de verloop van het opsporingsonderzoek, de grondslag van de verdenking en de redenen voor het stopzetten en doorstarten van het Jade-onderzoek. Met name het feit dat er in het dossier wordt gesproken over tal van andere onderzoeken waarin verdachte (kennelijk) eveneens voorkwam, is een element dat vragen oproept met betrekking tot de grondslag van de verdenking.

In dat kader zijn op verzoek van de verdediging meerdere direct of indirect betrokkenen bij het Jade-onderzoek als getuige bij de rechter-commissaris gehoord. Daarbij is gebleken dat de getuigen in het algemeen nog slechts vage herinneringen hebben aan het Jade-onderzoek en de gang van zaken alleen nog in grove lijnen kunnen weergeven.

Op grond hiervan stelt de rechtbank vast dat over de gang van zaken met betrekking tot het verloop van het opsporingsonderzoek en de grondslag van de verdenking in dit stadium van het onderzoek geen helder en volledig beeld meer verkregen kan worden. Zowel de rechtbank als de verdediging worden hierdoor belemmerd in de mogelijkheid tot het verrichten van controle op het opsporingsonderzoek.

Tenslotte is met betrekking tot de feiten zoals die op de dagvaarding zijn verwoord verzocht een aantal medeverdachten als getuige te horen.

Van de 8 getuigen, waarvan door de rechtbank was beslist dat zij gehoord dienden te worden, bleken er vier onvindbaar. Slechts ten aanzien van drie getuigen is de verdediging in de gelegenheid geweest hen te bevragen. Ten aanzien van deze verklaringen geldt uiteraard dat de betrouwbaarheid daarvan moet worden bezien tegen de achtergrond van een tijdverloop van 5 tot 6 jaar.

Aparte vermelding verdient nog de voor een aantal dossiers cruciaal te achten [getuige]. Hij is, hoewel zijn verblijfplaats (Australië) kort voor de zitting bekend is geworden, ondanks serieuze pogingen daartoe niet meer gehoord kunnen worden voor de sluiting van het onderzoek ter terechtzitting. Wel is tijdens de behandeling ter terechtzitting de mogelijkheid besproken om hem in een later stadium te horen en de beslissing van de rechtbank ten aanzien van de Jade-feiten uit te stellen tot een later moment. De verdediging heeft desgevraagd geen afstand gedaan van de getuige, doch wenste (eerst) het oordeel van de rechtbank over de ontvankelijkheid van het OM te vernemen en heeft daarom geen aanhouding gevraagd. De officier van justitie wenste evenmin aanhouding en heeft in haar requisitoir geconcludeerd tot bewezenverklaring van alle tenlastegelegde feiten, zonder consequenties te verbinden aan de omstandigheid dat [getuige] niet gehoord is.

4. In het licht van het voorgaande overweegt de rechtbank als volgt.

4.1 Het staat het openbaar ministerie op zichzelf vrij om te beslissen op welk moment het overgaat tot vervolging van enig feit. In het kader van een goede procesorde, meer in het bijzonder het beginsel van een eerlijk proces als bedoeld in art 6 EVRM, dient het openbaar ministerie zich daarbij echter wel rekenschap te geven van het feit dat het moment waarop tot vervolging wordt overgegaan vèrstrekkende gevolgen kan hebben voor de positie van de verdediging.

In de onderhavige zaak is door de officier van justitie eerst ruim twee maanden na de eerste pro forma zitting, op 5 september 2002, besloten het Jade-onderzoek aan het Opaal-dossier toe te voegen. Zij is tot deze beslissing gekomen na inventarisatie van de bewijspositie, en heeft gemeend door toevoeging van het Jade-onderzoek haar bewijspositie in de zaak tegen verdachte te kunnen verstevigen, zo blijkt uit de brief van de officier van justitie aan de rechter commissaris van 8 november 2002 en uit hetgeen zij dienaangaande ter terechtzitting heeft gesteld. Eerst in maart 2003 was er enige mate van zekerheid aangaande de concrete aan verdachte te maken verwijten.

4.2 De rechtbank is van oordeel dat de officier van justitie door aldus te handelen ten onrechte is voorbijgegaan aan de gevolgen daarvan voor de verdediging. Niet alleen is de positie van de verdediging beschadigd door de hiervoor onder 3. genoemde factoren, maar de verdediging wordt daarenboven, door toevoeging van een nieuw dossier, terwijl verdachte zich op grond van andere, doch gelijktijdig ter zitting te behandelen feiten reeds vijf maanden in voorlopige hechtenis bevindt in een onmogelijke positie gemanoeuvreerd. Immers, het spreekt voor zich dat - mede gezien het tijdverloop van ruim vijf jaar na afsluiting van het Duitse onderzoek en alle complicaties - de verdediging nog tal van onderzoekshandelingen zal willen laten verrichten, zoals hiervoor geschetst. Daar staat echter tegenover dat verdachte, die zich in voorlopige hechtenis bevindt alle belang heeft bij een zo voortvarend mogelijk onderzoek, waarbij iedere nieuwe onderzoekshandeling een belemmering voor de voortgang vormt.

Het voorgaande klemt temeer wanneer daarbij in ogenschouw wordt genomen dat de officier van justitie al voor de aanhouding van verdachte bekend was met het Jade-onderzoek en het dossier tot haar beschikking stond, zodat zij toen reeds sluiting van het gerechtelijk vooronderzoek had kunnen vragen en de stukken met gepaste spoed aan het dossier had kunnen toevoegen.

De omstandigheid dat de officier van justitie zich in het verdere verloop van het onderzoek ter zitting welwillend heeft opgesteld en gelet op de tijdsdruk voortvarend is tegemoetgekomen aan door de rechtbank en de verdediging geformuleerde wensen met betrekking tot het completeren van de stukken en het horen van getuigen, doet naar het oordeel van de rechtbank aan het voorgaande niet af.

5. De gebreken zijn slechts ten dele hersteld en de schade zal ook niet geheel hersteld kunnen worden. Dat dit zo is, is een gevolg van door het Openbaar Ministerie gemaakte keuzes die nodeloos ernstige schade hebben toegebracht aan de positie van de verdediging. Dit is dan ook te verwijten aan het Openbaar Ministerie. Er is hier sprake van grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte waardoor haar verdedigingspositie onherstelbaar beschadigd is.

Door aldus te handelen heeft de officier van justitie naar het oordeel van de rechtbank zodanig in strijd gehandeld met de beginselen van een behoorlijke procesorde, dat tot geen andere conclusie gekomen kan worden dan dat het openbaar ministerie ten aanzien van feit 1 en feit 4, voorzover het betreft de periode 1997- 1998, niet ontvankelijk moet worden verklaard.

Opaal

6. Voor wat betreft de rol van de Jade-dossiers wordt verwezen naar hetgeen daarover hiervoor is overwogen.

7. Voor wat betreft het onder feit 2 ten laste gelegde alsmede de criminele organisatie in de periode 1999-2000 geldt daarnaast het volgende.

7.1 Vastgesteld kan worden, dat niet zeker is dat het dossier compleet is voorzover het de Dover/Fanqie-zaak betreft, doch dat betreft slechts het deel van het dossier dat ziet op de bij de rechter-commissaris, de rechtbank en het Gerechtshof afgelegde verklaringen. Daarnaast moet worden aangenomen dat het Ni Hao-dossier niet compleet is, terwijl bij de Wasabi-taps de integrale (woordelijke) vertalingen ontbreken.

7.2 Voorts is onduidelijk in hoeverre gegevens uit andere onderzoeken een rol hebben gespeeld bij het ontstaan van de verdenking. De rechtbank stelt op basis van het onderzoek ter terechtzitting en het dossier zoals dat daar uiteindelijk verkregen en besproken is vast, dat voor en ten tijde van het Dover-transport - waarbij de slachtoffers werden aangetroffen in het Verenigd Koninkrijk op 18/19 juni 2000 - in elk geval uit de volgende bronnen materiaal betreffende verdachte beschikbaar was:

- Jade-onderzoeken;

- Wasabi-onderzoek: telefoontaps;

- anonieme brief aan de politie;

- Ni Hao-onderzoek, en in dat verband de (eerste) verklaringen van [getuige 2] en [getuige 3] tegenover de politie;

- het dossier van "de zaak Rotterdam" betreffende een ontvoering;

- (een deel van) het Lotus-onderzoek : telefoontaps.

In al deze gevallen betreft het informatie die toen (vanaf 1998) direct dan wel indirect redelijkerwijs tot de verdenking moet hebben geleid dat verdachte op enigerlei wijze betrokken was of was geweest bij mensensmokkel, waarbij haar naam ook - met name in de verklaring van [getuige 2] - concreet wordt genoemd in verband met smokkel van Chinezen via Nederland naar het Verenigd Koninkrijk.

Kort na het Dover-transport (juli - begin augustus 2000) zijn daar nog bijgekomen: de zogenaamde Chinese fax, waarin, kort gezegd, door Interpol China een opsomming wordt gegeven van personen die betrokken zouden zijn bij de organisatie van het Dover-transport en de zogenaamde Belgische fax, waarin door de Criminele Inlichtingendienst in België - kennelijk naar aanleiding van die Chinese fax - aan de Nederlandse politie de aldaar beschikbare gegevens over die personen worden verstrekt.

7.3 De officier van justitie heeft (bij herhaling) aangevoerd dat deze informatie weliswaar bestond, maar toen niet met elkaar in verband is gebracht dan wel van bedenkelijke betrouwbaarheid of niet van voldoende belang werd geacht gelet op het onderzoek naar een ander feit (Ni Hao) of niet is begrepen (Fuzhou-gesprekken in Wasabi). De officier van justitie heeft ontkend dat sprake is geweest van een "samenzwering" - hetgeen de rechtbank begrijpt als: een bewuste bedoeling om de verdachte in de verdediging of haar recht op een eerlijk proces te benadelen -. Zij houdt staande dat de verdenking jegens verdachte eerst is ontstaan na analyse van restinformatie uit het onderzoek naar het Dover-transport (het Fanqie-onderzoek).

7.4 Hoewel, naar aanleiding van de reeds in een vroeg stadium naar voren gebrachte vragen en verweren van de verdediging, inmiddels een groot aantal getuigen (politieambtenaren en officieren van justitie) is gehoord, is niet meer vast te stellen hoe een en ander destijds is gelopen. Wel maakt de rechtbank uit die verklaringen op dat het ZOA-team, dat vanaf 1 januari 1997 tot in 2001 bestaan heeft, daadwerkelijk invulling gaf aan zijn taak van onder meer het verzamelen van informatie, matchen daarvan en coördineren en ondersteunen van lopende onderzoeken. Onder andere de [getuige 4] schetst een beeld waaruit blijkt, dat het ZOA-team zich in dat kader actief opstelde; de getuige geeft ook aan dat hij over informatie uit allerlei andere onderzoeken dan dat, waaraan hij op dat moment leiding gaf, kon beschikken.

8.1 Tegen de achtergrond van het voorgaande komt de rechtbank tot het volgende oordeel. Zij neemt daarbij tot uitgangspunt dat het het Openbaar Ministerie is dat duidelijkheid moet verschaffen over de vraag hoe, wanneer en op grond waarvan de verdenking is ontstaan en hoe het onderzoek is verlopen en het gepresenteerde bewijsmateriaal is vergaard. Nu zekerheid over de gang van zaken niet meer te verkrijgen valt, kan van de verdediging niet meer of anders verlangd worden dan dat zij aantoont dat er een reële kans bestaat dat haar stellingen juist zijn.

8.2 Dat het Openbaar Ministerie (of de politie) doelbewust tekort zou hebben gedaan aan het recht van verdachte op een eerlijk proces is niet aannemelijk geworden. Daarbij is meegewogen dat de officier van justitie een dergelijke opzet ontkent, dat geen van de gehoorde getuigen iets in die richting heeft verklaard en dat in het relaas van onderzoek van zaaksdossier 1 en het Algemeen Relaas ook niet is gepoogd te ontkennen of te verdoezelen dat voormelde gegevens bestonden. Na aanvang van de zitting heeft de officier van justitie het dossier op een aantal punten aangevuld; er bestaan geen aanwijzingen dat daarbij stukken opzettelijk niet zijn toegevoegd. Op dezelfde gronden is evenmin aannemelijk geworden dat sprake is van een zo grove veronachtzaming van verdachtes belangen, dat die uit een oogpunt van verwijtbaarheid de opzet als voornoemd zou benaderen. Beschouwing van deze kwestie vanuit de optiek van de gedragscode voor het Openbaar Ministerie voegt aan het vorenstaande niets toe.

In verband met dit onderdeel van het verweer hecht de rechtbank eraan op te merken, dat uit de getuigenverklaringen valt op te maken, dat een of meer verklaringen (van [getuige 3]) met opzet buiten het dossier in de Fanqie-zaak zijn gehouden, hoewel die wellicht relevant hadden kunnen zijn voor het inzicht in de criminele organisatie die toen volgens de tenlastelegging aan de orde was. Wat er van de eventuele bezwaren tegen die handelwijze ook moge zijn, dat raakt niet de belangen van deze verdachte in deze procedure en is als zodanig thans irrelevant.

De rechtbank verwerpt daarom het beroep op niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

Voorzover de verdediging heeft bedoeld aan dat beroep als zelfstandige grondslag, los van het vorenstaande, de schending van artikel 8 EVRM ten grondslag te leggen, heeft zij dit onvoldoende onderbouwd; de aangegeven gebreken in de match zouden hoogstens kunnen leiden tot uitsluiting van die gegevens van het bewijs. Daarop wordt hierna teruggekomen.

Nu geen andere feiten of omstandigheden zijn gebleken die zouden moeten leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie, is de officier van justitie voor het overige ontvan-kelijk in de vervolging.

Bewijsuitsluiting Opaal

9.1 Wel is de rechtbank van oordeel dat er ernstige redenen zijn om te twijfelen aan de stelling dat de verdenking uitsluitend is ontstaan en het onderzoek uitsluitend is uitgevoerd op de door de officier van justitie geschetste wijze. Immers, zoals uit bovenstaande opsomming blijkt was er eerder ruim voldoende ander materiaal bij de politie bekend, waarvan bepaald niet kan worden uitgesloten dat het, mogelijk op basis van de activiteiten van het ZOA-team, met elkaar in verband is gebracht op een ander (eerder) moment en op andere wijze dan thans uit het dossier blijkt, in die zin dat verdachte eerder als zodanig is aangemerkt en dat er gericht onderzoek naar haar is gedaan (naar de rechtbank aanneemt, zonder dat deze officier van justitie daarvan op de hoogte is). In die richting zou bijvoorbeeld ook het kennelijk al in 1998 beschikbaar zijn van een foto van verdachte kunnen wijzen. Daaromtrent en omtrent hetgeen in dat kader mogelijk aan opsporingsmiddelen is gehanteerd, valt geen duidelijkheid meer te verkrijgen. Ook is niet uit te sluiten dat het thans beschikbare dossier op in dit verband relevante punten niet compleet is, zeker niet nu ook op andere punten moet worden aangenomen dat stukken ontbreken.

9.2 Deze omstandigheden brengen mee, dat van het hiervoor onder 7.2 genoemde deel van het dossier (dat wil zeggen: Jade, Wasabi, anonieme brief aan de politie, Ni Hao, zaak Rotterdam, Lotus en de Chinese en Belgische faxen) de rechtmatigheid en betrouwbaarheid als bewijsmateriaal niet, althans onvoldoende, gecontroleerd kunnen worden en dat de rechten van de verdachte op dat punt onherstelbaar zijn beknot. Om die reden zal de rechtbank dat materiaal uitsluiten van het bewijs.

9.3 Voorzover het betreft het overige bewijsmateriaal ziet de rechtbank geen aanleiding tot bewijsuitsluiting; op een aantal specifieke onderdelen daarvan zal hierna nog worden ingegaan.

Dat materiaal is naar het oordeel van de rechtbank echter onvoldoende om het aan verdachte ter zake van feit 2 en feit 4 ten aanzien van de periode 1999-2000 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen te achten, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.

NIET BEWEZEN

Het op de vordering aanpassing tenlastelegging onder 2 (Opaal, zaak 1 Dover-transport) en onder 4, voor wat betreft de periode 1999-2000 (Opaal, zaaksdossier 10) ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

BEWEZEN

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het op de vordering aanpassing tenlastelegging onder 3 (Opaal, zaaksdossier 8) en onder 4, voor wat betreft de periode 2001-2002 (Opaal, zaaksdossier 10) ten laste gelegde heeft begaan op de wijze als vermeld in de hierna ingevoegde bijlage (bladzijden genummerd B.1 tot en met B.4), die van dit vonnis deel uitmaakt.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezen verklaarde tenlastelegging kennelijke verschrijvingen voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

BEWIJS

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de inhoud van wettige bewijsmiddelen.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist, in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

NADERE BEWIJSOVERWEGINGEN

1. onbetrouwbaarheid van de telefoontap als opsporingsmiddel

Namens verdachte heeft de raadsvrouw aangevoerd dat uit onderzoek van onder andere twee interceptie-deskundigen is gebleken dat de telefoontap als opsporingsmiddel een zodanige graad van onbetrouwbaarheid in zich draagt dat de resultaten daarvan, in verband met strijd met de beginselen van een behoorlijk strafproces in de zin van artikel 6 EVRM, dienen te worden uitgesloten van het bewijs. Zij verwijst ter ondersteuning van het betoog naar verklaringen van deze deskundigen in een andere zaak. Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat het Openbaar Ministerie welbewust gekozen heeft voor een gebrekkig opsporingsmiddel (de tap) waarvan de resultaten geen volledig correct beeld van de werkelijkheid geven. Daardoor is geen recht gedaan aan de beginselen van een behoorlijk proces en is artikel 6 EVRM geschonden.

De rechtbank verwerpt dit verweer.

Het tappen, opnemen en afluisteren van telefoonverkeer is een specifiek in het Wetboek van Strafvordering voorzien bijzonder opsporingsmiddel. Dat inzet van dit middel in het algemeen in strijd met artikel 6 EVRM zou zijn kan alleen al daarom niet juist zijn. Voor wat betreft de gebreken in deze zaak, waaraan de verdediging refereert, het volgende.

Door de verdediging is onvoldoende concreet aangegeven op grond waarvan in deze zaak de onbetrouwbaarheid van de telefoontap als opsporingsmiddel dient te worden aangenomen. De verklaringen waarnaar zij verwijst, zien niet op deze zaak en niet is vast te stellen of de technische installatie (tapkamer) en de daarmee samenhangende problemen en gebreken waarover deze deskundigen verklaren dezelfde zijn als de in deze zaak gebruikte. De vaststelling dat het technisch mogelijk is om telefoontaps te manipuleren - nog daargelaten dat de exacte reikwijdte van die mogelijkheid volstrekt onduidelijk is en dat daarbij kwade trouw voorondersteld wordt, waarvoor geen aanwijzingen bestaan - is onvoldoende om aannemelijk te achten dat dit ook (in de onderhavige strafzaak) is gebeurd.

2. kwaliteit van de vertalingen van de getapte gesprekken

Voorts heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de vertalingen van de tapgesprekken onbetrouwbaar zijn, nu onvoldoende is komen vast te staan dat bij de vertalingen van de tapgesprekken uit het Chinese dialect Fuzhou naar het Mandarijn Chinees en vervolgens naar het Nederlands gebruik is gemaakt van deskundige (keten)tolken. Er heeft bovendien geen enkele controle van de vertalingen kunnen plaatsvinden, aldus de raadsvrouw.

De rechtbank verwerpt dit verweer.

Vooropgesteld dient te worden dat aan de verdachte en haar raadsvrouw door de officier van justitie de gelegenheid is geboden de desbetreffende bandopnamen van de afgeluisterde tapgesprekken in het politiebureau te beluisteren. Ter terechtzitting is bovendien een belangrijk deel van de - door de rechtbank tot het bewijs te bezigen - Nederlandse vertalingen van de tapgesprekken uit het dossier integraal aan verdachte voorgehouden en in aanwezigheid van verdachte door de ter terechtzitting aanwezige beëdigde tolken van het Nederlands naar het Mandarijn vertaald. Naar aanleiding hiervan is door de verdediging ten aanzien van concrete gesprekken niet gemotiveerd aangegeven dat sprake is van vertaalfouten of dat de vertalingen meer in het algemeen een onjuiste weergave zouden zijn van de inhoud van de gevoerde gesprekken. Weliswaar kan in het algemeen niet worden uitgesloten dat door gebruik van ketentolken de betrouwbaarheid van de vertaling voor wat betreft de nuances enigszins kan verminderen, doch gelet op het vorenstaande gaat de rechtbank ervan uit dat geen relevante vertaalfouten zijn gemaakt. De rechtbank heeft de vertalingen dan ook, met inachtneming van de nodige voorzichtigheid, voor het bewijs gebruikt. De rechtbank is voorts van oordeel dat de verdediging voldoende mogelijkheden heeft gehad om de juistheid van de vertalingen te onderzoeken. Van een schending van het recht van verdachte op een eerlijk proces, zoals is neergelegd in artikel 6 EVRM, is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake. De rechtbank ziet geen grond voor bewijsuitsluiting.

3. stemherkenning

Daarnaast heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de stemherkenning door de tolken niet als bewijsmiddel kan worden aangemerkt, nu hierbij enerzijds sprake is van een mening van een tolk van wie onbekend is of deze als deskundige kan worden aangemerkt en het anderzijds technisch niet mogelijk is om aan de hand van GSM verkeer tot een stemherkenning te komen.

De rechtbank overweegt hieromtrent het navolgende:

Vooropgesteld dient te worden dat in het proces-verbaal van de terechtzitting d.d. 5 september 2002 in de onderhavige zaak is opgenomen dat de rechtbank (in een andere samenstelling) het verzoek van de verdediging strekkende tot het horen van de tolken heeft afgewezen, waarbij de rechtbank onder meer heeft overwogen dat de bewijswaarde van een stemherkenning door een tolk betrekkelijk gering is. De rechtbank heeft, in de huidige samenstelling, mede naar aanleiding van verzoeken van de verdediging, op 2 april 2003 alsnog beslist dat aanvullend proces-verbaal diende te worden opgemaakt over de vraag wat, met de wetenschap toentertijd, de precieze gang van zaken is geweest rond de totstandkoming van de stemherkenning, omdat op dat moment een algemene verantwoording daarvan in het dossier ontbrak en de rechtbank het in het kader van de waarheidsvinding van belang achtte zicht te krijgen op de precieze gang van zaken rond de stemherkenning. Dienaangaande is vervolgens door de officier van justitie een aanvullend proces-verbaal d.d. 25 april 2003 aan het dossier toegevoegd.

Naar het oordeel van de rechtbank is in voornoemd proces-verbaal wederom in onvoldoende mate de precieze gang van zaken rond de totstandkoming van de stemherkenning inzichtelijk gemaakt, zodat de betrouwbaarheid van de stemherkenning onvoldoende is komen vast te staan. De rechtbank heeft daarbij in haar overwegingen betrokken dat de stemherkenning kennelijk alleen heeft plaatsgevonden aan de hand van op band opgenomen GSM-gesprekken op het enkele, niet specifiek hiervoor getrainde, gehoor van de tolken. Voorts staat niet vast dat de tolken op het gebied van de stemherkenning bijzondere deskundigheid bezitten. Gelet hierop en op de geluidskwaliteit die gebruikelijk is te achten bij opgenomen GSM-gesprekken is de rechtbank van oordeel dat aan de stemherkenning geen zelfstandige bewijswaarde kan worden toegekend.

4. selectie c.q. samenvatting van de getapte gesprekken

Voorts heeft de raadsvrouw aangevoerd dat zich in het dossier niet de gehele vertalingen van de gevoerde tapgesprekken bevinden, doch dat in het dossier slechts sprake is van selecties en samenvattingen van tapgesprekken zodat deze niet op hun oorsprong en bewijswaarde kunnen worden getoetst. Deze samengevatte vertalingen van de getapte gesprekken dienen van het bewijs te worden uitgesloten, aldus de raadsvrouw.

De rechtbank overweegt hieromtrent het navolgende:

De rechtbank is gebleken dat bepaalde tapgesprekken zijn samengevat of gedeelten daarvan zijn geselecteerd zonder dat de gehele woordelijke weergave van de onderliggende gesprekken aan het dossier is toegevoegd. Het is derhalve naar het oordeel van de rechtbank niet mogelijk te beoordelen of een dergelijke samenvatting een correcte weergave betreft van het desbetreffende getapte gesprek. Enige toetsing hiervan door de rechtbank heeft niet kunnen plaatsvinden, zodat de betrouwbaarheid van de gemaakte samenvattingen onvoldoende is komen vast te staan. Om die reden kunnen dergelijke samenvattingen van tapgesprekken niet als bewijsmiddel in aanmerking komen. Bij selecties bestaat dat bezwaar niet, mits het geselecteerde deel integraal woordelijk is opgenomen.

5. Overzicht van de aangetroffen telefoonnummers op de overleden personen in Dover (telefoonlijst)

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de status en de inhoud van de telefoonlijst, die de basis zou vormen voor het gehele Opaal-onderzoek, niet meer kan worden vastgesteld en moet worden beschouwd als een stuk zonder juridische waarde. Naar de mening van de raadsvrouw is eveneens onduidelijk binnen welk internationaal juridisch kader deze lijst in Nederland terecht is gekomen. De raadsvrouw stelt dat deze lijst in ieder geval niet in het kader van enig rechtshulpverzoek (al of niet "open") of met enige toestemming van de Britse bevoegde autoriteiten voor gebruik in een Nederlandse strafzaak aan Nederland is overgedragen.

Dit verweer behoeft geen inhoudelijke bespreking bij gebrek aan belang.

De rechtbank is van oordeel dat, wat er ook zij van de herkomst van de "Engelse" telefoonlijst, in de aanvraag van de tapmachtiging voor wat betreft het telefoonnummer 06-22594219 voldoende andere gegevens vermeld staan - naast de verwijzing naar deze lijst - om de conclusie te rechtvaardigen dat er voldoende grond was voor de rechter-commissaris om een machtiging tot het afluisteren van telecommunicatie af te geven. De rechtbank overweegt voorts dat naar aanleiding van de informatie voortkomende uit deze tap een verdenking kon ontstaan jegens verdachte. In tegenstelling tot hetgeen de raadsvrouw heeft gesteld, heeft de rechter-commissaris derhalve naar het oordeel van de rechtbank terecht en op goede gronden tapmachtigingen ten behoeve van telefoonnummers van verdachte afgegeven.

6. wettelijke basis matchbestanden ZOA-team

Voorts is door de raadsvrouw aangevoerd dat de matchbestanden, zoals die bij het ZOA-team aanwezig waren, geen enkele wettelijke basis hadden en blijkbaar buiten enig gerechtelijk vooronderzoek om zijn ontstaan, waarna deze zijn gebruikt op politieniveau. Niet meer te ontrafelen is welk materiaal niet als oorsprong de match heeft, zodat tot algehele bewijsuitsluiting dient te worden gekomen, aldus de raadsvrouw.

De rechtbank overweegt dienaangaande dat [getuige 4], projectleider van het ZOA-team in de periode vanaf ongeveer januari 1997 tot april 2001, op 20 december 2002 als getuige bij de rechter-commissaris heeft verklaard, dat in de database van het ZOA-team operationele gegevens uit processen-verbaal van onderzoek werden ingebracht met toestemming van "de eigenaar", meestal de rechter-commissaris of officier van justitie. Daarnaast is het de rechtbank op basis van het dossier niet gebleken dat het ZOA-team, in weerwil van de verklaring van Van der Zee, met betrekking tot de aan het Opaal-team verstrekte gegevens, beschikte over gegevens die hadden moeten worden vernietigd, omdat sprake was van gegevens uit "oude" reeds afgesloten onderzoeken; evenmin is aannemelijk geworden dat het ZOA-team gegevens onrechtmatig verder heeft verspreid. Daarbij is van belang dat de door het ZOA-team aan het Opaal-team verstrekte gegevens voortkwamen uit lopende onderzoeken, waarbij de gerechtelijk vooronderzoeken nog niet waren gesloten. De rechtbank overweegt daarbij dat door de raadsvrouw onvoldoende feitelijk is onderbouwd op basis waarvan zou moeten worden aangenomen dat het ZOA-team de gegevens waarover zij beschikte onrechtmatig onder zich had. In het licht van hetgeen hiervoor is overwogen, ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding om aan te nemen dat het ZOA-team gegevens onder zich had die op grond van wettelijke regelgeving vernietigd hadden dienen te worden en daarmee in strijd met enige wettelijke regel zou hebben gehandeld, zodat het verweer verworpen wordt.

7. Ten aanzien van zaaksdossier 8

De verdenking aangaande het verblijf van illegale vreemdelingen in de Watergeusstraat 13 te Rotterdam is ontstaan op basis van afgeluisterde telefoongesprekken. Aan de gegevens, verkregen uit de telefoontap die met machtiging van de rechter-commissaris aanvankelijk jegens [medeverdachte] is afgegeven, kleven, zoals hiervoor reeds is overwogen, geen gebreken. Het onderzoek naar de mensensmokkelactiviteiten die verdachte thans verweten worden onder feit 3 is vervolgens, op basis van een "wegtipverbaal", geheel zelfstandig verricht door de politie Rotterdam. De door de verdediging aangevoerde bezwaren doen zich in dit deel van het onderzoek niet voor. Van het onderzoek naar zaaksdossier 8 is ook niet concreet betoogd dat daarbij onregelmatigheden zouden zijn voorgevallen.

Er is dan ook geen reden om de hiervoor, op andere onderdelen, getrokken conclusies door te laten werken naar dit zaaksdossier.

De rechtbank heeft gezien, dat in de aan de nadere omschrijving tenlastelegging gehechte bijlage II enige namen staan vermeld, waarvan de betrokkenen zelf later hebben gezegd dat deze vals zijn. De rechtbank begrijpt de tenlastelegging zo, dat is bedoeld de persoon die zich destijds zo noemde en heeft in overeenstemming daarmee bewezen verklaard.

STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

De bewezen feiten leveren op:

3.

een ander uit winstbejag behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van toegang tot en het verblijven in Nederland en hem daartoe uit winstbejag gelegenheid en middelen verschaffen, terwijl zij weet of ernstige redenen heeft om te vermoeden dat de toegang of dat verblijf wederrechtelijk is, terwijl het feit in vereniging wordt begaan door meerdere personen,

strafbaar gesteld bij artikel 197a, derde lid van het Wetboek van Strafrecht, in verbinding met artikel 197a, eerste lid van dat Wetboek, meermalen gepleegd;

4.

het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, terwijl zij leider is,

strafbaar gesteld bij artikel 140, derde lid van het Wetboek van Strafrecht, in verbinding met artikel 140, eerste lid van dat Wetboek.

De rechtbank overweegt dat de officier van justitie met de in de tenlastelegging onder 4 opgenomen passage "terwijl zij, verdachte, binnen een of meer van die (deel)organisatie(s) een leidinggevende rol heeft vervuld" kennelijk heeft beoogd ten laste te leggen de strafverzwarende omstandigheid als bedoeld in het derde lid van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn strafbaar.

STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is strafbaar.

MOTIVERING VAN DE STRAFFEN EN MAATREGEL

De straffen en maatregel die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte is in ieder geval in de periode van 2001 tot en met 2002 leider geweest van een gestructureerd crimineel samenwerkingsverband dat zich op professionele wijze in het bijzonder bezighield met mensensmokkel. Hierbij is bewerkstelligd dat een groot aantal Chinezen, tegen betaling van forse bedragen en soms onder erbarmelijke omstandigheden, geholpen werd wederrechtelijk Nederland binnen te komen. Voorts maakte de organisatie gebruik van zogenaamde "safehouses", waar de gesmokkelden, in minstens één huis onder mensonwaardige omstandigheden, werden ondergebracht en vastgehouden tot betaling van het transport had plaatsgevonden. Hierbij werd het gebruik van geweld niet geschuwd. De organisatie maakte zich voorts schuldig aan het voorhanden hebben van wapens en munitie en het ter beschikking stellen van vervalste documenten aan de gesmokkelden. Het onder 3 bewezen verklaarde feit is illustratief voor de misdrijven die de organisatie beoogde en uitvoerde.

Verdachte bediende zich van leden van de organisatie die (al dan niet in haar directe opdracht) zorg droegen voor - onder meer - betalingen, onderdak, vervoer, bewaking, paspoorten en (vlieg)tickets waardoor de organisatie in stand kon worden gehouden. Verdachte ontplooide hierbij voornamelijk op afstand de initiatieven waarnaar de andere deelnemers zich richtten en de risico's liepen. Zolang de zaken goed verliepen, bemoeide verdachte zich nauwelijks met de dagelijkse gang van zaken, maar bij problemen bleek haar stem doorslaggevend te zijn. Zij had binnen de organisatie de macht de uiteindelijke beslissingen te nemen en zij had het gezag waardoor anderen aan haar opdrachten gehoor gaven of wilden geven. Bovendien onderhield zij veelvuldig telefonisch contact met (andere) deelnemers aan de organisatie, met name de andere leidinggevende figuren onder hen.

Verdachte en haar mededaders hebben met deze mensensmokkel het beleid van de Nederlandse overheid met betrekking tot illegaal verblijf ondermijnd. De nog betrekkelijk recente strafbaarstelling van mensensmokkel en de latere verhoging van het strafmaximum zijn ingegeven door de wens een adequaat vreemdelingenbeleid te kunnen voeren in Schengen- verband. Slechts degenen die niet uit ideële overwegingen, maar uit winstbejag - kort gezegd - anderen helpen Schengen-landen binnen te komen en daar te blijven zijn strafbaar.

Bij mensensmokkel worden mensen die, om wat voor reden ook, hun land willen verlaten, op illegale wijze naar een veelal westers land getransporteerd. Hoewel op zichzelf mensensmokkel uitgevoerd kan worden als een transactie tot wederzijds voordeel waarbij, zij het op illegale wijze, de gesmokkelde de dienst wordt aangeboden die hij wenst te ontvangen tegen een redelijk tarief en onder behoorlijke omstandigheden, was dat in dit geval anders. De reis van veel van de gesmokkelden was onaangenaam en erg lang waarbij trajecten te voet werden afgelegd of periodes in wagens verstopt onder de lading of in dozen werden doorgebracht. In sommige gevallen liet de voeding ook te wensen over. In het safe-house aan de Watergeusstraat werd het de gesmokkelden verboden naar buiten te gaan of geluid te maken. Zij werden - ook zonder reden - geschopt. Voor het telefoneren naar China, met het oog op de betaling van de reis, werden woekerprijzen gevraagd. Dat maakt deze zaak tot een zeer ernstige. Verdachte heeft gehandeld om daarmee zelf inkomen te verwerven. Aldus is door haar uit winstbejag gehandeld. Het handelen uit winstbejag vergroot het risico dat de belangen van de illegale vreemdelingen -in het bijzonder dat van een menswaardige behandeling- ondergeschikt worden gemaakt aan het behalen van winst, zoals in dit geval kennelijk ook gebeurd is.

Georganiseerde criminaliteit als vooromschreven vormt een bedreiging voor de Nederlandse samenleving. Die bedreiging is met name gelegen in de macht die een criminele organisatie uitoefent over haar leden en over delen van de samenleving.

Dit zijn ernstige feiten waarop naar het oordeel van de rechtbank in beginsel niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van geruime duur.

Bij het bepalen van de strafmaat houdt de rechtbank in het voordeel van de verdachte rekening met de omstandigheid dat verdachte blijkens een op haar betrekking hebbend uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister d.d. 28 mei 2002 niet eerder ter zake van soortgelijke delicten is veroordeeld.

De rechtbank gaat er vanuit dat verdachte zich heeft laten leiden door haar winstoogmerk. In de aard van de delicten en de kennelijke achtergrond - winstbejag - ziet de rechtbank, kennelijk anders dan de officier van justitie, mede uit overwegingen van generale preventie, de noodzaak om, naast een vrijheidsstraf juist ook een financiële sanctie toe te passen. Daarbij is, voorzover mogelijk, rekening gehouden met haar draagkracht. Het zicht dat verdachte heeft gegeven op haar financiële omstandigheden is echter beperkt.

Alles afwegend acht de rechtbank na te noemen straffen passend en geboden.

De rechtbank zal voorts de hierna te bespreken bijkomende maatregel van onttrekking aan het verkeer opleggen.

IN BESLAG GENOMEN VOORWERPEN

De rechtbank zal alleen een beslissing nemen ten aanzien van de op [adres] inbeslaggenomen voorwerpen nu verdachte op dit adres is aangehouden en deze voorwerpen derhalve als onder haar beslaggenomen kunnen worden aangemerkt, hetgeen met betrekking tot de overige inbeslaggenomen voorwerpen niet geldt.

De in beslag genomen voorwerpen, te weten:

H.04.01.04.001 Medicijnen/pillen,

H.04.03.01 Verm. XTC-pillen,

H.04.06.02.003 Pillen,

worden onttrokken aan het verkeer. Hoewel de rechtbank ten aanzien van de chemische samenstelling van deze pillen geen laboratoriumrapport heeft aangetroffen in het dossier moet worden aangenomen dat het hier pillen betreft die of vallen onder het bereik van de Opiumwet, zodat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd met de wet is, of daarmee een zodanige gelijkenis vertonen dat het ongecontroleerde bezit in strijd met het algemeen belang is.

Ten aanzien van de in beslag genomen voorwerpen, te weten:

H.01.02.01 Briefjes/papiertjes

H.01.03.01 Pasfoto's en telefoonklapper

H.01.03.01.002 Paspoort N37836101 NL (ongeldig) tnv [n[naam verdachte]dachte] [geboortedatum]

H.01.04.02 Rekeningen

H.01.04.03 Fototoestel met filmrolletje

H.01.04.06 Telefoonkaart zonder SIMkaart

H.02.02.01.001 9 pagina's Voetbalgoklijsten (inhoud zwarte Delsey tas)

H.04.01.03.002 Handgeschreven kladjes met tel.nrs

H.04.02.01.001 Handgeschreven briefjes met tel.nrs en adressen

H.04.02.01.002 RABObankpas tnv [naam verdachte]. rek.nr: 31.16.30.560

H.04.04.04 Hi Prepaidpakket, kwitantie liefdadigheid

H.04.04.04.001 APS filmrolletje, vol, ontwikkelen

H.04.04.05 Inhoud 3e lade: Gebruiksaanwijzing klokradio. Achterkant staan handgeschreven telefoonnummers

H.04.04.05.001 Telefoonklapper

H.04.05.01 Adresboekje, met telefoonnummers, briefje met telefoonnummers

H.04.06.02.004 Handgeschreven tel.nrs, o.a. nr. in China

H.04.06.02.005 Douglas card

H.06.02.02 Acgiro Eneco energie, met [adres] Rotterdam (oktober 2000)

H.06.02.03 Notitieboekje met telefoonnummers en Chinese tekens

P.05.01.02 Briefje met telefoonnummers

W.01.02 Avis huurcontract 07-09/08/2000 Ford Fiesta 67-FR-NR S.L. HO,

alsmede ten aanzien van het op de lijst van in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen genummerd C.5 vermelde geldbedrag, te weten:

1. Geld Nederlands euro 1779.21,

wordt de teruggave aan verdachte gelast, zijnde deze degene bij wie deze voorwerpen in beslag zijn genomen en die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

Het beslag op de in beslag genomen voorwerpen, te weten:

P.04.05.01.001 2 getoonde foto's

blijft gehandhaafd, nu deze stukken vermoedelijk deel uitmaken van het dossier.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De op te leggen straffen en maatregel zijn behalve op de reeds genoemde artikelen gegrond op de artikelen 23, 24, 24c, 36b, 36d en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging voor zover het betreft de op de vordering aanpassing tenlastelegging onder 1 (Jade-dossier) en onder 4, voor wat betreft de periode 1997-1998 (Opaal, zaaksdossier 10) ten laste gelegde feiten;

- verklaart de officier van justitie voor het overige ontvankelijk in de vervolging;

- verklaart niet bewezen, dat de verdachte de op de vordering aanpassing tenlastelegging onder 2 (Opaal, zaak 1 Dover-transport), en onder 4, voor wat betreft de periode 1999-2000, (Opaal, zaaksdossier 10) ten laste gelegde feiten, heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

- verklaart bewezen, dat de verdachte de op de vordering aanpassing tenlastelegging onder 3 (Opaal, zaaksdossier 8) en onder 4, voor wat betreft de periode 2001-2002 (Opaal, zaaksdossier 10) ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

- stelt vast dat het onder 3 (Opaal, zaaksdossier 8) en onder 4, voor wat betreft de periode 2001-2002 (Opaal, zaaksdossier 10) bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

- verklaart de verdachte terzake strafbaar;

- veroordeelt de verdachte terzake van de onder 3 (Opaal, zaaksdossier 8) en onder 4, voor wat betreft de periode 2001-2002 (Opaal, zaaksdossier 10) bewezen verklaarde feiten tot een gevangenisstraf voor de tijd van DRIE (3) JAREN;

- alsmede tot een geldboete van € 12.000.- (zegge: TWAALFDUIZEND EURO), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door honderd dagen hechtenis;

- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

- beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:

- verklaart onttrokken aan het verkeer de voorwerpen aangeduid met de nummers H.04.01.04.001, H.04.03.01 en H.04.06.02.003;

- gelast de teruggave aan de verdachte van de voorwerpen aangeduid met de nummers H.01.02.01, H.01.03.01, H.01.03.01.002, H.01.04.02, H.01.04.03, H.01.04.06, H.02.02.01.001, H.04.01.03.002, H.04.02.01.001, H.04.02.01.002, H.04.04.04, H.04.04.04.001, H.04.04.05, H.04.04.05.001, H.04.05.01, H.04.06.02.004, H.04.06.02.005, H.06.02.02, H.06.02.03, P.05.01.02, W.01.02 en 1.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Hofmeijer-Rutten, voorzitter,

en mrs. Franken en Nijssen, rechters,

in tegenwoordigheid van mrs. Hamburger en Van Zetten, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 juni 2003.