Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2002:AE4501

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-06-2002
Datum publicatie
25-06-2002
Zaaknummer
VGEMWT 02/1227-ZWI
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK TE ROTTERDAM

Voorzieningenrechter

Reg.nr.: VGEMWT 02/1227-ZWI

Uitspraak

naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het geding tussen

Stichting De Heksenketel, gevestigd te Rotterdam, verzoekster,

gemachtigde mr. G.C. Haulussy, advocaat te Rotterdam,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder,

1. Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 21 maart 2002 heeft verweerder aan verzoekster een last onder dwangsom opgelegd. Deze last houdt in dat verzoekster wordt gelast binnen zestien weken na verzenddatum van dit besluit het gebruik van het pand Soerweg 25 te Rotterdam als spiritueel centrum te staken en gestaakt te houden.

Indien verzoekster niet binnen de gestelde termijn overgaat tot het staken en gestaakt houden van het gebruik van voornoemd pand dan verbeurt verzoekster een dwangsom ten bedrage van € 4.537,80 per maand zolang de illegale situatie voortduurt tot een maximum van € 45.378,02.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft verzoeksters gemachtigde bij brief van 22 april 2002 bezwaar gemaakt.

Voorts heeft verzoeksters gemachtigde bij faxbrief van 17 mei 2002 verzocht terzake een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende onder meer de schorsing van het bestreden besluit.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juni 2002. Aanwezig was verzoekster en haar gemachtigde, bijgestaan door [naam], [naam], [naam] en [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.I. Siem, bijgestaan door mr. M. Steur.

2. Overwegingen

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voorzover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing op bezwaar of eventueel in de hoofdzaak.

Op grond van artikel 5:21 van de Awb wordt onder bestuursdwang verstaan: het door feitelijk handelen door of vanwege een bestuursorgaan optreden tegen hetgeen in strijd met bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten.

Uit artikel 125, eerste en tweede lid, van de Gemeentewet vloeit voort dat de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang in dit geval wordt uitgeoefend door verweerder.

Ingevolge artikel 5:32, eerste lid, van de Awb kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

Uit het ter plaatse geldende bestemmingsplan 'Uitbreidingsplan in onderdelen "Industrieterrein Waalhaven 58"' volgt dat de desbetreffende gronden zijn aangewezen voor "industrieterrein".

Artikel 3, eerste lid, van de Bebouwingsvoorschriften Industrieterrein Waalhaven 58 bepaalt dat de aldus aangewezen gronden bestemd zijn voor bebouwing ten behoeve van handel en nijverheid en voor opslag- en werkterrein.

Artikel 1, onder 122, van de Voorschriften verzamelherziening inzake gebruiksbepaling - voor zover van toepassing - luidt als volgt:

In deze herziening zijn de volgende bestemmingsplannen en plannen, die op grond van artikel 10, eerste lid, van de Overgangswet ruimtelijke ordening en volkshuisvesting met een bestemmingsplan in de zin van de Wet op de Ruimtelijke Ordening zijn gelijkgesteld, begrepen:

122. uitbreidingsplan in onderdelen "Industrieterrein Waalhaven 58; vastgesteld 5-2-1959; goedgekeurd 24-8-1959; gemeenteblad van 1960 nr. 4 en van 1966 nr. 63.

Artikel 2 van de Voorschriften verzamelherziening inzake gebruiksbepaling luidt als volgt:

1. Het is verboden om onbebouwde gronden, gebouwen en andere bouwwerken, gelegen in de in artikel 1 bedoelde bestemmingsplannen, geheel of gedeeltelijk te gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de in het plan gegeven bestemming en/of het volgens de bij het plan behorende voorschriften uitsluitend toelaatbare gebruik, dan wel met de uit die voorschriften voortvloeiende aard van de bebouwing.

2. Burgemeester en wethouders verlenen vrijstelling van het in lid 1 bepaalde, indien strikte toepassing van die bepaling leidt tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, die niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.

Bij het bestreden besluit is verzoekster bestuursdwang aangezegd. Hiertoe heeft verweerder overwogen dat verzoekster het pand Soerweg 25 te Rotterdam in strijd met de aan de gronden gegeven bestemming gebruikt als spiritueel centrum. Legalisering zou volgens verweerder kunnen door middel van het voeren van een procedure ex artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) in samenhang met artikel 20 van het Besluit op de ruimtelijke ordening en door het voeren van een procedure ex artikel 17 WRO.

Verweerder wenst echter geen medewerking te verlenen aan dergelijke vrijstellingsprocedures aangezien het toestaan van onderhavig gebruik inbreuk maakt op de beleidsafspraken en de grote inzet van verweerder om Waalhaven-Zuid aantrekkelijker te maken voor bij voorkeur havengelieerde en daarnaast arbeidsintensieve 'droge' bedrijven. Voorts is legalisering ongewenst omdat in het omliggende gebied toegestane bedrijfsvormen om milieutechnische redenen belemmerd kunnen worden door de aanwezigheid van een spiritueel centrum in de nabije omgeving. Verweerder overweegt eveneens dat geen toepassing gegeven kan worden aan artikel 2, tweede lid, van de Voorschriften verzamelherziening inzake gebruiksbepaling. Volgens vaste jurisprudentie is gebruik van deze zogenoemde 'toverformule alleen mogelijk wanneer een zinvol gebruik overeenkomstig de bestemming niet meer mogelijk is en tegen de beoogde nieuwe gebruiksvorm geen overwegende bezwaren bestaan. Nu niet kan worden staande gehouden dat in Rotterdam een overschot aan bedrijfsruimten bestaat, wordt geen toepassing gegeven aan de 'toverformule'. Gelet op het voorgaande en de daarop van toepassing zijnde regelgeving is verweerder van mening terzake met bestuursdwang te kunnen optreden.

Ten aanzien van de door verzoekster aangegeven zienswijze heeft verweerder opgemerkt dat geen sprake kan zijn van gerechtvaardigd vertrouwen dat het pand als spiritueel centrum kon worden gebruikt aangezien een bouwinspecteur aan de verhurende makelaar in februari/maart 2001 heeft aangegeven dat het onderhavige pand een industriebestemming heeft. Bovendien is het huidige gebruik niet gelijk te stellen met het gebruik van de vorige huurder, te weten een call-center voor erotische telefoongesprekken. Evenmin kan sprake zijn van strijd met het gelijkheidsbeginsel aangezien verweerder niet bekend is met soortgelijke bedrijven noch gemachtigde van verzoekster dit heeft aangetoond. Nu verzoekster op eigen initiatief haar intrek heeft genomen in onderhavig pand en de verhurende makelaar op de hoogte was van de bestemming van onderhavige gronden is verweerder van oordeel dat het handhavende belang moet prevaleren boven de belangen van verzoekster.

In het bezwaarschrift en verzoekschrift is namens verzoekster het volgende - kort zakelijk weergegeven - aangevoerd:

Hoewel verzoekster niet voldoet aan de bestemming van de desbetreffende gronden heeft zij op grond van het opgewekte vertrouwen van verweerder mogen aannemen dat zij zich kon vestigen aan Soerweg 25. De vorige eigenaar van het pand exploiteerde namelijk 06-lijnen. Voorts beroept verzoekster zich op het gelijkheidsbeginsel, aangezien een groot aantal bedrijven op industrieterrein Waalhaven Zuid niet aan de vereiste bestemming voldoet. Tenslotte stelt verzoekster dat verweerder toepassing dient te geven aan de toverformule aangezien gebruik conform de bestemming niet meer mogelijk is. Het onderhavige pand is namelijk enige tijd onverhuurbaar gebleken en ook uit het analyse rapport van 11 juni 2002, opgemaakt in opdracht van verzoekster, blijkt dat de kantoorruimte en dienstwoning redelijkerwijs niet meer bruikbaar/verhuurbaar zijn conform de industriële bestemming.

Gelet op de stukken in dit geding en het verhandelde ter zitting stelt de voorzieningenrechter vast dat niet in geding is tussen partijen dat verzoekster het pand Soerweg 25 te Rotterdam in strijd met de aan de grond gegeven bestemming gebruikt.

Vervolgens dient de vraag te worden gesteld of ondanks het strijdig gebruik, legalisatie hiervan tot de mogelijkheden behoort.

De voorzieningenrechter beantwoordt deze vraag ontkennend. Gelet op het verhandelde ter zitting en de verwijzing van verweerder naar onder meer de doelstelling van het Masterplan Waalhaven-Zuid, de milieutechnische consequenties voor de omliggende bedrijven en het besluit van verweerder geen toepassing te geven aan de vrijstelling genoemd in artikel 2, tweede lid, van de Voorschriften verzamelherziening inzake gebruiksbepaling (de zogenaamde 'toverformule'), is naar het oordeel van de voorzieningenrechter thans voldoende gemotiveerd gesteld dat legalisatie in dezen niet tot de mogelijkheden behoort.

Daarbij wordt aangetekend dat de voorzieningenrechter uit het in opdracht van verzoekster opgestelde analyse rapport met betrekking tot de verhuurbaarheid en gebruiksmogelijkheden van het pand Soerweg 19/21-25 begrijpt dat de kantoorruimte en dienstwoning redelijkerwijs niet meer bruikbaar/verhuurbaar zijn conform de industriële bestemming, aangezien de noodzakelijke investeringen niet meer kunnen worden terugverdiend. Dit wil naar het (voorlopige) oordeel van de voorzieningenrechter echter niet zeggen dat onderhavig pand daadwerkelijk niet meer conform de bestemming kan worden gebruikt en dat verweerder aldus toepassing had dienen te geven aan de toverformule.

Verweerder is aldus bevoegd bestuursdwang toe te passen. Vooropgesteld moet worden dat in een geval als dit, waarin sprake is van strijdig gebruik en die illegale situatie niet kan worden gelegaliseerd, verweerder niet slechts bevoegd is om daartegen met bestuursdwang op te treden, maar in beginsel ook - behoudens eventuele bijzondere omstandigheden - daartoe gehouden is, aangezien de (algemene) belangen die worden gediend met de handhaving van wettelijke voorschriften - in casu het bestemmingsplan en de Voorschriften verzamelherziening inzake gebruiksbepaling - en met het voorkomen van ongewenste precedentwerking, dit vorderen.

Verzoeksters beroep op het vertrouwensbeginsel kan voorts geen doel treffen nu namens verzoekster ter zitting is aangegeven dat verweerder ten aanzien van onderhavig pand geen enkele toezegging met betrekking tot het gebruik heeft gedaan, maar verzoekster enkel is afgegaan op hetgeen de door haar ingeschakelde makelaar heeft verklaard.

Ten aanzien van een succesvol beroep op het gelijkheidsbeginsel overweegt de voorzieningenrechter dat hiervoor niet ter zake doet, zoals verzoeksters gemachtigde stelt, dat andersoortige bedrijven op industrieterrein Waalhaven Zuid ook in strijd met de aan de grond gegeven bestemming gebruiken, maar dat sprake dient te zijn van gelijksoortige bedrijven, dat wil in casu dus zeggen een ander spiritueel centrum. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is hiervan geen sprake en kan een beroep op het gelijkheidsbeginsel dan ook niet slagen.

Ten slotte kan niet gezegd worden dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen.

Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding het verzoek om voorlopige voorziening toe te wijzen

Voor een veroordeling in de proceskosten wordt evenmin aanleiding gezien.

Gelet op het voorgaande wordt als volgt beslist.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter,

recht doende:

wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. van Zwieten.

De beslissing is, in tegenwoordigheid van mr. D.B.M. Bindels als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2002.