Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2002:AE8332

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-09-2002
Datum publicatie
03-10-2002
Zaaknummer
01-00664, 01/665, 01/666, 01/2713 en 01/ 2714
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 5:13
Algemene wet bestuursrecht 5:32
Algemene wet bestuursrecht 6:18
Algemene wet bestuursrecht 6:19
Besluit toezicht effectenverkeer 1995 10
Besluit toezicht effectenverkeer 1995 11
Besluit toezicht effectenverkeer 1995 24
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 8
Wet toezicht effectenverkeer 1995 1
Wet toezicht effectenverkeer 1995 7
Wet toezicht effectenverkeer 1995 16
Wet toezicht effectenverkeer 1995 20
Wet toezicht effectenverkeer 1995 40
Wet toezicht effectenverkeer 1995 48b
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE ROTTERDAM

Meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Reg.nrs.: BC 01/664-STU

BC 01/665-STU

BC 01/666-STU

BC 01/2713-STU

BC 01/2714-STU

Uitspraak

in de gedingen tussen

1.x te y, hierna te noemen: eiser I,

2.y , wonende te x, hierna te noemen: eiser II,

3. B.V A, gevestigd te B, als rechtsopvolgster (sedert 15 augustus 2001) van B.V. C, gevestigd te D, hierna te noemen: eiseres III,

gemachtigden dr. mr. D.R. Doorenbos en mr. drs. M.J.N. Vermeij, advocaten te Amsterdam,

en

de Stichting Autoriteit Financiële Markten, gevestigd te Amsterdam, als rechtsopvolgster (sedert 1 maart 2002) van de Stichting Toezicht Effectenverkeer, hierna te noemen: verweerster,

gemachtigde mr. drs. M.J. Bloot, advocaat in dienst van verweerster.

Eiser I, eiser II en eiseres III worden hierna gezamenlijk ook aangeduid als "eisers".

Waar hierna over verweerster gesproken wordt, kan mede gedoeld worden op haar rechtsvoorgangster.

1. Ontstaan en loop van de gedingen

Bij besluit van 22 augustus 2000, met kenmerk 1347 MSN, heeft verweerster aan eiser I bericht:

- de aan eiser I verleende verklaring van geen bezwaar voor het houden van een rechtstreekse deelneming in Intervaluta B.V. (hierna: Intervaluta) op grond van haar bevoegdheid als bedoeld in artikel 20, aanhef en onder f, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 (hierna te noemen: de Wte 1995) per direct in te trekken onder de overweging dat eiser I niet langer voldoet aan de eisen van betrouwbaarheid en deskundigheid als bedoeld in artikel 10 van het Besluit toezicht effectenverkeer 1995 (hierna te noemen: het Bte 1995);

- dat eiser I zijn belang dat hij rechtstreeks in Intervaluta houdt, binnen drie maanden vervreemd moet hebben.

Verweerster heeft bij besluit van 8 februari 2001, met kenmerk JZ-7376JMvG, (hierna: besluit I) het bezwaar dat namens eiser I tegen dit besluit van 22 augustus 2000 is gemaakt, ongegrond verklaard.

Bij besluit van 22 augustus 2000, met kenmerk 1287 MSN, heeft verweerster aan eiser II bericht:

- de aan eiser II verleende verklaring van geen bezwaar voor het houden van een middellijke deelneming in Intereffekt Commissionairs B.V. (hierna: Intereffekt Commissionairs) op grond van haar bevoegdheid als bedoeld in artikel 20, aanhef en onder f, van de Wte 1995 per direct in te trekken onder de overweging dat eiser II niet langer voldoet aan de eisen van betrouwbaarheid en deskundigheid als bedoeld in artikel 10 van het Bte 1995;

- dat eiser II zijn belang dat hij middellijk in Intereffekt Commissionairs houdt, binnen drie maanden vervreemd moet hebben.

Bij besluit van 22 augustus 2000, met kenmerk 1337 MSN, heeft verweerster aan eiser II bericht:

- de aan eiser II verleende verklaring van geen bezwaar voor het houden van een middellijke deelneming in Intervaluta op grond van haar bevoegdheid als bedoeld in artikel 20, aanhef en onder f, van de Wte 1995 per direct in te trekken onder de overweging dat eiser II niet langer voldoet aan de eisen van betrouwbaarheid en deskundigheid als bedoeld in artikel 10 van het Bte 1995;

- dat eiser II zijn belang dat hij middellijk in Intervaluta houdt, binnen drie maanden vervreemd moet hebben.

Verweerster heeft bij besluit van 8 februari 2001, met kenmerk JZ-7295JMvG (hierna: besluit II) en bij besluit van die datum, met kenmerk JZ-7354JMvG (hierna: besluit III) de bezwaren die namens eiser II waren gemaakt tegen deze besluiten van 22 augustus 2000, met kenmerken 1287MSN respectievelijk 1337 MSN, ongegrond verklaard.

Namens eiser I is tegen besluit I en namens eiser II is tegen de besluiten II en III beroep ingesteld bij brieven van 21 maart 2001, aangevuld bij brieven van 4 mei 2001.

Verweerster heeft bij brief van 22 augustus 2001 een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 26 maart 2001, met kenmerk JZ-9374MBL, heeft verweerster aan eiseres III een last onder dwangsom als bedoeld in artikel 48b van de Wte 1995 opgelegd teneinde te bewerkstelligen dat eiseres III binnen vier weken haar rechtstreekse aandelenbelang in Intereffekt Commissionairs terugbrengt tot maximaal 5%. De aan verweerster te verbeuren dwangsom is bij dat besluit gesteld op f 5.000,00 (€ 2.268,90) voor iedere dag dat eiseres III in gebreke blijft de last uit te voeren.

Bij besluit van 26 maart 2001, met kenmerk JZ-9121MBL, heeft verweerster aan eiser II een last onder dwangsom als bedoeld in artikel 48b van de Wte 1995 opgelegd teneinde te bewerkstelligen dat eiser II binnen vier weken zijn aandelenbelang dat hij middellijk (en wel via eiseres III) in Intereffekt Commissionairs houdt, terugbrengt tot maximaal 5%. De aan verweerster te verbeuren dwangsom is bij dat besluit gesteld op f 5.000,00 (€ 2.268,90) voor iedere dag dat eiser II in gebreke blijft de last uit te voeren.

Tegen de hen betreffende dwangsombesluiten van 26 maart 2001 is namens eiseres III respectievelijk eiser II bij brieven van 7 mei 2001 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 7 mei 2001, met kenmerk JZ-11919MBL, heeft verweerster aan eiseres III een nieuwe last onder dwangsom opgelegd, inhoudende dat eiseres III binnen vier weken haar belang in Intereffekt Commissionairs tot maximaal 5% dient terug te brengen, bij gebreke waarvan zij aan verweerster een dwangsom zal verbeuren van f 5.000,00 (€ 2.268,90) voor iedere dag dat zij in gebreke blijft de last uit te voeren.

Bij besluit van 7 mei 2001, met kenmerk JZ-11891MBL, heeft verweerster aan eiser II een nieuwe last onder dwangsom opgelegd, inhoudende dat eiser II binnen twee weken zijn deelneming in Intereffekt Commissionairs houdt, tot maximaal 5% dient terug te brengen, bij gebreke waarvan hij aan verweerster een dwangsom zal verbeuren van f 5.000,00 (€ 2.268,90) voor iedere dag dat hij in gebreke blijft de last uit te voeren.

Namens eiser II en namens eiseres III is tegen de hen betreffende besluiten van 7 mei 2001 bij brieven van 18 mei 2001 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 17 mei 2001, met kenmerk JZ-13953MBL, heeft verweerster haar besluit van 17 (lees: 7) mei 2001, met kenmerk JZ-11891 (lees: JZ-11919MBL), in dier voege gewijzigd dat de werking van de last onder dwangsom aan eiseres III wordt beperkt tot de duur van vier weken, zodat de maximaal te verbeuren dwangsom f 140.000,00 (€ 63.529,23) bedraagt.

Bij besluit van 17 mei 2001, met kenmerk JZ-1351MBL, heeft verweerster haar besluit van 17 (lees: 7) mei 2001, met kenmerk JZ-11891MBL, in dier voege gewijzigd dat de werking van de last onder dwangsom aan eiser II wordt beperkt tot de duur van vier weken, zodat de maximaal te verbeuren dwangsom f 140.000,00 (€ 63.529,23) bedraagt.

Bij besluit van 21 mei 2001, met kenmerk JZ-13988JvM, heeft verweerster de periode waarbinnen eiser II aan de last dient te voldoen, alsnog gesteld op vier weken te rekenen vanaf de dagtekening van het besluit van 7 mei 2001, kenmerk JZ-11981MBL (lees: JZ-11891MBL).

Bij besluit van 22 mei 2001, met kenmerk JZ-14110MBL, heeft verweerster het besluit van 17 (lees: 7) mei 2001, met kenmerk JZ-11919MBL, gewijzigd in die zin dat de werking van de last onder dwangsom aan eiseres III wordt beperkt tot de duur van vier weken, zodat de maximaal te verbeuren dwangsom f 140.000,00 (€ 63.529,23) bedraagt.

Bij besluit van 25 oktober 2001, met kenmerk JZ-22914LB, (hierna: besluit IV) heeft verweerster het bezwaar van eiseres III tegen het besluit van 7 mei 2001, met kenmerk JZ-11919MBL, zoals dit besluit nadien gewijzigd is, ongegrond verklaard.

Bij besluit van 25 oktober 2001, met kenmerk JZ-19957LB, (hierna: besluit V) heeft verweerster het bezwaar van eiser II tegen het besluit van 7 mei 2001, met kenmerk JZ-11891, zoals dit besluit nadien gewijzigd is, ongegrond verklaard.

Tegen de besluiten IV en V is namens eiseres III respectievelijk namens eiser II bij brieven van 5 december 2001, aangevuld bij brieven van 10 januari 2002, beroep ingesteld.

Verweerster heeft bij brief van 15 april 2002 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 augustus 2002. Aanwezig waren eisers I en II en hun gemachtigden, die tevens eiseres III hebben vertegenwoordigd. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, bijgestaan door J. Lindeboom, werkzaam bij verweerster.

2. Overwegingen

2.1. Ten aanzien van de procedure

De rechtbank heeft op de voet van artikel 8:14, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) aanleiding gezien de gedingen gevoegd te behandelen.

Nadat de rechtbank aan partijen had bericht dat zij voornemens was het onderzoek ter zitting op 19 augustus 2002 te doen plaatsvinden, is namens eisers bij faxbericht van 5 juni 2002 verzocht om aanhouding van de zaak.

De rechtbank heeft geen aanleiding gezien dit verzoek te honoreren. De rechtbank heeft in dit verband overwogen dat - gelet op de duur van de procedure - een spoedige voltooiing van het onderzoek gewenst is en dat niet dan wel onvoldoende gemotiveerd is dat eisers onvoldoende tijd is gegund de zaken voor te bereiden of dat eisers anderszins door het niet honoreren van hun verzoek van 5 juni 2002 in hun processuele belangen zijn geschaad.

2.2. Feiten welke als vaststaande worden aangenomen

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van in het geding gebrachte stukken en op het verhandelde ter zitting, neemt de rechtbank - voorzover van belang - het volgende als vaststaande aan.

Eiser I en eiser II vormden tot hun aftreden op 20 november 2000 de voltallige directie van Intereffekt Commissionairs. Daarnaast hield eiser I 3% en eiser II (tot in elk geval 5 maart 2001, zie hierna) 77% van de aandelen van deze vennootschap; eiser II hield deze aandelen middellijk en wel via eiseres III, van welke vennootschap hij directeur is en 100% van de aandelen houdt. Met ingang van 25 augustus 1999 zijn drs. L. Deuzeman RA en drs. S. Wijma RA als commissaris aan Intereffekt Commissionairs verbonden. Zij zijn beiden tevens aandeelhouder van Intereffekt Commissionairs, elk voor 5% van het totale aandelenpakket.

Verweerster heeft aan Intereffekt Commissionairs op 25 juli 1996 een vergunning als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Wte 1995 verleend. Zij heeft deze vergunning bij brief van 14 juni 1999 gewijzigd in een vergunning als bedoeld in artikel 7 van de Wte 1995; de vergunning is daarbij verleend voor het in of vanuit Nederland aanbieden of verrichten van diensten als effectenbemiddelaar als bedoeld in artikel 1, aanhef, onder h, sub 1, 2 en 3 van de Nadere Regeling toezicht effectenverkeer 1999 (hierna: NR 1999) met de beperking dat deze diensten niet mogen worden aangeboden en/of verricht op de AEX-Agrarische Termijnmarkt of vergelijkbare beurzen in het buitenland.

Verweerster heeft aan eiser II op 22 oktober 1996 een verklaring van geen bezwaar verleend voor het houden van een middellijke deelneming in Intereffekt Commissionairs.

Eiser I houdt een belang van 20% in Intervaluta. Eiser II houdt middellijk via eiseres III 40% van de aandelen in Intervaluta.

Op 20 september 1996 heeft verweerster aan Intervaluta B.V. een vergunning verleend, die beperkt was tot het ten aanzien van valutacontracten in het kader van day-trading doorgeven van orders aan instellingen die zijn opgenomen in het register als bedoeld in artikel 21 van de Wte 1995. Bij besluit van 1 juli 1999 heeft verweerster deze vergunning omgezet in een (soortgelijke) vergunning als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder h, sub 1 en sub 8 onder a van de NR 1999.

Verweerster heeft aan eiser I bij brief van 20 september 1996 een verklaring van geen bezwaar verleend voor het houden van een rechtstreekse deelneming in Intervaluta en het uitoefenen van daaraan verbonden zeggenschap op grond van deelneming van 20% in het aandelenkapitaal.

Aan eiser II heeft verweerster bij brief van eveneens 20 september 1996 een verklaring van geen bezwaar verleend voor het houden van een middellijke deelneming in Intervaluta en het uitoefenen van daaraan verbonden zeggenschap op grond van deelneming van 40% in het aandelenkapitaal.

Verweerster heeft in de periode van januari tot april 2000 op basis van artikel 29 van de Wte 1995 een onderzoek bij Intereffekt Commissionairs ingesteld. Verweerster heeft aan de hand van haar onderzoeksbevindingen - kort weergegeven - het volgende geconcludeerd:

a. er is sprake van ernstige tekortkomingen in de administratieve organisatie en in het systeem van interne controle (ao/ic), onder meer met betrekking tot

- de primaire ordervastlegging (het niet doorlopend nummeren van de ordertickets en het regelmatig niet vermelden van het tijdstip van orderopgave en orderuitvoering, hetgeen steeds het geval was bij de ordertickets ten behoeve van uitgifte en royering met betrekking tot de aandelen van Intereffekt Japanese Warrants N.V. (hierna: IJW), van welke beleggingsinstelling Intereffekt Commissionairs sedert 1997 bestuurder is;

- de interne structurering en adequate functiescheiding om aldus belangenconflicten tussen Intereffekt Commissionairs en IJW te voorkomen, hetgeen strijd oplevert met artikel 4.3 van bijlage 4 bij de NR 1999;

- de beschrijving van de ao/ic, met name:

- het ontbreken van een beschrijving van functiescheiding en "chinese walls", van de wijze en de tijdstippen waarop besluiten tot royering en afgifte van aandelen in de beleggings-instellingen worden genomen en van interne limieten van opgebouwde long- en shortposities in de beleggingsinstellingen;

- het niet of onvoldoende aanwezig zijn van beschrijving met betrekking tot de orderafhandeling en -administratie en tot de procedure ten aanzien van handel voor eigen rekening en emissies;

- de wijze waarop collectorders in buitenlandse futures aan de Derivaten Desk van Kempen & Co N.V. werden doorgegeven; bij een groot deel van de betreffende orders was gebleken dat deze dermate laat werden doorgegeven dat op het moment van doorgave het resultaat op de transactie al bekend was. Door de gehanteerde werkwijze was het mogelijk de orders achteraf toe te delen waardoor fraude in de hand gewerkt kan worden.

Door deze tekortkomingen is strijd met de artikelen 4.2, 4.6, 4.15 en/of 4.19 van bijlage 4 bij de NR 1999 ontstaan;

b. er is sprake van ernstige overtredingen bij de marktregulering ten behoeve van IJW:

- bij de royering en afgifte van transacties ten behoeve van IJW zijn ordertickets vaak niet juist en niet volledig ingevuld (zo waren deze tickets niet doorlopend genummerd en ontbrak een tijdsregistratie);

- de ordertickets zijn vaak een handelsdag nà de betreffende transactie ("t+1") afgewikkeld tegen de op die dag geldende afrekenprijs, hetgeen in 31 van de 33 gevallen gunstig voor Intereffekt Commissionairs was, zo bleek na bestudering van de gefaxte en uitsluitend door Kempen & Co N.V. bewaarde ordertickets.

Door deze handelwijze behoorde benadeling van de zittende beleggers in IJW tot de mogelijkheden, hetgeen in strijd is met artikel 24 van het Bte 1995 juncto artikel 25 van de NR 1999 en - vóór de inwerkingtreding van de NR 1999 - met artikel 24 van het Bte juncto artikel 22 van de Nadere Regeling toegelaten effectenverkeer 1995;

c. in de periode van januari 1997 tot en met december 1999 is er sprake geweest van ernstige overtredingen bij privé- beleggingstransacties van eiser I en eiser II:

- eiser I en eiser II hebben erkend 177 respectievelijk 39 "intradag"-transacties in derivaten verricht te hebben;

- eiser I heeft 3.900 privé-transacties verricht. Gezien het aantal en de aard van die transacties is zijn beleggingsgedrag excessief en zeer speculatief;

- eiser II heeft privé-transacties verricht in fondsen waarvoor Intereffekt Commissionairs als bewaarder optreedt en waarin cliënten van Intereffekt Commissionairs vaak collectorders opgeven. Mede gelet op de gebrekkige ordervastlegging is hierdoor de schijn van belangen-verstrengeling ontstaan.

Het verrichten van deze transacties is strijdig met de artikelen 3.2 dan wel 3.3 van bijlage 3 ter uitvoering van artikel 23 van de NR 1999 en met artikel 4 van de "Regeling met betrekking tot privé-beleggingstransacties door Insiders" behorende bij artikel 3 van het "Nader reglement Toegelaten Instellingen Amsterdam Exchanges N.V.".

Verweerster heeft op grond van deze onderzoeksresultaten geconcludeerd dat eisers I en II in hun hoedanigheid van bestuurders van Intereffekt Commissionairs niet langer aan de eisen als neergelegd in artikel 10 van het Bte 1995 voldoen. Verweerster heeft dit standpunt bij brief van 3 juli 2000 aan Intereffekt Commissionairs kenbaar gemaakt en haar uitgenodigd voor een gesprek waarbij de eventueel door verweerster te nemen maatregelen aan de orde zouden komen. Dit gesprek heeft op 6 juli 2000 plaatsgevonden; daarbij is namens Intereffekt Commissionairs onder meer gesteld dat de wijze van marktregulering per saldo niet ongunstig voor de beleggers was, dat deze een aantal voordelen voor IJW opleverde en dat deze de uitdrukkelijke instemming van De Nederlandsche Bank (hierna: DNB) genoot. Verweerster heeft bij dat gesprek te kennen gegeven dat zij het onverwijld nemen van maatregelen noodzakelijk achtte en dat zij overwoog de maatregel van stille curatele toe te passen.

Naar aanleiding van dit gesprek heeft verweerster Intereffekt Commissionairs bij brief van 10 juli 2000 in de gelegenheid gesteld schriftelijk aan te geven hoe en wanneer DNB geïnformeerd was omtrent de methodiek met betrekking tot marktregulering in aandelen IJW. Namens Intereffekt Commissionairs zijn op 11 en 12 juli 2000 hiertoe een aantal stukken aan verweerster verstrekt, die wat betreft het kalenderjaar 1999 nader toegelicht zijn bij schrijven van 20 juli 2000.

DNB heeft bij brief van 12 juli 2000 desgevraagd aan verweerster bericht dat zij nimmer met de door Intereffekt Commissionairs gevolgde systematiek met betrekking tot marktregulering heeft ingestemd. Bij fax van 9 augustus 2000 heeft DNB voorts aan verweerster bericht dat zij niet op de hoogte was van de door Intereffekt Commissionairs gehanteerde methodiek ten aanzien van de afwikkeling van transacties en nimmer heeft ingestemd met het gebruik van deze methode.

Verweerster heeft bij besluit van 13 juli 2000 aan Intereffekt Commissionairs de maatregel van stille curatele als bedoeld in artikel 28 van de Wte 1995 opgelegd, waarbij zij H.G.K. Harbrink Numan als stille curator heeft aangesteld. Bij brief van 11 augustus 2000 heeft verweerster een tweede stille curator aangesteld, te weten drs. W. Dijkema.

Bij besluit van 21 augustus 2000, met kenmerk 1336 MSN, heeft verweerster aan Intereffekt Commissionairs een aanwijzing op grond van artikel 28 van de Wte 1995 gegeven, met name inhoudend:

- dat eisers I en II onmiddellijk als bestuurders dienen terug te treden en

- dat Intereffekt Commissionairs binnen 3 maanden geleid dient te worden door tenminste twee bestuurders die voldoen aan de vereisten van artikel 10 Bte 1995.

Aan dit besluit heeft verweerster haar standpunt ten grondslag gelegd dat eisers I en II onvoldoende deskundig zijn ten aanzien van de bedrijfsvoering van een effecteninstelling en dat hun betrouwbaarheid niet (langer) buiten twijfel staat. Bij besluit van 8 februari 2001, met kenmerk JZ-5372JMvG, heeft verweerster het bezwaar van Intereffekt Commissionairs tegen dit besluit ongegrond verklaard. Het tegen die beslissing door Intereffekt Commissionairs bij de rechtbank ingestelde beroep, geregistreerd onder nummer 01/668, heeft zij bij brief van 18 mei 2001 ingetrokken.

Bij besluit van 21 augustus 2000 heeft DNB aanwijzingen als bedoeld in artikel 21 van de Wet toezicht beleggingsinstellingen (hierna: Wtb) gegeven aan IJW, Intereffekt Japanse Aandelen N.V., Intereffekt Rentegroei II N.V. en Intereffekt Rising Sun N.V. gezamenlijk en aan IJW, Intereffekt Japanse Aandelen N.V., en Intereffekt Rising Sun N.V. afzonderlijk. Deze aanwijzingen hielden in:

- dat de Intereffekt-beleggingsinstellingen onmiddellijk maatregelen dienden te treffen die ertoe zouden leiden dat zij met onmiddellijke ingang niet langer feitelijk of formeel zouden worden bestuurd door Intereffekt Commissionairs, en

- dat IJW, Intereffekt Japanse Aandelen N.V. en Intereffekt Rising Sun N.V. onmiddellijk maatregelen dienden te treffen die ertoe zouden leiden dat zij uiterlijk binnen vijf werkdagen zouden worden bestuurd, dan wel feitelijk zouden worden geleid, door tenminste twee personen aan wie DNB haar instemming als bedoeld in artikel 12 Wtb en de artikelen 2 en 11 van het Besluit toezicht beleggingsinstellingen had verleend.

Bij besluit van 9 februari 2001 heeft DNB het bezwaar van Intereffekt Commissionairs tegen deze aanwijzingen ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt het standpunt van DNB ten grondslag dat eisers I en II onvoldoende deskundig zijn in verband met de bedrijfsvoering van de effecteninstellingen en dat hun betrouwbaarheid niet (langer) buiten twijfel staat. In haar beslissing heeft DNB mede overwogen dat zij nimmer toestemming heeft gegeven voor de wijze van marktregulering als toegepast door Intereffekt Commissionairs, alleen al omdat marktregulering behoort tot het toezichtsterrein van verweerster. Het door Intereffekt Commissionairs tegen die beslissing ingestelde beroep, bij de rechtbank geregistreerd onder nummer 01/667, heeft zij bij brief van 18 mei 2001 ingetrokken.

Bij twee besluiten, elk van 22 augustus 2000, met als kenmerken 1340MSN respectievelijk 1345MSN, heeft verweerster besloten:

- de aan eiseres III verleende verklaringen van geen bezwaar voor het houden van een middellijke deelneming in Intervaluta en in Intereffekt Commissionairs per direct in te trekken;

- dat eiseres III haar belang dat zij in Intervaluta en in Intereffekt Commissionairs rechtstreeks houdt, binnen drie maanden moet hebben vervreemd.

Verweerster heeft bij haar motivering van deze besluiten verwezen naar eerdervermeld besluit van 21 augustus 2000, met kenmerk 1336MSN. Tegen deze twee besluiten van 22 augustus 2000 is geen bezwaar gemaakt.

Op eveneens 22 augustus 2000 heeft verweerster de in rubriek 1 van deze Uitspraak vermelde primaire besluiten jegens eisers I en II genomen. Tegen die besluiten, voorzover hen betreffend, is door eisers I en II bezwaar gemaakt.

Eisers I en II zijn bij brief van 23 augustus 2000 door drs. L. Deuzeman RA in diens functie als voorzitter van de Raad van Commissarissen van Intereffekt Commissionairs ervan in kennis gesteld dat zij in navolging van verweersters besluit van 21 augustus 2000 met ingang van 22 augustus 2000, 21.00 uur, gedurende maximaal drie maanden als bestuurders van Intereffekt Commissionairs geschorst zijn. Verweerster is hiervan op 28 augustus 2000 op de hoogte gebracht, waarbij haar tevens is bericht dat de Raad van Commissarissen zich vooralsnog bij zal laten staan door de beide door verweerster aangestelde stille curatoren, die hiertoe door die Raad als deskundigen zijn benoemd.

Bij brief van 8 november 2000 heeft verweerster aan Intereffekt Commissionairs bericht in te kunnen stemmen met de benoeming van de heren drs. M.J. van der Zwaard en drs. J.W. van de Water als bestuurders. Beide heren zijn door Intereffekt Commissionairs tijdens haar Buitengewone Vergadering van Aandeelhouders van 20 november 2000 als bestuursleden benoemd, terwijl eisers I en II tijdens die vergadering hun functie als bestuurslid hebben neergelegd.

Verweerster heeft de namens eisers I en II gedane verzoeken om de in haar besluiten van 22 augustus 2000 bedoelde termijn van drie maanden te verlengen, bij brieven van 3 november 2000 afgewezen. Omdat deze termijn op 22 november 2000 verstreken was en eisers hun belangen toen nog niet hadden vervreemd, is namens Intereffekt Commissionairs aan verweerster verzocht in te stemmen met een tijdelijke oplossing. Verweerster heeft bij brief van 24 november 2000 aangeven akkoord te gaan met de voorgestelde tijdelijke oplossing

- dat een Stichting Administratiekantoor Intereffekt Commissionairs (hierna: de Stichting AK) zal worden opgericht waarin het rechtstreekse belang van eiseres III in het aandelenkapitaal van Intereffekt Commissionairs zal worden ondergebracht, waarna de Stichting AK de aandelen Intereffekt Commissionairs zal certificeren die daarna zullen worden gehouden door eiseres III. Als bijzondere voorwaarde heeft verweerster hierbij gesteld dat eiseres III niet kan overgaan tot het royeren van de certificaten, tenzij zij beschikt over een verklaring van geen bezwaar van verweerster dan wel tenzij Intereffekt Commissionairs niet langer een vergunning op grond van artikel 7 van de Wte 1995 behoeft;

- dat in het bestuur van de Stichting AK de heren Deuzeman en Wijma plaatsnemen;

- dat de vervreemdingstermijn als bedoeld in het besluit van 22 augustus 2000, kenmerk 1345MSN, onder voorwaarden wordt verlengd tot 22 februari 2001, waarbij verweerster erop gewezen heeft dat eiser II en eiseres III verplicht zijn hun economische belang (waaronder mede begrepen worden gecertificeerde aandelen) in Intereffekt Commissionairs te vervreemden. Verweerster heeft dit laatste standpunt bij brief van 20 december 2000 herhaald.

Verweerster heeft bij brief van 19 januari 2001 Intereffekt Commissionairs bericht dat zij de maatregel van stille curatele per 22 januari 2001 zal beëindigen, omdat zij uit haar contact met de stille curatoren begrepen heeft dat de situatie bij Intereffekt Commissionairs voldoende hersteld is. Daarnaast heeft verweerster bij besluit van 19 januari 2001 de aan Intereffekt Commissionairs verleende vergunning als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Wte 1995 uitgebreid in die zin dat Intereffekt Commissionairs met ingang van die datum een vergunning heeft voor het in of vanuit Nederland aanbieden en/of verrichten van effectendiensten als bedoeld in artikel 1, onder h, sub 1, 2, 3 en 8b van de NR 1999.

Bij besluit van 22 januari 2001 heeft verweerster aan de Stichting AK een verklaring van geen bezwaar verleend voor het houden van een rechtstreekse deelneming van 72% in het aandelenkapitaal van Intereffekt Commissionairs en het uitoefenen van de daaraan verbonden zeggenschap.

Bij besluiten I, II en III heeft verweerster de bezwaren tegen de in rubriek 1 genoemde primaire besluiten van 22 augustus 2000 ongegrond verklaard.

Bij brief van 19 februari 2001 heeft verweerster eiser II en eiseres III erop gewezen dat de nadere termijn, gegeven bij brief van 24 november 2000, bijna verstreken was en dat zij nog niets vernomen had over vervreemding van het economisch belang van eiser II en eiseres III in Intereffekt Commissionairs of over sluiting van een intentieverklaring over de verkoop van dit belang. Namens eiser II is bij brief van 6 maart 2001 aan verweerster bericht dat hij 72% van zijn middels eiseres III in Intereffekt Commissionairs gehouden aandelenbelang op 5 maart 2001 in de Stichting AK heeft ondergebracht, welke stichting is overgegaan tot certificering van die aandelen (met eiseres III als enige certificaathouder), zodat eiser II geen zeggenschap en economisch belang meer in Intereffekt Commissionairs heeft en hij niet langer onderworpen is aan de bepalingen in de Wte 1995 met betrekking tot gekwalificeerde deelnemingen. Daarnaast heeft eiser II in deze brief gesteld dat hij niettemin onverminderd zal trachten zijn aandelenpakket te vervreemden.

Verweerster heeft op 26 maart 2001 aan eiser II en aan eiseres III bericht dat zij op die dag aangifte bij het Openbaar Ministerie heeft gedaan van het feit dat zij een gekwalificeerde deelneming hielden in een effecteninstelling zonder in het bezit te zijn van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Wte 1995.

Eveneens op 26 maart 2001 heeft verweerster jegens eiser II en eiseres III de in rubriek 1 vermelde primaire last-onder-dwangsombesluiten genomen teneinde te bewerkstelligen dat zij het door eiser II middellijk via eiseres III gehouden aandelenbelang in Intereffekt Commissionairs binnen vier weken tot maximaal 5% zouden terugbrengen.

Namens eiser II en eiseres III is op 20 april 2001 te kennen gegeven dat dit aandelenkapitaal door voornoemde certificering reeds op 5 maart 2001 tot 5% was teruggebracht.

Bij besluiten van 7 mei 2001 (als nadien gewijzigd) heeft verweerster jegens eiser II en eiseres III de eveneens in rubriek 1 vermelde primaire last-onder-dwangsombesluiten genomen teneinde te bewerkstelligen dat zij het door eiser II middellijk via eiseres III gehouden belang in Intereffekt Commissionairs binnen vier weken tot maximaal 5% zouden terugbrengen.

Verweerster heeft op 5 juni 2001 aan de Stichting Beheer Certificaten Intereffekt Commissionairs (hierna: de Stichting Beheer) een verklaring van geen bezwaar verleend voor het houden van een gekwalificeerde deelneming in Intereffekt Commissionairs. De certificaten van aandelen die eiser II middels eiseres III in Intereffekt Commissionairs hield, zijn op dezelfde dag overgedragen aan deze Stichting Beheer. Op grond hiervan heeft verweerster eiser II en eiseres III op 12 juni 2001 bericht dat is voldaan aan de last onder dwangsom van 7 mei 2001, zoals gewijzigd bij besluit van 17 mei 2001, en dat geen dwangsommen zijn verbeurd.

Verweerster heeft bij de besluiten IV en V de bezwaren van eiseres III respectievelijk eiser II ongegrond verklaard.

De beroepen zijn gericht tegen de besluiten I tot en met V.

2.3. De stellingen van partijen

Verweerster heeft in de besluiten I tot en met III het volgende overwogen:

"De STE heeft in haar brief van 8 februari 2001 (kenmerk: JZ-5372JMvG) aan Intereffekt, haar oordeel met betrekking tot betrouwbaarheid en deskundigheid zoals neergelegd in artikel 10 van het Besluit toezicht effectenverkeer 1995, zoals uitgesproken in haar beslissing van 21 augustus 2000 (kenmerk: 1336MSN), niet gewijzigd. Met de inhoud van deze beschikking wordt u bekend verondersteld.

De STE is van oordeel dat u - gezien het oordeel van het STE omtrent uw deskundigheid en betrouwbaarheid - als houder van de deelneming een ongewenste invloed kan hebben op de gezonde of prudente bedrijfsvoering van Intereffect.

Op grond van het voorgaande voldoet u niet meer aan de bij of krachtens de Wte 1995 gestelde regels (artikel 20 onder f Wte 1995).

Het bovenstaande staat eraan in de weg dat u een gekwalificeerd belang houdt in enige vergunninghoudende effecteninstelling. ".

Verweerster heeft de besluiten IV en V gegrond op de overweging dat de betreffende certificaten belangen zijn, die aangemerkt moeten worden als gekwalificeerde deelnemingen. Primair heeft verweerster in dit kader overwogen dat het aanhouden van certificaten van aandelen ter hoogte van 72% van het aandelenkapitaal van Intereffekt Commissionairs, een kapitaalbelang zonder stem- of zeggenschap oplevert als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder 10, van de Richtlijn 93/22/EEG (hierna: Richtlijn 93/22) en in artikel 1, aanhef en onder f, van de Wte 1995. Subsidiair heeft verweerster in dit kader overwogen dat met die certificering sprake is van invloed van betekenis als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder 10, van de Richtlijn 93/22. In beide gevallen is sprake van een handelen in strijd met het bepaalde in artikel 16, eerste lid, van de Wte 1995.

De aangevoerde grieven tegen de besluiten I, II en III komen er samengevat op neer dat verweerster enerzijds een verkeerde beoordelingsmaatstaf heeft aangelegd bij de toepassing van artikel 20, aanhef en onder f, van de Wte 1995 in verbinding met artikel 16, vierde lid, van de Wte 1995 en dat verweerster anderzijds ten onrechte heeft aangenomen dat eisers I en II niet langer voldoen aan eisen van deskundigheid en betrouwbaarheid. De aangevoerde grieven tegen de besluiten IV en V zien op de vraag of ten tijde van de bestreden besluiten nog wel sprake was van gekwalificeerde deelneming door eiseres III en eiser II in Intereffekt Commissionairs en, zo ja, op de vraag of verweerster desalniettemin niet tot dwangsomoplegging heeft mogen over gaan.

In haar verweerschriften heeft verweerster gemotiveerd gepersisteerd bij haar besluiten I tot en met V.

2.4. Ten aanzien van de besluiten I, II en III

2.4.1. Het bij en krachtens de wet geldende kader

In artikel 1, aanhef en onder f, van de Wte 1995 wordt "gekwalificeerde deelneming" gedefinieerd als het houden van een rechtstreeks of middellijk belang van meer dan 5 procent van het geplaatste aandelenkapitaal van een onderneming of instelling, of het rechtstreeks of middellijk kunnen uitoefenen van meer dan 5 procent van de stemrechten in een onderneming of instelling, of het rechtstreeks of middellijk kunnen uitoefenen van een daarmee vergelijkbare zeggenschap in een onderneming of instelling.

Ingevolge artikel 7 van de Wte 1995 is het verboden zonder vergunning als effectenbemiddelaar of vermogensbeheerder in of vanuit Nederland diensten aan te bieden of te verrichten.

Ingevolge het vierde lid verleent de Minister van Financiën, op verzoek, een vergunning als bedoeld in het eerste lid, indien de aanvrager aantoont dat wordt voldaan aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels ten aanzien van:

a. deskundigheid en betrouwbaarheid;

b. financiële waarborgen, al dan niet tevens op geconsolideerde basis;

c. bedrijfsvoering en vestiging van het hoofdkantoor;

d. aan het publiek te verstrekken informatie; en

e. waarborgen voor een adequaat toezicht op de naleving van de bij of krachtens deze wet gestelde

regels.

Het is op grond van artikel 16, eerste lid, van de Wte 1995, verboden om zonder verklaring van geen bezwaar een gekwalificeerde deelneming in een effecteninstelling, waaraan een vergunning is verleend op grond van artikel 7, vierde of zesde lid, te houden, te verwerven of te vergroten van dan wel enige zeggenschap verbonden aan een gekwalificeerde deelneming uit te oefenen.

Een verklaring van geen bezwaar voor een handeling als bedoeld in artikel 16, eerste lid, Wte 1995, wordt ingevolge artikel 16, vierde lid, van de Wte 1995, desgevraagd verleend, tenzij de Minister van Financiën van oordeel is dat de handeling zou leiden of zou kunnen leiden tot een invloed op de effecteninstelling die in strijd is met een gezonde of prudente bedrijfsvoering van die instelling.

Ingevolge artikel 16, achtste lid, van de Wte 1995 maakt, - voorzover hier van belang - ingeval het houden van een gekwalificeerde deelneming in een effecteninstelling als bedoeld in het eerste lid is verricht zonder dat voor die handeling een verklaring van geen bezwaar is verkregen, de in overtreding zijnde natuurlijke persoon of rechtspersoon binnen een door de Minister van Financiën te bepalen termijn de verrichte handeling ongedaan, onderscheidenlijk neemt hij de beperkingen alsnog in acht. Deze verplichting vervalt op het tijdstip waarop en voorzover voor de desbetreffende handeling alsnog een verklaring van geen bezwaar wordt verleend dan wel de niet in acht genomen beperkingen worden ingetrokken.

Op grond van artikel 20, aanhef en onder f, van de Wte 1995 kan de Minister van Financiën een op grond van artikel 16 verleende verklaring van geen bezwaar wijzigen of intrekken dan wel daaraan nadere beperkingen stellen of nadere voorschriften verbinden, indien de houder niet meer voldoet aan bij of krachtens deze wet gestelde regels of beperkingen of gegeven voorschriften.

De Minister van Financiën heeft op grond van artikel 40 van de Wte 1995 zijn hierboven beschreven taken en bevoegdheden overgedragen aan verweerster.

Artikel 10 van het mede op artikel 7, vierde lid, van de Wte 1995 gebaseerde Bte 1995 luidt als volgt:

"1. Een ieder die een effecteninstelling krachtens wet, statuten of reglementen vertegenwoordigt dan wel het dagelijks beleid van een effecteninstelling bepaalt, dient naar het oordeel van de toezichthoudende autoriteit voldoende deskundig te zijn in verband met de bedrijfsvoering van de effecteninstelling.

2. De betrouwbaarheid van de in het eerste lid bedoelde personen, de personen die het dagelijks beleid van de effecteninstelling mede bepalen en de personen die rechtstreeks of middellijk bevoegd zijn de in het eerste lid bedoelde personen te benoemen of te ontslaan, dient naar het oordeel van de toezichthoudende autoriteit buiten twijfel te staan.".

Ingevolge artikel 11 van het Bte 1995 mag de houder van een gekwalificeerde deelneming in een effecteninstelling naar het oordeel van de toezichthoudende autoriteit op grond van die deelneming geen invloed hebben of kunnen hebben die in strijd is met een gezonde of prudente bedrijfsvoering van die instelling.

2.4.2. Beoordeling

Verweerster heeft de besluiten I tot en met III gebaseerd op hetzelfde feitencomplex dat zij heeft vastgesteld bij haar ten aanzien van Intereffekt Commissionairs op 20 augustus 2000 genomen besluit, welk besluit zij heeft gehandhaafd bij besluit van 8 februari 2001, met kenmerk JZ-5372JMvG. Met dat rechtens onaantastbaar geworden besluit op bezwaar is tussen verweerster en Intereffekt Commissionairs vast komen te staan dat eisers I en II onmiddellijk als bestuurders van Intereffekt Commissionairs dienden terug te treden. Met het rechtens onaantastbaar geworden besluit op bezwaar van DNB van 9 februari 2001 is tussen DNB en Intereffekt Commissionairs in rechte vast komen te staan dat de diverse Intereffekt beleggingsinstellingen niet langer bestuurd mochten worden door Intereffekt Commissionairs.

De rechtbank ziet zich allereerst ambtshalve gesteld voor de vraag of de feiten en omstandigheden, welke in bovengenoemde besluiten uitdrukkelijk aan het gedragsoordeel omtrent de deskundigheid en betrouwbaarheid van eisers I en II (als bestuurders van Intereffekt Commissionairs) ten grondslag zijn gelegd, als vaststaand moeten worden aangenomen en thans bij de beoordeling van de intrekking van de verklaringen van geen bezwaar niet opnieuw als punten van geschil kunnen worden beoordeeld, nu Intereffekt Commissionairs haar beroep heeft ingetrokken en bovengenoemde besluiten rechtens onaantastbaar zijn geworden. Hoewel die beslissingen en de daaraan verbonden rechtsgevolgen van de heenzending van eisers als bestuurders formele rechtskracht hebben verkregen en erga omnes werken, gaat het in de onderhavige besluiten I tot en met III strikt genomen niet om dezelfde partijen, nu eisers I en II niet met Intereffekt Commissionairs kunnen worden vereenzelvigd. Dit betekent dat de op hetzelfde feitencomplex steunende opvattingen van DNB en verweerster omtrent de betrouwbaarheid en deskundigheid van eisers I en II slechts rechtens verbindend zijn in de verhoudingen tussen DNB, verweerster en Intereffekt Commissionairs.

Blijkens de overwegingen van de besluiten I tot en met III en de gelijktijdigheid van de besluitvorming heeft het onderhavige betrouwbaarheidsoordeel door verweerster niet plaatsgevonden op basis van een voorafgaand (inmiddels onherroepelijk) toezichtsantecedent, te weten de heenzending van eisers I en II als bestuurders. Mitsdien kan evenmin in Bijlage C van de "Beleidsregel inzake de betrouwbaarheidstoetsing van (kandidaat)(mede)beleidsbepalers en houders van gekwalificeerde deelnemingen in onder toezicht staande instellingen" (hierna: Beleidsregel betrouwbaarheidstoetsing) grond worden gevonden voor de opvatting dat het onderliggende feitencomplex niet langer ter beoordeling staat.

Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

Verweerster heeft bij de in rubriek 1 vermelde primaire besluiten van 22 augustus 2000 de op basis van artikel 16, eerste lid, van de Wte 1995 verleende verklaringen van geen bezwaar ingetrokken en deze intrekking bij de besluiten I, II en III gehandhaafd. Nu het ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Wte 1995 verboden is om een gekwalificeerde deelneming te houden zonder een dergelijke verklaring, heeft verweerster bij die besluiten geweigerd haar primaire besluiten te herroepen, inhoudende dat eisers I en II gelast worden hun rechtstreeks dan wel middellijk gehouden gekwalificeerde deelneming in Intervaluta en/of Intereffekt Commissionairs binnen de door haar gestelde termijn van drie maanden te beëindigen door het vervreemden van hun wederzijdse belang.

Blijkens artikel 20, aanhef en onder f, van de Wte 1995 is verweerster bevoegd een verklaring van geen bezwaar in te trekken, indien de houder van een dergelijke verklaring niet meer aan de bij en krachtens de Wte 1995 gestelde eisen voldoet. Verweerster acht zich bevoegd de in 1996 aan eisers verleende verklaringen in te trekken, omdat naar haar oordeel eisers I en II niet meer aan de eisen van betrouwbaarheid en deskundigheid als bedoeld in artikel 10 van het Bte 1995 voldoen. Verweerster baseert dit oordeel op de conclusies die zij heeft verbonden aan haar bevindingen uit het onderzoek, dat zij van januari tot april 2000 bij Intereffekt Commissionairs heeft ingesteld.

De bevindingen, zoals deze in rubriek 2.2 van deze uitspraak onder a. en c. zakelijk zijn weergegeven, rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank verweersters conclusie dat de betrouwbaarheid van eisers I en II niet buiten twijfel staat.

De rechtbank heeft hierbij allereerst in aanmerking genomen dat de feitelijke bevindingen van het onderzoek van verweerster met betrekking tot:

- de gebrekkige administratie/interne controle (ao/ic) bij Intereffekt Commissionairs (het onvolledig of in het geheel niet beschrijven van de ao/ic, het niet nummeren van ordertickets, het niet vermelden op het orderticket van het tijdstip waarop orders werden opgegeven en uitgevoerd, het regelmatig te laat toewijzen aan cliënten van futures bij collect-orders nadat de openings- en sluitingstransacties uitgevoerd waren en het resultaat op die transacties bij Intereffekt Commissionairs bekend was waardoor de mogelijkheid gecreëerd werd winst- dan wel verliesgevende transacties toe te delen); en

- de door eisers I en II verrichte privé-transacties (het in strijd met de "Regeling met betrekking tot privé-transacties door Insiders" van Amsterdam Exchanges N.V. en - vanaf 1 februari 1999 - met de "Nadere Regeling toezicht effectenverkeer 1999" verrichten van "intradag"-transacties, het door eiser I verrichten van een excessief aantal en qua aard speculatieve transacties en het zonder adequate administratieve scheiding door eiser II handelen in dezelfde fondsen als die waarin hij voor cliënten handelde);

niet dan wel onvoldoende gemotiveerd door eisers zijn weersproken; ook overigens is de rechtbank niet gebleken dat deze bevindingen feitelijk onjuist zijn. Deze bevindingen leveren diverse ernstige strijdigheden op met hetgeen is neergelegd in bijlage 3 en/of bijlage 4 van de NR 1999.

Verweerster heeft het overtreden van deze regels ten grondslag kunnen en mogen leggen aan haar conclusie dat gerede twijfel bestaat aan de betrouwbaarheid van de persoon van eisers, welk oordeel eisers zowel in hun functioneren als bestuurders als in hun hoedanigheid van grootaandeelhouders van de hier aan de orde zijnde effecteninstellingen raakt.

Overigens hebben eisers daarnaast de door verweerster vastgestelde feiten ten aanzien van de door Intereffekt Commissionairs verrichte marktregulerende activiteiten niet (voldoende gemotiveerd) weersproken, behoudens ten aanzien van de conclusie dat deze handelwijze een stelselmatige benadeling van de in het beleggingsfonds IJW deelnemende beleggers tot gevolg had en de ontkenning door verweerster dat DNB met deze wijze van marktregulering instemde.

De rechtbank kan en zal daarlaten wat hiervan zij. Wel staat vast dat eiser II verweerster tijdens het onderzoek naar de marktregulering en de vaststelling van de datum en het tijdstip van het faxen aan Kempen & Co. N.V. van de ordertickets met betrekking tot royering en afgifte van deelnemingsbewijzen in het beleggingsfonds IJW op 28 april 2000 heeft misleid, hetgeen ook hier gerede twijfel aan zijn integriteit doet ontstaan.

In dit verband neemt de rechtbank voorts in aanmerking dat de zojuist bedoelde bevindingen evident gedragingen opleveren als bedoeld in de artikelen 1 en 2 van de Beleidsregel betrouwbaarheidstoetsing. Deze beleidsregel, die gezamenlijk door verweerster, DNB, de Stichting Verzekeringskamer en de Minister van Financiën is vastgesteld, is gepubliceerd in de Staatscourant van 19 april 2000, nummer 2000, 78, en is derhalve voorafgaand aan de bestreden besluiten openbaar gemaakt. De in deze beleidsregel gegeven uitleg van het begrip betrouwbaarheid en het gevoerde beleid inzake de vaststelling van de feiten en de wijze waarop deze worden geïnterpreteerd, acht de rechtbank noch onjuist noch onredelijk.

Ingevolge artikel 20, aanhef en sub f, van de Wte 1995 komt verweerster de bevoegdheid toe om de aan eisers in 1996 verleende verklaringen van geen bezwaar in te trekken, indien en voorzover:

a. eisers I en II ten tijde hier van belang althans onmiddellijk dan wel middellijk een gekwalificeerde deelneming in Intervaluta en/of Intereffekt Commissionairs hielden en

b. verweerster in redelijkheid van oordeel kon zijn dat deze deelneming kon leiden tot een invloed op de betreffende ondernemingen of instellingen die in strijd is met een gezonde of prudente bedrijfsvoering als bedoeld in artikel 16, vierde lid, van de Wte 1995 juncto artikel 11 van het Bte 1995.

Van een "gekwalificeerde deelneming" in de zin van de Wte 1995 is blijkens artikel 1, aanhef en sub f, van die wet sprake bij een rechtstreeks of middellijk belang van meer dan 5 procent van het geplaatste aandelenkapitaal van een onderneming of instelling, of het rechtstreeks of middellijk kunnen uitoefenen van meer dan 5 procent van de stemrechten in een onderneming of instelling, of het rechtstreeks of middellijk kunnen uitoefenen van een daarmee vergelijkbare zeggenschap in een onderneming of instelling. Onweersproken is dat ten tijde hier van belang

- eiser I onmiddellijk een belang van 20% in Intervaluta hield;

- eiser II middellijk (en wel via eiseres III) een belang van 77% in Intereffekt Commissionairs hield, en

- eiser II middellijk (en wel via eiseres III) een belang van 40% in Intervaluta hield.

Aldus hielden eisers I en II in de betreffende ondernemingen een gekwalificeerd belang in de zin van de Wte 1995. Hieraan doet niet af dat eisers hebben gesteld dat de wetgever de bepalingen van de EG-Richtlijn 93/22 (de Richtlijn beleggingsdiensten) onjuist in de Wte 1995 heeft geïmplementeerd. De rechtbank stelt vast dat de Wte 1995 geen met deze Richtlijn strijdige bepalingen bevat, terwijl die Richtlijn slechts voorziet in minimumeisen van financieel toezicht in de lidstaten, zodat de lidstaten bevoegd zijn in hun nationale regelingen strengere regels vast te stellen; dit volgt ook uit overweging 27 bij de aanhef van de Richtlijn 93/22.

Blijkens de parlementaire geschiedenis bij artikel 16 Wte 1995 ziet de beoordeling van de vraag of de houder van een gekwalificeerde deelneming geen ongewenste invloed heeft of kan hebben op de gezonde of prudente bedrijfsvoering van de effecteninstelling onder andere op de betrouwbaarheid en deskundigheid van de houder van de deelneming.

De rechtbank volgt eisers niet in hun stelling dat met een deelname van meer dan 5 procent als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder f, van de Wte 1995 op zichzelf nog niet is komen vast te staan dat eisers I en II daadwerkelijke invloed uit kunnen oefenen op de bedrijfsvoering van Intervaluta en Intereffekt Commissionairs en dat derhalve niet zonder een nadere vaststelling terzake kan worden aangenomen dat zij een invloed kunnen hebben op de bedrijfsvoering van die ondernemingen die in strijd is met een gezonde of prudente bedrijfsvoering. Uit de tekst van artikel 1, aanhef en onder 10, van de Richtlijn 93/22 respectievelijk die van artikel 1, aanhef en onder f, van de Wte 1995 blijkt dat onder een gekwalificeerde deelneming begrepen dient te worden de situatie waarin sprake is van een deelname van ten minste 10 procent respectievelijk meer dan 5 procent van het (geplaatste) aandelenkapitaal of de stemrechten of indien anderszins sprake is van een invloed van betekenis op de bedrijfsvoering respectievelijk sprake is van een zeggenschap die daarmee vergelijkbaar is. Hieruit volgt dat reeds indien aan het 5- dan wel 10 procents-criterium voldaan wordt, naar het oordeel van de terzake bevoegde regelgever sprake is van het kunnen hebben van invloed op de bedrijfsvoering van de onderneming. Uit de parlementaire geschiedenis bij de Wte 1995 volgt, anders dan van de zijde van eisers I en II is aangevoerd, niet dat de nationale wetgever heeft beoogd in artikel 16, vierde lid, van de Wte 1995 in aanvulling op en in afwijking van Richtlijn 93/22 nadere eisen voor het hebben van invloed neer te leggen. Aan de orde is slechts de vraag of gevaar bestaat dat door de houder van de deelneming gehandeld wordt in strijd met de doelstellingen van de wet.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de juistheid van de bevindingen van het bij Intereffekt Commissionairs verrichte onderzoek en het op deze bevindingen gebaseerde oordeel dat de betrouwbaarheid van eisers I en II niet langer buiten twijfel staat, kon verweerster in redelijkheid van oordeel zijn dat de gekwalificeerde deelneming van eisers I en II in Intervaluta en/of Intereffekt Commissionairs kon leiden tot een invloed op de betreffende ondernemingen die in strijd is met een gezonde of prudente bedrijfsvoering van deze ondernemingen als bedoeld in artikel 16, vierde lid, van de Wte 1995 juncto artikel 11 van het Bte 1995. Hieraan doet niet af:

- dat deze voorwaarde blijkens artikel 16, vierde lid, van de Wte 1995 als voorwaarde gesteld wordt om een verklaring van geen bezwaar toe te kunnen kennen. Indien het niet (langer) voldoen aan deze (toekennings-)voorwaarde niet tevens als grond voor intrekking van een dergelijke verklaring aangemerkt zou kunnen worden, zou dit leiden tot de onaanvaardbare consequentie dat een eenmaal toegekende verklaring van geen bezwaar niet ingetrokken zou kunnen worden indien nadien niet langer aan een van de toekenningsvoorwaarden wordt voldaan. Deze consequentie wordt door de rechtbank onaanvaardbaar geacht, omdat aldus een van de doelstellingen van de Wte 1995, namelijk het bieden van adequate bescherming aan beleggers, ondergraven zou worden;

- dat - zoals eisers hebben doen stellen - Richtlijn 93/22 niet toelaat dat voor zittende aandeelhouders die hun deelneming niet vergroten, in de nationale wetgeving de eis van gezonde en prudente bedrijfsvoering wordt verbijzonderd tot een eis ten aanzien van de betrouwbaarheid. Onjuist is de aanname dat artikel 9, eerste lid in verbinding met het vijfde lid, van de Richtlijn 93/22 aldus uitgelegd zou moeten worden dat de bevoegde autoriteiten slechts dan passende maatregelen met het oog op een gezonde en prudente bedrijfsvoering mogen treffen indien sprake is van een voornemen tot het verwerven van een gekwalificeerde deelneming. De rechtbank wijst in dit verband op het bepaalde in de artikelen 3 en 4 van de Richtlijn 93/22, alsmede op overweging 26 bij de aanhef van de Richtlijn 93/22. Daarnaast voorziet die Richtlijn, zoals hiervoor reeds is overwogen, in minimumeisen van financieel toezicht in de lidstaten en zijn de lidstaten bevoegd in hun nationale regelingen strengere regels vast te stellen.

Met betrekking tot de grief van eisers dat verweersters overweging in de besluiten I en III, inhoudende dat eisers I en II als houders van een gekwalificeerde deelneming in Intervaluta een ongewenste invloed zouden kunnen hebben op de gezonde of prudente bedrijfsvoering van Intereffekt Commissionairs, onbegrijpelijk is, overweegt de rechtbank dat die besluiten op dit onderdeel een kennelijke verschrijving bevatten. In de betreffende passage van deze besluiten moet klaarblijkelijk onder Intereffekt worden verstaan Intervaluta.

Uit al hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de grieven van eisers I en II die betrekking hebben op het betrouwbaarheidsoordeel van verweerster falen. Derhalve komt verweerster ingevolge artikel 20, aanhef en sub f, van de Wte 1995 de bevoegdheid toe om de verklaringen van geen bezwaar voor het houden van een gekwalificeerde deelneming in Intervaluta en Intereffekt Commissionairs, zoals deze in 1996 aan eisers zijn verstrekt, in te trekken. De rechtbank kan en zal daarom in het midden laten of verweerster gevolgd kan worden in haar opvatting omtrent de deskundigheid van eiser I en II.

De wijze waarop verweerster van haar bevoegdheid gebruik heeft gemaakt, acht de rechtbank niet in strijd met enige geschreven of ongeschreven rechtsregel. Met name kan van deze wijze niet gezegd worden dat het voor eisers nadelige gevolg van de intrekkingen van de verklaringen van geen bezwaar onevenredig is in verhouding tot de met die besluiten te dienen doelen, welke doelen overeenstemmen met het doel van de Wte 1995, te weten het adequaat functioneren van effectenmarkten en de bescherming van de beleggers op die markten. Naast de aan dergelijke intrekkingen inherente nadelige gevolgen voor eisers hebben zij geen specifieke, op hun individuele situaties betrekking hebbende omstandigheden gesteld, die zouden nopen tot het geven van prioriteit aan hun individuele belangen boven het met de bestreden besluiten gediende algemene belang.

De consequentie van het niet nakomen van de verbodsregeling ex artikel 16, vierde lid, van de Wte 1995 dient te zijn, dat de verboden deelneming alsnog ongedaan wordt gemaakt, zoals in artikel 16, achtste lid, van de Wte 1995 is bepaald. De rechtbank overweegt in dit verband dat verweerster bij de bestreden besluiten onjuist noch onredelijk heeft gehandeld door eisers I en II een termijn van drie maanden te gunnen om hun belangen te vervreemden.

De rechtbank zal de beroepen tegen de besluiten I, II, III dan ook ongegrond verklaren.

2.5. Ten aanzien van de besluiten IV en V

2.5.1. Het bij en krachtens de wet geldende kader

Ingevolge artikel 48b, eerste lid, van de Wte 1995 kan de Minister van Financiën een last onder dwangsom opleggen ter zake van onder meer de overtreding van voorschriften, gesteld bij of krachtens artikel 16, eerste, derde, zevende, achtste en tiende lid. Ingevolge het tweede lid van die bepaling zijn de artikelen 5:32, tweede tot en met vijfde lid, en 5:33 tot en met 5:35 van de Awb van toepassing.

De Minister van Financiën heeft op grond van artikel 40 van de Wte 1995 zijn zojuist bedoelde bevoegdheid aan verweerster overgedragen.

2.5.2. Beoordeling

De rechtbank overweegt allereerst dat verweerster na de aan eiser II en eiseres III gerichte dwangsombesluiten van 26 maart 2001 nieuwe dwangsombesluiten heeft genomen en wel bij de twee besluiten van 7 mei 2001. In die laatste besluiten wordt niet langer gesproken over het terugbrengen van het "middellijk aandelenbelang" van eiser II en het "rechtstreekse aandelenbelang" van eiseres III in Intereffekt Commissionairs tot 5 procent, maar over het terugbrengen van hun "deelneming" respectievelijk "belang" in die onderneming tot 5 procent.

Verweerster heeft beide dwangsombesluiten van 7 mei 2001 genomen, nadat haar bij faxbericht van 20 april 2001 bericht was dat eiseres III van de 77% van de aandelen in Intereffekt Commissionairs, die zij voor eiser II hield, per 5 maart 2001 een zodanig aantal aan de Stichting AK had overgedragen dat zij nog slechts 5% van die aandelen hield. De Stichting AK had van de aan haar overgedragen aandelen certificaten aan eiseres III verstrekt.

Met deze nieuwe besluiten van 7 mei 2001 heeft verweerster tot uitdrukking willen brengen dat er naar haar oordeel nog steeds sprake was van een gekwalificeerde deelneming van eiser II via eiseres III in Intereffekt Commissionairs; met de besluiten van 7 mei 2000 heeft verweerster beoogd dat eiser II en eiseres III die met de Wte 1995 strijdige situatie alsnog ongedaan zouden maken. Bij deze besluiten heeft verweerster aan eiser II en eiseres III een termijn van twee respectievelijk vier weken gesteld waarbinnen zij aan deze strijdige situatie een einde dienden te maken. De besluiten van 7 mei 2001 zijn derhalve op zelfstandig rechtsgevolg gericht en als zodanig te zien als besluiten in de zin van artikel 1:3 van de Awb.

Ter zitting is namens verweerster verklaard dat zij niet beoogd heeft de besluiten van 26 maart 2001 in te trekken dan wel te wijzigen. Dit impliceert dat verweerster nog besluiten zal moeten nemen op de bezwaren die namens eiser II en eiseres III tegen de hen betreffende besluiten zijn gemaakt. De bestreden besluiten IV en V betreffen immers slechts besluiten op de bezwaren, die gemaakt zijn tegen de besluiten van 7 mei 2001.

In de besluiten van 7 mei 2001 is in strijd met artikel 5:32, vierde lid, van de Awb niet het bedrag vastgesteld waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd. Verweerster heeft daarin eerst voorzien met de twee besluiten van 17 mei 2001 door de werking van de last onder dwangsom te beperken tot vier weken en de deswege maximaal te verbeuren dwangsom te stellen op f 140.000,00 (€ 63.529,23). Deze besluiten van 17 mei 2001 bevatten in zoverre een wijziging van de besluiten van 7 mei 2001 en zijn in die zin aan te merken als besluiten als bedoeld in de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb. De bezwaarschriften, gericht tegen de besluiten van 7 mei 2001, worden derhalve tevens gericht geacht tegen die besluiten.

Met het besluit van 21 mei 2001 heeft verweerster vervolgens de periode waarbinnen eiser II aan de last dient te voldoen gesteld op vier weken te rekenen vanaf 7 mei 2001. Bij dit besluit heeft verweerster derhalve de bij het jegens eiser II genomen besluit van 7 mei 2001 gestelde termijn van twee weken gewijzigd. Het besluit van 21 mei 2001 is in zoverre eveneens een besluit als bedoeld in de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb. Het bezwaar van eiser II wordt dan ook tegen deze termijnstelling gericht geacht. Dat die wijziging tegemoetkomt aan een deel van het bezwaar van eiser II doet daar niet aan af. Met het besluit van 21 mei 2001 worden immers de last en de daaraan verbonden dwangsom gehandhaafd.

Het besluit van 22 mei 2001 behelst tenslotte de mededeling aan eiseres III dat de werking van de last onder dwangsom wordt beperkt tot vier weken en dat de te verbeuren dwangsom wordt beperkt tot maximaal f 140.000,00 (€ 63.529,23). Met deze brief, waarin een bezwaarclausule is opgenomen, heeft verweerster slechts haar eerdere, aan eiseres III gerichte, besluit van 17 mei 2001 herhaald. Dit nadere besluit van 22 mei 2001 is dan ook niet op enig zelfstandig rechtsgevolg gericht en kan dan ook niet worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb.

Gelet op het voorgaande dient de rechtbank derhalve thans de vraag te beantwoorden of de besluiten IV en V in rechte stand kunnen houden, bij welke besluiten verweerster de bezwaren van eiser II en eiseres III ongegrond heeft verklaard tegen haar aldus te begrijpen besluiten om hen de last op te leggen dat zij binnen vier weken, te rekenen vanaf 7 mei 2001, de deelneming die eiseres III voor eiser II in Intereffekt Commissionairs houdt, dienen terug te brengen tot 5 procent, bij gebreke waarvan zij beiden ten gunste van verweerster een dwangsom verbeuren van f 5.000,00 (€ 2.268,90) per dag met een maximum van f 140.000,00 (€ 63.529,23).

Verweerster heeft in haar aan eiser II en aan eiseres III gerichte brieven van 12 juni 2001 bericht dat, nu eiseres III de door haar voor eiser II gehouden certificaten van aandelen in Intereffekt Commissionairs op 5 juni 2001 aan de Stichting Beheer had overgedragen en nu deze Stichting een verklaring van geen bezwaar was verleend voor het houden van een gekwalificeerde deelneming in die onderneming, aan de lasten onder dwangsom als vervat in de besluiten van 7 mei 2001 (lees: en zoals nadien gewijzigd) was voldaan en dat eiser II noch eiseres III een dwangsom verschuldigd was.

De rechtbank ziet hierin geen reden om te oordelen dat eiser II en eiseres III geen belang meer hebben bij een beslissing op hun beroep tegen de besluiten IV en V. Zij hebben in zoverre belang bij hun respectievelijke beroepen behouden dat zij, indien zou worden geoordeeld dat de besluiten IV en V geen stand kunnen houden, verweerster aansprakelijk zouden kunnen houden voor de schade die zij eventueel als gevolg van die besluiten hebben geleden of nog zullen lijden. Van belang hierbij is dat de stelling van eiser II en eiseres III dat zij ten gevolge van die besluiten schade hebben geleden, niet bij voorbaat ongegrond kan worden geacht.

Eiser II en eiseres III stellen beiden dat verweerster ten onrechte het (al dan niet rechtstreeks) houden van certificaten van 72 procent van de aandelen van Intereffekt Commissionairs op één lijn stelt met een gekwalificeerde deelneming als bedoeld in de Wte 1995. Gelet op artikel 1, aanhef en onder f, van de Wte 1995 ligt aldus de vraag voor of het houden van certificaten van 72 procent van de aandelen van Intereffekt Commissionairs (al dan niet in combinatie met bezit van 5 procent van de aandelen van die instelling) te zien valt als een rechtstreeks of middellijk belang van meer dan 5 procent van het geplaatste aandelenkapitaal van die onderneming, of het rechtstreeks of middellijk kunnen uitoefenen van meer dan 5 procent van de stemrechten in die onderneming, of het rechtstreeks of middellijk kunnen uitoefenen van een daarmee vergelijkbare zeggenschap in die onderneming.

Anders dan eiseres III en eiser II aanvoeren, dient in dit verband geen aansluiting gezocht te worden bij de belastingrechtspraak van de Hoge Raad terzake de vraag of en in welk gevallen de economische eigendom van aandelen middellijk of onmiddellijk aandeelhouderschap als bedoeld in de artikelen 8 en 13 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 oplevert. De vraag die thans voorligt, is een andere. Immers, in artikel 1, aanhef en onder f, van de Wte 1995, evenals overigens in artikel 1, aanhef en onder 10, van de Richtlijn 93/22, wordt onderscheid gemaakt tussen het (rechtstreeks of middellijk) houden van een bepaald procentueel belang in aandelenkapitaal, het (rechtstreeks of middellijk) kunnen uitoefenen van een bepaalde percentage van de stemrechten en het (rechtstreeks of middellijk) kunnen uitoefenen van een bepaalde invloed.

Gelet op de omstandigheden op 17 mei 2001:

- dat de Stichting AK 72% van het geplaatste aandelenkapitaal in Intereffekt Commissionairs hield;

- dat deze Stichting aan eiseres III certificaten voor deze aandelen had verstrekt;

- dat eiser II alle aandelen in eiseres III hield (en overigens nog steeds houdt); en

- dat eiser II (middellijk, via eiseres III) 5% van het geplaatste aandelenkapitaal in Intereffekt Commissionairs in eigendom had (en overigens nog steeds heeft),

is de rechtbank met verweerster van oordeel dat op die datum eiser II en eiseres III middellijk respectievelijk onmiddellijk een belang van meer dan 5% en aldus een gekwalificeerde deelneming in Intereffekt Commissionairs hielden, waarbij er niet aan voorbij gezien mag worden dat in artikel 1, aanhef en onder f, van de Wte 1995 niet over "aandelenbelang", maar over "belang" wordt gesproken. Daarmee heeft de wetgever (in navolging van de Europese regelgever) de economische gerechtigdheid in de onderneming als toetsingscriterium gesteld en niet de wijze waarop aan deze economische gerechtigdheid juridisch vorm is gegeven. Aan het terminologische verschil in beide definities in de Richtlijn beleggingsdiensten en de Wte 1995 ("kapitaal" tegenover "aandelenkapitaal") kan, gelet op het ontbreken van een nadere toelichting bezien tegen de achtergrond van de doelstelling van de Wte 1995, geen doorslaggevende betekenis worden toegekend. De rechtbank is dan ook met verweerster van oordeel dat de certificering van de aandelen door de Stichting AK, zoals deze op 5 maart 2001 heeft plaatsgevonden, niet heeft weggenomen dat eiseres III en eiser II een rechtstreeks respectievelijk middellijk belang van meer dan 5 procent in Intereffekt Commissionairs zijn blijven houden. Dat eiser II en eiseres III hun rechtstreekse respectievelijk middellijke stemrecht van meer dan 5 procent aan de Stichting AK hebben overgedragen, kan daar niet aan afdoen nu ingevolge artikel 1, aanhef en onder f, van de Wte 1995, zoals hiervoor is overwogen, belang en stemrecht afzonderlijk moeten worden bezien.

De rechtbank heeft hiervoor bij haar beoordeling van besluit II reeds geoordeeld dat verweerster heeft kunnen besluiten

- tot intrekking van de aan eiser II verleende verklaring van geen bezwaar voor het houden van een middellijke deelneming in Intereffekt Commissionairs;

- dat eiser II deze deelneming, die door eiseres III voor hem werd gehouden, binnen drie maanden diende te vervreemden.

Nu eiser II op 17 mei 2001 niet aan laatstbedoeld besluit had voldaan, was verweerster ingevolge artikel 48b, eerste lid, juncto artikel 40 van de Wte 1995 bevoegd aan eiser II en aan eiseres III de hiervoor nader omschreven lasten onder dwangsom op te leggen. Ingevolge artikel 5:13 van de Awb is verweerster gehouden van deze bevoegdheid slechts gebruik te maken voorzover dat redelijkerwijs voor de vervulling van haar taak nodig is. Hierbij geldt dat het - behoudens bijzondere omstandigheden - onjuist noch onredelijk is te achten dat verweerster in een geval waarin wordt gehandeld in strijd met een rechtmatig gegeven besluit in het belang van de handhaving van dat besluit, besluit tot het doen uitgaan van een aanschrijving onder oplegging van een dwangsom.

Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerster in het onderhavige geval van het opleggen van lasten-onder-dwangsom had behoren af te zien, is niet gebleken. Met name is niet gebleken dat de dwangsomopleggingen met het oog op de naleving van besluit II redelijkerwijs niet noodzakelijk waren. Gelet op het tijdsverloop tot 17 mei 2001 kon verweerster in redelijkheid de opvatting toegedaan zijn dat eiser II niet zonder nadere maatregelen zijn (door eiseres III gehouden) middellijke belang in Intereffekt Commissionairs zou vervreemden. Voorts is, met name gelet op de eerder aangehaalde doelstelling van de Wte 1995, niet gebleken dat het voor eiseres III en eiser II nadelige gevolg van de (handhaving van de) last-onder-dwangsom besluiten onevenredig is in verhouding tot de met die besluiten te dienen doelen. Hetgeen van de zijde van eiser II en eiseres III naar voren is gebracht kan hier niet aan afdoen.

Met betrekking tot de hoogte van de dwangsom merkt de rechtbank op dat het bij het opleggen van een last onder dwangsom gaat om een handhavingsmaatregel die geen verdergaande strekking heeft dan het bewerkstelligen van hetgeen uit de juiste toepassing van een rechtmatig gegeven besluit dan wel van bij of krachtens de wet gestelde voorschriften voortvloeit. Het opleggen van een dwangsom is niet te beschouwen als het toebrengen van een verdergaande benadeling dan die welke voortvloeit uit het enkel doen naleven van bedoeld besluit dan wel van bedoelde voorschriften. In dit opzicht kan de maatregel dan ook niet worden aangemerkt als een punitieve sanctie als bedoeld in artikel 6, tweede en derde lid, van het EVRM, zodat die maatregel slechts getoetst kan worden aan het in artikel 5:13 van de Awb neergelegde evenredigheidsbeginsel en er geen aanleiding bestaat voor een indringender toetsing van de hoogte van de dwangsom aan de in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb besloten liggende evenredigheidsmaatstaf.

In dit verband dient voorts het tot het opleggen van de dwangsom bevoegde orgaan bij de vaststelling van het bedrag van de dwangsom de beoogde werking van de dwangsomoplegging in acht te nemen alsook de maatstaf dat het vastgestelde bedrag in redelijke verhouding moet staan tot de zwaarte van het gelaedeerde belang. Deze maatstaf biedt naar zijn strekking ruimte voor een bestuurlijke afweging van belangen bij het bepalen van de hoogte van de dwangsom. De wijze waarop verweerster gebruik heeft gemaakt van deze beoordelingsvrijheid, dient door de rechtbank dan ook terughoudend getoetst te worden. Daarbij dient de rechtbank zich te beperken tot beantwoording van de vraag of sprake is van een zodanige onevenwichtigheid in de afweging van de betrokken belangen, dat moet worden geoordeeld dat verweerster niet in redelijkheid tot haar besluit heeft kunnen komen; hierbij geldt als uitgangspunt dat verweerster de uitvoering van een aanschrijving mag verzekeren door het opleggen van een passende dwangsom.

De rechtbank ziet, gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, geen grond voor het oordeel dat verweerster niet in redelijkheid de hoogte van de dwangsommen heeft kunnen vaststellen op de in de aanschrijvingen bedoelde bedragen.

Nu de besluiten IV en V kunnen worden gedragen door de primair aan deze besluiten ten grondslag gelegde motivering, kan en zal de rechtbank daarlaten wat er zij van de grieven die zien op de subsidiaire grondslag van die besluiten. De rechtbank komt dan ook niet toe aan beoordeling van de verhouding tussen artikel 7 van de Richtlijn 88/627/EEG in verbinding met artikel 1, aanhef en onder 10, van de Richtlijn 93/22 en het laatste zinsdeel van artikel 1, aanhef en onder f, van de Wte 1995.

De rechtbank zal de beroepen tegen de besluiten IV en V dan ook ongegrond verklaren. Derhalve kan geen toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 8:73 van de Awb.

2.6. Conclusie

De beroepen tegen de besluiten I tot en met V zullen, gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, ongegrond verklaard worden.

Namens eisers is verzocht om drs. B. Verweij AA, werkzaam bij DNB te Amsterdam, ter zitting als getuige te horen. De rechtbank acht zich toereikend voorgelicht om tot de zojuist bedoelde inhoudelijke beslissing te komen. Nu zij daarbij niet is toegekomen aan een beoordeling van de marktreguleringsactiviteiten van Intereffekt Commissionairs en de rol van eisers I en II daarin en voorts DNB geen toezicht houdt op een effecteninstelling als Intereffekt Commissionairs, is zij van oordeel dat het horen van deze voorgedragen getuige redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de onderhavige beroepen. Mitsdien maakt zij gebruik van de haar in artikel 8:63, tweede lid, van de Awb gegeven bevoegdheid om af te zien van het horen van deze getuige.

De rechtbank ziet tenslotte in geen van de gedingen aanleiding voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

3. Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart de beroepen tegen de besluiten I, II, III, IV en V ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. van Zwieten als voorzitter en mr. E.F.C. Francken en mr. F. Stuurop als leden.

De beslissing is, in tegenwoordigheid van mr. drs. R. Stijnen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 september 2002.

De griffier: De voorzitter:

Afschrift verzonden op:

Belanghebbenden - onder wie in elk geval eisers worden begrepen - en verweerster kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij het College van beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.