Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2003:AF9441

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-04-2003
Datum publicatie
19-08-2003
Zaaknummer
03/1112 VWRO + 03/1113 WRO (hoofdzaak)
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 juni 2002 heeft verweerder vergunninghoudster, onder verlening van vrijstelling van het bestemmingsplan "Westplaat" op grond van artikel 19, eerste lid, van de Wet op Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) en met toepassing van artikel 51, derde lid, van de Woningwet onder voorwaarden bouwvergunningen verleend voor het oprichten van 23 woningen, een supermarkt en winkelpanden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE ROTTERDAM

Voorzieningenrechter

Reg.nrs.: VWRO 03/1112-NAV

WRO 03/1113-NAV (hoofdzaak)

Uitspraak

naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht, tevens uitspraak in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het geding tussen

[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker, tevens eiser (hierna: verzoeker)

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Middelharnis, verweerder,

met als derde-partijen:

v.o.f. [vergunninghoudster], vergunninghoudster,

en

Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland (hierna: GS).

1. Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 18 juni 2002 heeft verweerder vergunninghoudster, onder verlening van vrijstelling van het bestemmingsplan "Westplaat" op grond van artikel 19, eerste lid, van de Wet op Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) en met toepassing van artikel 51, derde lid, van de Woningwet onder voorwaarden bouwvergunningen verleend voor het oprichten van 23 woningen, een supermarkt en winkelpanden op een perceel aan de [adres] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Middelharnis, sectie […], nummers [kadasternrs].

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 11 juli 2002 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 1 april 2003 heeft verweerder het bezwaar, onder terugname van de in vrijstellingsbeschikking opgenomen verwijzing naar artikel 51, derde lid van de Woningwet, ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) is door verzoeker bij brief van 7 april 2003 beroep ingesteld.

Voorts heeft verzoeker bij brief van 7 april 2003 verzocht ter zake een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 april 2003. Verzoeker is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.P. Cornelissen, advocaat te Middelharnis. Vergunninghoudster is vertegenwoordigd door mr. G.J.M. Cartigny, advocaat te Rotterdam, bijgestaan door B. Roos. Namens GS is niemand verschenen.

2. Overwegingen

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien het verzoek om voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, hij onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval de feiten en omstandigheden geen nader onderzoek vergen, zodat geen beletsel bestaat voor toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb.

Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Westplaat" rust op de betreffende percelen de bestemming: "Uit te werken centrumvoorzieningen" en "Uit te werken verkeersdoeleinden".

Teneinde realisering van de bouwplannen niettemin mogelijk te maken, heeft verweerder bij besluit van 18 juni 2002 bouwvergunning en vrijstelling verleend met toepassing artikel 19, eerste lid van de WRO en 51, derde lid, van de Woningwet.

Bij het bestreden besluit is het primaire besluit gehandhaafd met dien verstande dat de in de vrijstellingsbeschikking opgenomen verwijzing naar artikel 51, derde lid, van de Woningwet is teruggenomen. Verweerder stelt zich thans op het standpunt dat voor het bouwplan geen aanhoudingsplicht ingevolge artikel 51 Woningwet geldt.

Verzoeker heeft - zakelijk weergegeven - in bezwaar aangevoerd dat:

- zijn woongenot wordt aangetast en schade aan zijn woning zal ontstaan door een toename van het (bouw-)verkeer;

- er parkeeroverlast zal ontstaan;

- de bebouwing niet past in de omgeving;

- de dijk wordt doorsneden, hetgeen ongewenst is.

In zijn beroepschrift heeft verzoeker voorts aangegeven dat verweerder er aan voorbij gaat dat er wordt gebouwd in een beschermd stads- en dorpsgezicht en de molenbiotoop negeert. Voorts heeft hij in beroep aangevoerd dat er strijd is met de nota Belvedère en de nota Planbeoordeling van de provincie Zuid-Holland.

Vergunninghoudster heeft aangevoerd dat de eerst in beroep door verzoeker ingediende gronden tardief zijn. Voorts is vergunninghoudster van opvatting dat er geen sprake is van een aanhoudingssituatie als bedoeld in artikel 51 van de Woningwet alsmede dat de bezwaren van verzoeker ongegrond zijn.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Allereerst is de voorzieningenrechter van oordeel dat, daarbij in aanmerking nemende dat verzoeker in bezwaar reeds heeft aangegeven dat het bouwplan niet past in het oude (als beschermd stads- en dorpsgezicht aangewezen) gedeelte van het dorp, hetgeen verzoeker in beroep heeft gesteld niet tardief is.

Voorts is de voorzieningenrechter van oordeel dat de voorzieningenrechter blijkens het bepaalde in artikel 8:69, tweede lid van de Awb, de rechtsgronden aanvult, zodat met name betreffende de al dan niet toepasselijkheid van artikel 51 Woningwet ambtshalve een oordeel gevormd dient te worden.

Ingevolge artikel 46, eerste lid, van de Woningwet beslissen burgemeester en wethouders omtrent een aanvraag om bouwvergunning binnen dertien weken na de dag waarop zij de aanvraag hebben ontvangen.

Ingevolge artikel 51, eerste lid, van de Woningwet houden burgemeester en wethouders, in afwijking van artikel 46, eerste lid van de Woningwet een beslissing omtrent een aanvraag om bouwvergunning eveneens aan indien er geen grond is om de vergunning te weigeren en de aanvraag een bouwwerk betreft, behorend tot een beschermd stads- of dorpsgezicht in de zin van de Monumentenwet 1988, waarvoor nog geen ter bescherming daarvan strekkend bestemmingsplan geldt.

Anders dan verweerder en vergunninghoudster is de voorzieningenrechter van oordeel dat in het onderhavige geval een aanhoudingsplicht ingevolge artikel 51, eerste lid, van de Woningwet geldt. Daartoe heeft hij overwogen dat verweerder door ten behoeve van het onderhavige bouwplan vrijstelling ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO te verlenen de strijd met het vigerende bestemmingsplan Westplaat heeft opgeheven.

Het bouwplan is voorzien in een gebied waarvoor sinds 18 mei 2000 een aanwijzing als beschermd stadsgezicht krachtens artikel 35 van de Monumentenwet 1988 geldt. De gemeenteraad is ingevolge artikel 36, eerste lid, van deze wet verplicht een bestemmingsplan vast te stellen ter bescherming van een beschermd stadsgezicht. Zoals reeds eerder vermeld geldt ter plaatse het bestemmingsplan 'Westplaat'. Dit is geen ter bescherming van het beschermd stadsgezicht strekkend bestemmingsplan.

De voorzieningenrechter heeft vervolgens nog bezien, ondanks dat verweerder bij het bestreden besluit de toepassing van artikel 51, derde lid, van de Woningwet heeft teruggenomen, of de aanhoudingsplicht in dit geval doorbroken had kunnen worden.

In het derde lid van artikel 51 van de Woningwet is bepaald dat onverminderd artikel 50, vierde en vijfde lid, burgemeester en wethouders in afwijking van het eerste lid, de bouwvergunning kunnen verlenen indien het bouwplan niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde, ter bescherming van het beschermde stads- of dorpsgezicht strekkende bestemmingsplan en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen dat zij tegen het verlenen van de vergunning geen bezwaar hebben.

Gedeputeerde staten van Zuid-Holland hebben op 21 februari 2002 een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 51, derde lid, van de Woningwet afgegeven.

Ter zitting is van de zijde van verweerder verklaard dat nog geen bestemmingsplan ter bescherming van het beschermde stadsgezicht is vastgesteld. Namens verweerder is desgevraagd wel aangegeven dat een nieuw bestemmingsplan in ambtelijke voorbereiding is. Op 3 april 2003 heeft de raad van de gemeente Middelharnis ingestemd met een ambtelijke Nota van Uitgangspunten. Thans wordt - ingevolge een notitie van verweerder van 21 januari 2003 - de volgende fase om te komen tot een voor het stads- en dorpsgezicht beschermend bestemmingsplan ter hand genomen, te weten het vervaardigen van een voorontwerp bestemmingsplan.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de aanhoudingsplicht in artikel 51 van de Woningwet bedoeld om in een beschermd stads- of dorpsgezicht ongewenste ontwikkelingen tussen (het bekend worden van) de aanwijzing en het in werking treden van een beschermend bestemmingsplan tegen te gaan. Duidelijk is dat het gaat om een strenge beschermingsregeling ten behoeve van het stads- of dorpsgezicht. In dat verband kan er op worden gewezen dat, behoudens doorbreking van de aanhouding, die aanhoudingsplicht pas eindigt bij het onherroepelijk worden van het beschermende bestemmingsplan.

De voorzieningenrechter overweegt, dat wil het vereiste in artikel 51, derde lid, van de Woningwet dat het bouwplan in overeenstemming is met het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan enige betekenis hebben, het onvoldoende is dat slechts wordt medegedeeld dat het vervaardigen van een voorontwerp bestemmingsplan thans ter hand is genomen. De voorzieningenrechter acht dit onverenigbaar met het strenge karakter van voornoemde beschermingsregeling.

Nu zelfs nog geen ontwerp-bestemmingsplan met het specifieke doel het stadsgezicht te beschermen is vastgesteld - hoewel sinds 18 mei 2000 een plicht daartoe op de gemeenteraad rust - kan niet worden vastgesteld of bij de beoordeling van de bouwaanvraag de relevante belangen van dit stadsgezicht zijn meegewogen.

Aangezien - gelet op het vorenstaande - niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 51, derde lid, van de Woningwet, diende verweerder op grond van het eerste lid van dit artikel de beslissing omtrent de aanvraag om bouwvergunning aan te houden.

Nu verweerder de bouwvergunning toch heeft verleend, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder in strijd met artikel 51 van de Woningwet heeft gehandeld.

Het beroep van verzoeker is mitsdien om die reden gegrond.

De overige door verzoeker ingediende bezwaren behoeven gelet hierop geen bespreking meer.

Voor het treffen van een voorlopige voorziening, als aangegeven in het dictum van deze uitspraak, bestaat dan ook aanleiding.

De voorzieningenrechter is niet gebleken van kosten waarop een veroordeling in de proceskosten betrekking kan hebben. Voor een dergelijke veroordeling bestaat daarom geen aanleiding.

Gelet op het voorgaande wordt als volgt beslist.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter,

recht doende:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt het bestreden besluit,

bepaalt dat verweerder een nieuwe beslissing op het bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak,

wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe in die zin dat het besluit in primo van 18 juni 2002 wordt geschorst tot en met zes weken na de bekendmaking van de nieuwe beslissing op het bezwaar van verzoeker,

bepaalt dat de gemeente Middelharnis aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht van € 232,00 (2x

€ 116,00) vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.C. Naves.

De beslissing is, in tegenwoordigheid van mr. S.B.H. Fijneman als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 april 2003.

De griffier: De voorzieningenrechter:

Afschrift verzonden op:

Een belanghebbende - waaronder in elk geval verzoeker wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak, voorzover betrekking hebbende op de hoofdzaak, hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.