Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2002:AE5815

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-07-2002
Datum publicatie
24-07-2002
Zaaknummer
VTELEC 02/1641 t/m 02/1643-SIMO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK TE ROTTERDAM

Voorzieningenrechter

Reg.nrs.: VTELEC 02/1641 t/m 02/1643-SIMO

Uitspraak

naar aanleiding van de verzoeken om voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met de procedures tussen

Wegener Radio en Televisie B.V., gevestigd te Amsterdam, verzoekster,

gemachtigde mr. R.P.J. Ribbert, advocaat te Amsterdam,

en

1. de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat, verweerder I,

gemachtigden mr. A.B. van Rijn en mr. A.J. Boorsma, beiden advocaat te Den Haag;

2. de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, verweerder II,

gemachtigden mr. A.B. van Rijn en mr. A.J. Boorsma.

1. Ontstaan en loop van de procedures

Verweerder II heeft op 6 mei 2002 vastgesteld de Regeling aanvraag en vergelijkende toets commerciële radio-omroep (hierna: de Regeling), bekendgemaakt in de Staatscourant van 15 mei 2002 (nr. 90).

Tegen (een onderdeel van) de Regeling heeft verzoekster bezwaar gemaakt; voorts heeft zij verzocht terzake een voorlopige voorziening te treffen.

Bij besluit van 8 mei 2002, eveneens bekendgemaakt in de Staatscourant van 15 mei 2002 (nr. 90), heeft verweerder I een bekendmaking als bedoeld in artikel 3, eerste en derde lid, van het Frequentiebesluit gedaan.

Tegen (een onderdeel van) het besluit van 8 mei 2002 heeft verzoekster bezwaar gemaakt; voorts heeft zij verzocht terzake een voorlopige voorziening te treffen.

Bij besluit van 15 mei 2002, aangevuld bij brief van 28 mei 2002, heeft verweerder I de aanvraag van verzoekster om verlenging per 1 september 2002 van de aan haar verleende vergunning voor het gebruik van de AM-(ether)frequentie 675 MHz afgewezen.

Tegen het besluit van 15 mei 2002 heeft verzoekster bezwaar gemaakt; voorts heeft zij verzocht terzake een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft de onderhavige zaken en de zaken met de reg.nrs. VTELEC 02/1169 e.a., 02/1443 e.a., 02/1479 en 02/1480, 02/1519 en 02/1520, en 02/1603-SIMO ter behandeling gevoegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juli 2002. Verzoekster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerders hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden, met bijstand van J.T.M. Derksen, werkzaam bij verweerder I, en mr. J.J.M. Stevens, werkzaam bij verweerder II.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de voorzieningenrechter de behandeling van de gevoegde zaken gedeeltelijk gesplitst. In de overige zaken wordt eveneens heden uitspraak gedaan.

2. Overwegingen

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voorzover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van (de) bestreden besluiten wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissingen op bezwaar of eventueel in de hoofdzaak.

Voor een overzicht van het toepasselijke wettelijke kader en de van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de voorzieningenrechter naar zijn – aangehechte – uitspraak van heden in de zaken met de reg.nrs. VTELEC 02/1169-SIMO e.a.

Verzoekster verzorgt, met gebruikmaking van de aan haar in het kader van pakket I krachtens artikel 17, eerste lid, van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen verleende (dan wel verlengde) machtigingen (thans: vergunningen) voor het gebruik van FM- en AM-frequenties, het landelijke commerciële radioprogramma Radio 10 FM.

Bij besluit van 15 mei 2002 heeft verweerder I de FM-vergunning van verzoekster voor de periode van 1 september 2002 tot 1 september 2003 verlengd, en wel in de vorm van een van de voor de landelijke commerciële omroep beschikbare zero base-kavels.

Bij het bestreden besluit van 15 mei 2002 heeft verweerder I de aanvraag van verzoekster om verlenging per 1 september 2002 van de aan haar verleende vergunning voor het gebruik van de AM-frequentie 675 MHz afgewezen. Die frequentie is in het besluit van 8 mei 2002 opgenomen als de kavel C02 (een van de AM-kavels ten behoeve van de landelijke commerciële omroepen).

Verzoekster beoogt te bereiken dat zij, zolang zij haar (nieuwe) FM-netwerk nog niet volledig heeft uitgerold, gebruik kan blijven maken van de AM-frequentie 675 MHz, zulks ter voorkoming van – tijdelijk – verlies van dekking.

De verzoeken om voorlopige voorziening strekken ertoe, dat het besluit van 8 mei 2002 en de Regeling voorzover betrekkend hebbend op de AM-frequentie 675 MHz worden geschorst, en dat ten aanzien van het – in bezwaar bestreden – besluit van 15 mei 2002 wordt bepaald dat verweerder I de vergunning van verzoekster voor het gebruik van die frequentie per 1 september 2002 verlengt.

De voorzieningenrechter overweegt het volgende.

Voor het treffen van een voorlopige voorziening ten aanzien van het bestreden onderdeel van de Regeling is geen aanleiding.

De beschrijving van de frequentieruimte waarop een te verlenen vergunning betrekking heeft, maakt ingevolge artikel 3, derde lid, van het Frequentiebesluit – reeds – deel uit van de bekendmaking, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van het Frequentiebesluit (in het onderhavige geval: het besluit van verweerder I van 8 mei 2002). Een belanghebbende die zich daarmee niet kan verenigen, dient dan ook tegen dat besluit bezwaar te maken. In (de bijlagen bij) de Regeling heeft verweerder II weliswaar de beschrijving van de frequentieruimte herhaald, maar deze herhaling is niet op enig rechtsgevolg gericht (en kan dat ook niet zijn), zodat terzake geen sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Het bezwaar van verzoekster tegen het bestreden onderdeel van de Regeling zal daarom niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard, zodat dit verzoek om voorlopige voorziening dient te worden afgewezen.

Het verzoek om voorlopige voorziening ten aanzien van het besluit van 8 mei 2002 komt evenmin voor toewijzing in aanmerking. Bij de uitspraak van heden in de zaken met de reg.nrs. VTELEC 0/1169-SIMO e.a. heeft de voorzieningenrechter dit besluit reeds – op andere gronden – geschorst, zodat verzoekster bij dit verzoek om voorlopige voorziening geen belang meer heeft.

Bij die uitspraak heeft de voorzieningenrechter tevens de besluiten van verweerder I van 15 mei 2002 tot verlenging per 1 september 2002 van de vergunningen van de zittende landelijke en niet-landelijke commerciële omroepen geschorst en daarbij bepaald dat verweerder I de betrokken vergunninghouders, waaronder verzoekster voorzover het haar FM-vergunning betreft, voor de periode van 1 september 2002 tot 1 februari 2003 dient te behandelen als waren hun huidige vergunningen voor die termijn verlengd.

Daargelaten de door verzoekster naar voren gebrachte argumenten, ziet de voorzieningenrechter in het voorgaande aanleiding het verzoek om voorlopige voorziening betreffende het bestreden besluit van 15 mei 2002 toe te wijzen, in die zin dat dat besluit wordt geschorst en voorts wordt bepaald dat verweerder I verzoekster voor de periode van 1 september 2002 tot 1 september 2003 dient te behandelen als ware haar huidige AM-vergunning voor die termijn verlengd.

Voor toepassing van artikel 8:82, vierde lid, van de Awb en voor een veroordeling in de proceskosten ziet de voorzieningenrechter in de gegeven omstandigheden geen aanleiding.

Gelet op het voorgaande wordt als volgt beslist.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter,

recht doende:

wijst de verzoeken om voorlopige voorziening ten aanzien van de Regeling en het besluit van 8 mei 2002 af,

wijst het verzoek om voorlopige voorziening ten aanzien van het bestreden besluit van 15 mei 2002 toe, in die zin dat dat besluit wordt geschorst en voorts wordt bepaald dat verweerder I verzoekster voor de periode van 1 september 2002 tot 1 februari 2003 behandelt als ware haar huidige vergunning voor het gebruik van de AM-frequentie 675 MHz voor die termijn verlengd.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. Th.G.M. Simons als voorzieningenrechter.

De beslissing is, in tegenwoordigheid van mr. P. Hirschhorn als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2002.

De griffier: De voorzieningenrechter:

Afschrift verzonden op: