Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2002:AE5814

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-07-2002
Datum publicatie
24-07-2002
Zaaknummer
VTELEC 02/1603-SIMO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK TE ROTTERDAM

Voorzieningenrechter

Reg.nr.: VTELEC 02/1603-SIMO

Uitspraak

naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met de procedure tussen

Vrije Radio Omroep Nederland B.V., gevestigd te Hilversum, verzoekster,

gemachtigde mr. A.J.H.W.M. Versteeg, advocaat te Amsterdam,

en

de staatssecretaris Verkeer en Waterstaat, verweerder,

gemachtigden mr. A.B. van Rijn en mr. A.J. Boorsma, beiden advocaat te Den Haag.

1. Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 8 mei 2002, bekendgemaakt in de Staatscourant van 15 mei 2002 (nr. 90), heeft verweerder een bekendmaking als bedoeld in artikel 3, eerste en derde lid, van het Frequentiebesluit gedaan.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft verzoekster bezwaar gemaakt; voorts heeft zij verzocht terzake een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft de onderhavige zaak en de zaken met de reg.nrs. VTELEC 02/1169 e.a., 02/1443 e.a., 02/1479 en 02/1480, 02/1519 en 02/1520, en 02/1641 t/m 02/1643-SIMO ter behandeling gevoegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juli 2002. Verzoekster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden, met bijstand van J.T.M. Derksen, werkzaam bij verweerder, en mr. J.J.M. Stevens, werkzaam bij het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.

Na de sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de voorzieningenrechter de behandeling van de gevoegde zaken gedeeltelijk gesplitst. In de overige zaken wordt eveneens heden uitspraak gedaan.

2. Overwegingen

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voorzover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing op bezwaar of eventueel in de hoofdzaak.

Voor een overzicht van het toepasselijke wettelijke kader en de van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de voorzieningenrechter naar zijn – aangehechte – uitspraak van heden in de zaken met de reg.nrs. VTELEC 02/1169-SIMO e.a.

De voorzieningenrechter voegt daaraan nog toe, dat in artikel 16 van de Regeling aanvraag en vergelijkende toets commerciële radio-omroep (Stcrt. 2002, nr. 90) (hierna: de Regeling) is bepaald – kort gezegd – dat zittende partijen (waaronder verzoekster, die het landelijke commerciële radioprogramma Radio 538 verzorgt) niet tot de vergelijkende toets worden toegelaten.

Verzoekster heeft in bezwaar ten eerste aangevoerd dat verweerder, door de voor de publieke omroep benodigde frequentieruimte te plannen met behulp van “oude technieken”, onrechtmatig heeft gehandeld, nu als gevolg daarvan thans één à twee kavels met landelijke dekking minder voor de commerciële omroep beschikbaar zijn dan het geval zou zijn indien – ook – de ruimte voor de publieke omroep zou zijn gepland met behulp van “nieuwe technieken”. Verzoekster beoogt met dit bezwaar te bereiken dat alsnog meer frequentieruimte voor de commerciële omroep beschikbaar komt. Ten tweede heeft verzoekster aangevoerd dat in het bestreden besluit frequenties die in de aanvankelijk voorgenomen kavelindeling van de zero base-frequenties waren gerangschikt rondom de kernfrequentie 101.2 MHz (dat is de frequentie waarmee het programma Radio 538 thans ook in Limburg kan worden beluisterd), aan die kavel zijn onttrokken en nu onderdeel (zouden) zijn van een van de twee landelijke FM-kavels die door middel van de procedure van vergelijkende toets worden uitgegeven. Met dit bezwaar beoogt verzoekster te bereiken dat de desbetreffende frequenties in het kader van de tijdelijke verdeling voor de periode van 1 september 2002 tot 1 september 2003 alsnog (opnieuw) aan haar worden toegekend.

Het verzoek om voorlopige voorziening zoals neergelegd in het verzoekschrift strekt ertoe dat het bestreden besluit wordt geschorst voorzover daarbij frequenties behorende bij de kernfrequentie 101.2 MHz, geschikt voor de verspreiding van een omroepprogramma in Limburg, voor verdeling door middel van de procedure van vergelijkende toets in aanmerking worden gebracht.

Ter zitting heeft verzoekster haar verzoek gewijzigd, in die zin dat wordt gevorderd dat het bestreden besluit voorzover betrekking hebbend op de kavelindeling en het daarop voortbouwende artikel 16 van de Regeling worden geschorst, althans dat artikel 16 van de Regeling wordt geschorst en wordt bepaald dat verzoekster alsnog tot de vergelijkende toets wordt toegelaten. Met dit verzoek beoogt verzoekster te bereiken dat zij in de gelegenheid wordt gesteld mee te dingen naar een van de twee landelijke FM-kavels teneinde, in aanvulling op de frequentieruimte waarover zij op grond van het besluit van 15 mei 2002 tot verlenging van haar huidige vergunning met ingang van 1 september 2002 reeds kan beschikken, een optimale dekking te verkrijgen.

Het verzoek om voorlopige voorziening heeft geen betrekking op de eerste bezwaargrond van verzoekster.

De voorzieningenrechter overweegt het volgende.

Bij de uitspraak van heden in de zaken met de reg.nrs. VTELEC 02/1169-SIMO e.a. heeft de voorzieningenrechter het bestreden besluit reeds – op andere gronden – geschorst. Voorts is daarbij bepaald dat verweerder uiterlijk op 16 september 2002 een bekendmaking als bedoeld in artikel 3, eerste en derde lid, van het Frequentiebesluit dient te doen, inhoudende dat de vergunningen voor het gebruik van de voor de commerciële omroep beschikbare zero base-frequenties door middel van de procedure van veiling (langjarig) zullen worden verleend, alsmede dat verweerder de aldus te verlenen vergunningen uiterlijk met ingang van 1 februari 2003 in gebruik dient te geven. Tevens zijn de besluiten tot verlenging per 1 september 2002 van de vergunningen van de zittende landelijke en niet-landelijke commerciële omroepen geschorst en is bepaald dat verweerder de betrokken vergunninghouders, waartoe ook verzoekster behoort, voor de periode van 1 september 2002 tot 1 februari 2003 dient te behandelen als waren hun huidige vergunningen voor die termijn verlengd. Nu het bestreden besluit is geschorst, zal voorts ook aan de Regeling geen uitvoering meer kunnen worden gegeven. In die omstandigheden heeft verzoekster geen belang meer bij het – uiteindelijk – gevorderde.

Het verzoek om voorlopige voorziening dient, daargelaten wat er zij van de stellingen van verzoekster en van het feit dat het verzoek om voorlopige voorziening – eerst – ter zitting wezenlijk is gewijzigd, daarom te worden afgewezen.

Voor toepassing van artikel 8:82, vierde lid, van de Awb en voor een veroordeling in de proceskosten ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding.

Gelet op het voorgaande wordt als volgt beslist.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter,

recht doende:

wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. Th.G.M. Simons als voorzieningenrechter.

De beslissing is, in tegenwoordigheid van mr. P. Hirschhorn als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2002.

De griffier: De voorzieningenrechter:

Afschrift verzonden op: