Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2003:AF7942

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-04-2003
Datum publicatie
29-04-2003
Zaaknummer
162732/ HA ZA 01-2287
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

R E C H T B A N K R O T T E R D A M

sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 162732/ HA ZA 01-2287

Uitspraak: 16 april 2003

VONNIS van de meervoudige kamer in de zaak van:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

ERASMUS MEDISCH CENTRUM (voorheen ACADEMISCH ZIEKENHUIS ROTTERDAM),

gevestigd te Rotterdam,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

procureur en advocaat mr. B.P.H. Leijnse,

- tegen -

[naam],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

procureur en advocaat mr. P.T.M. de Haan.

Partijen worden hierna aangeduid als "AZR" respectievelijk [gedaagde c.q. eiseres]

1. Het verloop van het geding

1.1

De rechtbank heeft kennis genomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 16 augustus 2001;

- conclusie van eis in conventie, met producties;

- conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie, met producties;

- conclusie van repliek in conventie, tevens conclusie van antwoord in reconventie;

- conclusie van dupliek in conventie, tevens conclusie van repliek in reconventie;

- conclusie van dupliek in reconventie;

- brief van mr. De Haan d.d. 11 september 2002, met productie;

- de bij gelegenheid van de pleidooien overgelegde pleitnotities.

2. De vaststaande feiten in conventie en in reconventie

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voorzover van belang - het volgende vast:

2.1 Vanaf 1982 heeft de Stichting Menselijke Voortplanting (SMV) donorinseminatie (KID)-behandelactiviteiten verricht. Per 1 juli 1996 zijn alle activiteiten van SMV ondergebracht bij AZR.

2.2 [gedaagde] heeft zich tezamen met haar partner op 6 januari 1997 gewend tot de afdeling Gynaecologie van AZR met het oog op het ondergaan van een KID-behandeling. Die behandeling is uitgevoerd door [naam], destijds gynaecoloog in dienst van AZR. De behandeling is aangevangen in februari 1997 en heeft er toe geleid dat [gedaagde] zwanger is geraakt en op 5 november 1997 is bevallen van een dochter.

2.3 Bij gelegenheid van de in januari 1997 gehouden bespreking hebben [gedaagde] en haar partner kenbaar gemaakt in de toekomst nog een tweede kind te willen met gebruikmaking van het zaad van dezelfde donor. AZR heeft hun, bij monde van [naam gynaecoloog], medegedeeld dat dit mogelijk was mits die tweede KID-behandeling binnen drie jaar zou worden gestart en er dan geen wettelijke beletselen zouden zijn voor het gebruik van het betreffende zaad.

2.4 In november 1998 is de tweede KID-behandeling gestart en daarbij is gebruik gemaakt van het zaad van dezelfde donor als bij de eerste behandeling. Inseminaties hebben plaatsgevonden op 4 en 6 november 1998, op 11 en 13 februari 1999 en op 12 en 15 maart 1999.

2.5 Bij een rondschrijven van 20 april 1999 heeft AZR aan betrokkenen, waaronder [gedaagde], medegedeeld dat recent is besloten om het programma van KID geheel stop te zetten. [gedaagde] en haar partner hebben bezwaar gemaakt tegen die stopzetting. Vanwege die bezwaren heeft AZR ingestemd met nog laatste inseminaties op 14 en 17 mei 1999. Ook deze laatste inseminaties hebben niet tot een zwangerschap geleid.

2.6 Tussen partijen is vervolgens uitvoerig gecorrespondeerd.

2.7 Op 11 mei 1999 heeft AZR de commissie Cryopreservatie Rotterdam, bestaande uit prof. dr. J.L.H. Evers, hoogleraar Gynaecologie te Maastricht, prof. dr. E.R. te Velde, hoogleraar Gynaecologie te Utrecht, prof. dr. H.A. Verbrugh, hoogleraar Medische Microbiologie te Rotterdam, en dr. S.M. Weima, Embryoloog te Utrecht, gevraagd een oordeel te vormen over alle aspecten van het donorinseminatieprogramma en de cryogene opslag van donorzaad en zaad van patiënten met een oncologische aandoening. Deze commissie (hierna: de Commissie-Evers) heeft AZR in haar rapport van 15 februari 2000 geadviseerd:

Overwegende dat de kwaliteitsborging van het cryopreservatie/inseminatie programma van heteroloog zaad zoals tot 1997 verzameld in respectievelijk SMV en AZR niet te toetsen is, en

overwegende dat het risico met betrekking tot de cryopreservatie/inseminatie van homoloog zaad van een heel andere orde is (namelijk met name berustend op eventuele [theoretische] kruiscontaminatie in het bewaarvat) c.q. heel andere consequenties heeft (namelijk ten gevolge van terugplaatsing enkel bij het paar van de mannelijke partner waarvan het zaad afkomstig is),

adviseert de commissie:

1. Het cryopreservatie/inseminatie programma van heteroloog zaad te staken en de voorraad te vernietigen.

2. Het cryopreservatie/inseminatie programma van homoloog zaad vooralsnog in stand te houden, de gevolgen van eventuele kruiscontaminatie te bestrijden door gerichte maatregelen, om - na goede uitleg en verkregen toestemming - eventueel alsnog over te gaan tot het gebruik van dit zaad bij het paar waar het van afkomstig is.

2.8 Op 15 maart 2001 heeft tussen partijen een bespreking plaatsgevonden. Tijdens die bespreking is afgesproken dat [naam], medisch directeur van de Stichting Medisch Centrum voor Geboorteregeling (hierna: SMCG) te Leiden contact op zou nemen met dr. [naam gynaecoloog] om zijn bereidheid te peilen om mee te werken aan het op basis van zijn administratie traceren van het desbetreffende donorzaad om dit vervolgens over te dragen aan [medisch directeur] van de SMCG. Een en ander zou geschieden op voorwaarde dat AZR en de daarbij betrokken artsen zouden worden gevrijwaard van iedere aanspraak zijdens [gedaagde] en haar partner en derden. Bij brief van 5 juni 2001 heeft (het hoofd afdeling Juridische Zaken van) AZR de raadsman van [gedaagde] medegedeeld dat als gevolg van nieuwe rechtsontwikkelingen AZR noch de betrokken artsen geheel gevrijwaard kunnen worden van toekomstige "wrongful life"-vorderingen en dat op grond van dit voortschrijdend (juridisch) inzicht, gevoegd bij de eerder door de betrokken artsen geuite medische bezwaren en veiligheidsrisico's AZR na ampele (her)overwegingen heeft geconcludeerd dat het KID-programma in zijn geheel gestopt moet worden en dat voor niemand, ook niet voor [gedaagde] en haar partner, een uitzondering gemaakt kan en mag worden.

2.9 Tussen [gedaagde] als eiseres en AZR als gedaagde is een tweetal kort geding procedures aanhangig geweest bij deze rechtbank. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling van het eerste kort geding op 11 mei 2000 is afgesproken dat de zaak voor onbepaalde tijd zou worden aangehouden vanwege de van de zijde van het AZR nog nader in te stellen onderzoeken aangaande de van de zijde van AZR gestelde veiligheidsrisico's en onmogelijkheid om het betreffende donorzaad te traceren. Deze procedure is per 4 december 2000 geroyeerd. In de tweede kort geding procedure heeft de President bij vonnis van 17 augustus 2001 AZR bevolen het gewenste donorzaad en de daarbij behorende administratieve bescheiden af te geven aan [medisch directeur] voornoemd. In hoger beroep heeft het Hof Den Haag bij arrest van 1 mei 2002 dit vonnis bekrachtigd.

2.10 Op 5 september 2001 heeft overdracht door AZR van 24 door [naam gynaecoloog] aangewezen rietjes met donorzaad en de daarbij behorende administratieve bescheiden aan SMCG plaatsgevonden.

2.11 Tijdens de pleidooien in de onderhavige zaak heeft [gedaagde] desgevraagd verklaard dat zij AZR tevens zal vrijwaren indien AZR door het toekomstige kind aansprakelijk zou worden gesteld.

3. De vordering in conventie

De vordering luidt - verkort weergegeven - om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

a. te verklaren voor recht dat het gebruik van donorzaad uit het Depot voor KID-behandeling naar de huidige maatstaven van de medische wetenschap niet verantwoord c.q. onzorgvuldig is;

b. te verklaren voor recht dat AZR niet gehouden is [gedaagde] geneeskundig te (doen) behandelen met gebruikmaking van donorzaad uit het door AZR gehouden Depot;

c. te verklaren voor recht dat AZR niet gehouden is het door [gedaagde] gewenste donorzaad uit het door AZR gehouden Depot aan [gedaagde] of een door haar aangewezen persoon ter beschikking te stellen;

d. te verklaren voor recht dat AZR jegens [gedaagde] niet onrechtmatig handelt door het Depot te vernietigen;

(primair) omdat gebruik van donorzaad uit het Depot voor KID-behandeling, naar de huidige maatstaven van de medische wetenschap, niet verantwoord c.q. onzorgvuldig is;

(subsidiair) op het moment waarop de Wet Donorgegevens Kunstmatige Bevruchting (nr.23207) in werking treedt, althans op het moment waarop AZR gehouden is aan de Stichting Donorgegevens Kunstmatige Bevruchting donorgegevens ter beschikking te stellen;

e. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft AZR aan de vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

3.1

AZR acht terbeschikkingstelling van het donorzaad aan [gedaagde] medisch onverantwoord c.q. onzorgvuldig.

De identiteit van de donor staat niet vast en kan ook niet meer worden achterhaald. Hierdoor is geen onderzoek mogelijk naar eventuele erfelijke afwijkingen. Het is onmogelijk de leeftijd van het zaad vast te stellen. Evenmin is het mogelijk het aantal inseminaties per donor vast te stellen of vast te stellen welke serologische tests op besmetting met bacteriën en virussen in het verleden zijn uitgevoerd. Ook het risico van besmetting onderling binnen het bewaarvat (zgn. kruiscontaminaties) kan niet worden uitgesloten. Een administratief systeem dat geheel afhankelijk is van de medewerking van één persoon, i.c. [naam gynaecoloog], heeft een intrinsiek gebrek. Het arbeidsconflict tussen AZR en [naam gynaecoloog] vond nu juist zijn aanleiding in diens eigenzinnige optreden en het door hem zelf gecreëerde organisatorisch isolement. In deze omstandigheden kan en mag AZR niet afgaan op louter de mededelingen van [naam gynaecoloog]. Het medische oordeel van AZR kan door de rechter slechts marginaal getoetst worden.

3.2

Onder de toekomstige wetgeving kan de anonimiteit van donoren niet langer worden gegarandeerd. Nu in casu aan de donor anonimiteit is toegezegd, kan diens zaad niet langer worden gebruikt.

3.3

AZR stelt zich door het donorzaad ter beschikking te stellen bloot aan het risico van aanzienlijke schadeclaims. AZR kan zijn aansprakelijkheid als hulpverlener (artikel 7:463 BW) niet uitsluiten. Evenmin kan aansprakelijkheid jegens het toekomstige kind uitgesloten worden.

3.4

De behandeling van [gedaagde] door [naam gynaecoloog] betreft een geneeskundige behandeling. Aangezien [naam gynaecoloog] in dienst was van AZR, is de behandelingsovereenkomst tot stand gekomen tussen [gedaagde] en AZR. Het betrof een KID-behandeling. Elke KID-behandeling omvat een cyclus van ten hoogste 12 maanmaanden. Gelet op artikel 7: 453 BW was het ziekenhuis gerechtigd de behandeling op medische gronden te beëindigen. Nu het ziekenhuis de behandeling heeft beëindigd, is er geen behandelingsovereenkomst meer waarvan [gedaagde] nakoming kan vorderen.

3.5

AZR wenst om redenen van medische zorgvuldigheid het depot voor KID-behandeling te vernietigen. Vernietiging zal in elk geval moeten plaatsvinden op het moment waarop de Wet Donorgegevens Kunstmatige Bevruchting (wetsvoorstel nr. 23207) in werking treedt.

4. Het verweer in conventie

De conclusie van [gedaagde] strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van AZR in de kosten van het geding.

[gedaagde] heeft daartoe het volgende aangevoerd:

4.1

Noch aan [gedaagde] noch aan haar partner is zijdens AZR kenbaar gemaakt dat de tweede KID-behandeling beperkt was tot 12 cycli. Integendeel, hun is medegedeeld dat indien de bevruchting te lang zou uitblijven, ook gekozen zou kunnen worden voor een IVF-behandeling met zaad van dezelfde donor. Behandelingen gedurende meer dan 12 cycli kwamen bij AZR ook in de praktijk vaker voor.

4.2

Het is [gedaagde] bekend dat door AZR na april 1999 nog meer behandelingen hebben plaatsgevonden met zaad uit hetzelfde KID-programma. Voorts is haar bekend dat het IVF-laboratorium van het Diaconessen Ziekenhuis te Voorburg een grote voorraad donorsperma uit het AZR-depot in beheer heeft, welke voorraad, voor zover zij weet, nog steeds gebruikt wordt.

4.3

De door AZR aangevoerde bezwaren tegen afgifte van het zaad, vormen geen van alle een gewichtige reden welke opzegging van de behandelingsovereenkomst zou kunnen rechtvaardigen. Het advies van de Commissie-Evers het programma te staken is niet gebaseerd op inhoudelijke twijfels omtrent de kwaliteit van het zaad. Ook de Inspectie voor de Gezondheidszorg heeft in haar brief van juni 2000 geen oordeel gegeven over de mogelijkheid in individuele gevallen de behandeling voort te zetten. [naam gynaecoloog] heeft de door hem gevolgde procedure beschreven en aangegeven volgens de CBO-normen ten aanzien van donorwerving, donorselectie, donor follow-up en donorregistratie te hebben gewerkt. Er is geen enkele reden om de integriteit van [naam gynaecoloog] in twijfel te trekken en dat heeft de Commissie-Evers ook niet gedaan. Aan de hand van de zich bij [naam gynaecoloog] bevindende schaduwdossiers kan de donorcode worden gevonden, terwijl aan de hand van de bij [naam gynaecoloog] bekende naam van de donor in combinatie met de donorcode de screeningsgegevens en testgegevens in de administratie kunnen worden teruggevonden.

4.4

SMCG is bereid het donorzaad in ontvangst te nemen en de behandeling onder haar verantwoordelijkheid uit te voeren. De desbetreffende arts zal uiteindelijk zelfstandig nog een beoordeling maken of zulks medisch verantwoord is alvorens tot daadwerkelijke behandeling over te gaan.

4.5

[naam gynaecoloog] kan het donorzaad identificeren. Hij heeft zijn medewerking bij voorbaat aangeboden.

4.6

Het wetsvoorstel nr. 23207 is nog geen geldend recht en het ziet er niet naar uit dat het op korte termijn geldend recht zal worden. Overigens garanderen de overgangsbepalingen de anonimiteit van de donor die dat wenst. Deze kwestie regardeert bovendien AZR niet, nu het de verantwoordelijkheid van [naam gynaecoloog] is, gelet op de door hem met de donoren gemaakte afspraken, te beslissen of hij de desbetreffende gegevens zal verstrekken aan de stichting bedoeld in het wetsvoorstel.

4.7

AZR hoeft geen vordering wegens "wrongful life" te vrezen, nu immers afgifte plaatsvindt aan een erkend instituut dat, naar valt aan te nemen, de behandeling - daaronder begrepen de beoordeling van de kwaliteit van het donorzaad- op verantwoorde wijze en naar de huidige medische standaard zal uitvoeren. Bovendien hebben [gedaagde] en haar partner zich bereid verklaard AZR niet te zullen aanspreken.

4.8

De belangen van [gedaagde] en haar partner (waaronder het belang van mogelijk wenselijk genetisch onderzoek) verzetten zich tegen vernietiging van het donorzaad. Zij hechten zeer aan een biologische band tussen de kinderen. Vernietiging is dan ook jegens [gedaagde] onrechtmatig.

4.9

[gedaagde] eist niet dat AZR de behandeling zelf voortzet. Zij verzet zich slechts voorwaardelijk tegen toewijzing van het gevorderde onder b, voor het geval het gevorderde onder c wordt toegewezen.

4.10

De door AZR in acht te nemen redelijkheid en billijkheid bij de uitvoering van de behandelingsovereenkomst brengt mee dat AZR ook na beëindiging van die overeenkomst gehouden is tot medewerking in de vorm van afgifte van het donorzaad.

4.11

Hetgeen in de onder 2.8 genoemde bijeenkomst van 15 maart 2001 is afgesproken vormt een zelfstandige grond voor de verplichting van AZR mee te werken aan afgifte van het donorzaad en niet over te gaan tot vernietiging daarvan.

5. De vordering in reconventie

De vordering luidt - verkort weergegeven - om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

a. te verklaren voor recht dat AZR gehouden is het door [eiseres] gewenste donorzaad met donorcode R23 aan [eiseres] of een door haar aangewezen arts of andere persoon ter beschikking te stellen voor haar verdere behandeling;

b. te verklaren voor recht dat AZR jegens [eiseres] handelt in strijd met de tussen partijen gesloten behandelingsovereenkomst dan wel onrechtmatig handelt indien zij het donorzaad met donorcode R23 vernietigt;

c. te verklaren voor recht dat AZR gehouden is de rietjes bevattende het betreffende donorzaad op de juiste wijze te bewaren ten behoeve van eventuele toekomstige verdere behandeling dan wel specifiek genetisch of ander onderzoek;

d. te verklaren voor recht dat AZR toerekenbaar tekort geschoten is in de nakoming van haar verplichtingen uit de behandelingsovereenkomst door te weigeren de behandeling voort te zetten althans door te weigeren het donorzaad af te geven, althans dat AZR aldus jegens [eiseres] onrechtmatig heeft gehandeld;

e. AZR te veroordelen tot vergoeding aan [eiseres] van alle als gevolg van deze wanprestatie c.q. dit onrechtmatig handelen geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat;

f. AZR te veroordelen in de proceskosten.

Aan deze vordering heeft [eiseres] ten grondslag gelegd hetgeen in conventie als verweer is aangevoerd.

6. Het verweer in reconventie

De conclusie van AZR strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, van [eiseres] in de kosten van het geding.

Daartoe heeft AZR aangevoerd hetgeen zij in conventie heeft betoogd.

7. De beoordeling

in conventie en in reconventie

7.1

Tussen partijen is in confesso dat tussen hen na een eerste KID-behandeling en de daaruit voortgevloeide geboorte van het kind van [gedaagde] op 5 november 1997 opnieuw een behandelingsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:446 BW is gesloten, inhoudende een tweede KID-behandeling met zaad van dezelfde donor als gebruikt is bij de eerste KID-behandeling. Deze tweede KID-behandeling is in november 1998 aangevangen door [naam gynaecoloog] die ook de eerste KID-behandeling had verricht en die op dat moment nog als gynaecoloog in dienst van AZR werkzaam was.

7.2

Nadat een aantal inseminaties heeft plaatsgevonden is op 20 april 1999 door AZR onder meer aan [gedaagde] meegedeeld dat besloten was het programma van donorinseminatie geheel stop te zetten. Vanwege de bezwaren van [gedaagde] tegen stopzetting van de behandeling hebben vervolgens nog laatste inseminaties plaatsgehad op 14 en 17 mei 1999, doch daarna is de KID-behandeling van [gedaagde] zonder haar goedvinden gestopt. Tussen partijen is eveneens in confesso dat de behandeling op dat moment nog niet was voltooid, zodat de rechtbank in het midden kan laten hoeveel inseminaties de overeengekomen behandeling zou omvatten.

7.3

De rechtbank kan de voortijdige stopzetting van de behandeling door AZR niet anders opvatten dan als een (eenzijdige) opzegging van de behandelingsovereenkomst. Zodanige opzegging is ingevolge artikel 7:460 BW alleen mogelijk wegens gewichtige redenen.

7.4

Als reden voor de stopzetting van de behandeling heeft AZR kort gezegd aangevoerd dat zij voortzetting van de behandeling medisch onverantwoord en onzorgvuldig vindt, aangezien de door [naam gynaecoloog] gevoerde administratie met betrekking tot de opslag van donorzaad onvoldoende transparant en, nu deze slechts voor [naam gynaecoloog] toegankelijk is, onvoldoende controleerbaar is. AZR baseert zich daarbij op het advies van de Commissie-Evers.

De rechtbank is van oordeel dat dit een gewichtige reden vormt die AZR het recht geeft de behandelingsovereenkomst op te zeggen. Indien AZR onvoldoende vertrouwen heeft in de wijze waarop de bij haar in dienstverband werkzaam geweest zijnde gynaecoloog [naam] de opslag van het donorzaad heeft geadministreerd, kan van haar in redelijkheid niet verwacht worden dat zij de geneeskundige behandeling continueert. De zorgplicht en de verantwoordelijkheid van de hulpverlener, zoals neergelegd in artikel 7:453 BW brengen zulks mee.

Nu de behandelingsovereenkomst rechtsgeldig is opgezegd, kan [gedaagde] geen aanspraak maken op nakoming daarvan.

7.5

Evenwel bij eenzijdige opzegging van een behandelingsovereenkomst door de hulpverlener brengen de eisen van redelijkheid en billijkheid mee dat de hulpverlener rekening houdt met de gerechtvaardigde belangen van de patiënt. De hulpverlener dient de voorwaarden te scheppen die het mogelijk maken dat de behandeling door een andere hulpverlener wordt voortgezet. Voor AZR was duidelijk dat [gedaagde] er groot belang bij had dat de KID-behandeling plaatsvond met het zaad van dezelfde donor als de eerste behandeling, die tot de geboorte van een kind had geleid. [gedaagde] hecht er sterk aan dat er een biologische band tussen haar kinderen bestaat. Dit was een essentieel beding in de overeenkomst en van [gedaagde] kon niet geëist worden dat zij akkoord ging met een alternatieve behandeling waarbij zaad van een andere donor zou worden gebruikt.

AZR was dan ook gehouden de gegevens en het materiaal waarover zij beschikt die nodig zijn voor voortzetting van de behandeling ter beschikking te stellen van de nieuwe door [gedaagde] ingeschakelde behandelaar. De beslissing of het medisch verantwoord is om van dit materiaal gebruik te maken rust in beginsel op die nieuwe behandelaar. Wel brengt het bepaalde in artikel 7:453 BW mee dat AZR gehouden is haar bedenkingen tegen het gebruik van dat materiaal gedocumenteerd mede te delen aan die nieuwe behandelaar.

7.6

Hetgeen onder 7.5 is overwogen brengt niet mee dat AZR gehouden is al het donorzaad van de desbetreffende donor waarover zij beschikt, aan de nieuwe behandelaar van [eiseres] ter beschikking te stellen. Niet valt in te zien waarom [eiseres] daarop recht zou hebben. AZR heeft inmiddels voldaan aan haar postcontractuele verplichtingen door (na de uitspraak in kort geding) op 5 september 2001 24 door [naam gynaecoloog] aangewezen rietjes met donorzaad met de daarbij behorende administratieve bescheiden ter beschikking te stellen, nu gesteld noch gebleken is dat dit onvoldoende was om de KID-behandeling (inclusief een eventuele IVF-behandeling) te voltooien.

7.7

AZR handelt niet onrechtmatig jegens [eiseres] indien zij het nog bij haar berustende donorzaad van de desbetreffende donor, dat niet nodig is voor de voltooiing van de behandeling, vernietigt. Immers gesteld noch gebleken is dat er (thans) een wettelijke verplichting tot het bewaren van dat zaad bestaat. Aan de wens van [eiseres] om in de toekomst de mogelijkheid te hebben genetisch onderzoek te doen verrichten is reeds voldaan door een aantal rietjes met donorzaad en de daarbij behorende administratieve bescheiden aan haar nieuwe behandelaar ter beschikking te stellen, nog daargelaten of de beschikbaarheid van het zaad daarvoor noodzakelijk is.

7.8

Hetgeen AZR ter ondersteuning van haar vorderingen en ten verweer tegen de vorderingen van [eiseres] verder aanvoert, kan niet tot een ander oordeel leiden.

De vrees van AZR in de toekomst aansprakelijk te worden gesteld weegt naar het oordeel van de rechtbank niet op tegen het belang dat [eiseres] heeft bij voortzetting van de behandeling. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de kans op een succesvolle aansprakelijkstelling van AZR te verwaarlozen is, nu de voortgezette behandeling geschiedt door een andere hulpverlener die geacht moet worden op de hoogte te zijn van de bedenkingen van AZR en nu [eiseres] uitdrukkelijk heeft verklaard dat zij AZR niet aansprakelijk zal stellen en dat zij AZR zal vrijwaren indien toekomstige kind AZR aansprakelijk zou stellen.

7.9

De rechtbank is zich ervan bewust dat de mogelijkheid bestaat dat in de toekomst het kind informatie zal opvragen teneinde de identiteit van de donor te achterhalen en dat AZR in dat geval niet de gewenste informatie zal kunnen verschaffen. Nog daargelaten of de in voorbereiding zijnde wetgeving op dit punt kracht van wet zal krijgen en, zo ja, hoe deze (en in het bijzonder het overgangsrecht voor reeds plaatsgevonden hebbende inseminaties) dan zal luiden, de rechtbank acht deze omstandigheid niet van zodanig gewicht dat daarvoor het belang van [eiseres] om de in gang gezette behandeling te voltooien, dient te wijken. Zij neemt daarbij mede in aanmerking dat [eiseres] als moeder van het geboren te worden kind kennelijk meer waarde hecht aan het feit dat dat kind een biologische band heeft met haar reeds geboren kind.

In conventie

7.10

Met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen, komt de rechtbank tot het volgende oordeel met betrekking tot de ingestelde vorderingen:

- Hetgeen onder a wordt gevorderd, kan de rechtbank niet toewijzen, aangezien dit geen rechtsoordeel maar een medisch oordeel betreft.

- Hetgeen onder b wordt gevorderd wordt door de rechtbank toegewezen, nu de behandelingsovereenkomst rechtsgeldig is opgezegd.

- Hetgeen onder c wordt gevorderd wordt toegewezen, voor zover het betreft donorzaad dat niet reeds op 5 september 2001 ter beschikking is gesteld.

- Het onder d gevorderde wordt toegewezen, uitsluitend voor zover het de verklaring voor recht betreft en voor zover het betreft het na de terbeschikkingstelling op 5 september 2001 nog bij AZR berustende depot.

In reconventie

7.11

Met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen, komt de rechtbank tot het volgende oordeel met betrekking tot de ingestelde vorderingen:

- Hetgeen onder a wordt gevorderd wordt toegewezen, voor zover het betreft het donorzaad dat reeds op 5 september 2001 ter beschikking is gesteld;

- Het onder b gevorderde wordt afgewezen, nu het donorzaad dat nodig was voor verdere behandeling inmiddels reeds ter beschikking is gesteld, en vernietiging van het nog bij AZR berustende donorzaad niet onrechtmatig is jegens [eiseres].

- Het onder c gevorderde wordt afgewezen op de grond als vermeld onder 7.7.

- Het onder d en e gevorderde wordt afgewezen, omdat de behandelingsovereenkomst op rechtsgeldige wijze is opgezegd en omdat na de terbeschikkingstelling van donorzaad op 5 september 2001 geen sprake is van onrechtmatig handelen.

In conventie en in reconventie

7.12

Nu beide partijen gedeeltelijk in het ongelijk worden gesteld, zal de rechtbank de proceskosten compenseren aldus dat elke partij haar eigen kosten draagt.

8. De beslissing

De rechtbank,

in conventie

verklaart voor recht dat AZR niet gehouden is [gedaagde] geneeskundig te (doen) behandelen met gebruikmaking van donorzaad uit het door AZR gehouden depot;

verklaart voor recht dat AZR niet gehouden is het door [gedaagde] gewenste donorzaad uit het door AZR gehouden depot, voor zover dat niet reeds op 5 september 2001 ter beschikking is gesteld, aan [gedaagde] of een door haar aangewezen persoon ter beschikking te stellen;

verklaart voor recht dat AZR jegens [gedaagde] niet onrechtmatig handelt door het depot, voor zover dat niet reeds op 5 september 2001 ter beschikking is gesteld, te vernietigen;

wijst af het meer of anders gevorderde;

in reconventie

verklaart voor recht dat AZR gehouden was het door [eiseres] gewenste donorzaad met donorcode R23, dat zij op 5 september 2001 ter beschikking heeft gesteld, aan een door [eiseres] aangewezen arts ter beschikking te stellen voor verdere behandeling;

wijst af het meer of anders gevorderde;

in conventie en reconventie

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.J.W.M. van Dooren, mr. R.R. Roukema en mr. G.C.C. Lewin.

Uitgesproken ter openbare terechtzitting.