Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2002:AE3729

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
05-06-2002
Datum publicatie
05-06-2002
Zaaknummer
TELEC 01/2190-SIMO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK TE ROTTERDAM

Meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Reg.nr.: TELEC 01/2190-SIMO

Uitspraak

in het geding tussen

Arrow Classic Rock Radio B.V., gevestigd te Den Haag, eiseres,

gemachtigde mr. M. Bunders, advocaat te Amsterdam,

en

de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat, verweerder,

gemachtigden mr. A.B. van Rijn en mr. A.J. Boorsma, beiden advocaat te Den Haag,

met als derde-partij:

Jazz Radio B.V., gevestigd te Amsterdam (hierna: Jazz Radio),

gemachtigde mr. P.A. Ruig, advocaat te Den Haag.

1. Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 21 augustus 2001 heeft verweerder ongegrond verklaard het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 10 augustus 2000 waarbij de aan Jazz Radio verleende vergunning voor het gebruik van (ether)frequenties is verlengd tot 1 september 2001 of zoveel eerder als de nieuwe verdeling van frequenties wordt geïmplementeerd.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft de gemachtigde van eiseres bij brief van 28 september 2001 beroep ingesteld.

De rechtbank heeft de zaak ter behandeling gevoegd met de zaken met de reg.nrs. TELEC 01/2005, 01/2156 t/m 01/2160 en 01/2189-SIMO.

Daartoe door de rechtbank in de gelegenheid gesteld heeft Jazz Radio als partij aan het geding deelgenomen.

Bij brief van 22 februari 2001 heeft de gemachtigde van Jazz Radio een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven.

Verweerder heeft bij brief van 25 februari 2002 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 maart 2002. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden; wat verweerder betreft tevens door mr. E. Steyger, kantoorgenoot van zijn gemachtigden.

Na de sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank de behandeling van de gevoegde zaken gedeeltelijk gesplitst.

2. Overwegingen

2.1. Wettelijk kader

Ingevolge artikel 3.3, eerste lid, van de Telecommunicatiewet (hierna: Tw) is voor het gebruik van frequentieruimte een vergunning vereist van de minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: de minister), welke op aanvraag kan worden verleend.

Op grond van artikel 20.3, eerste lid, van de Tw wordt een machtiging die is verleend krachtens artikel 17, eerste lid, van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen (hierna: WTV) gelijkgesteld met een vergunning verleend krachtens artikel 3.3, eerste lid, van de Tw.

Krachtens artikel 9 van het Besluit overgangsrecht Tw in verbinding met artikel 8 van het Besluit overgangsrecht Tw en artikel 20.3, eerste lid, van de Tw behouden met vergunningen gelijkgestelde machtigingen hun werkingsduur.

In artikel 3.3, negende lid (tot 26 juli 2001: zevende lid), van de Tw is bepaald dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld ter zake van onder meer de verlenging van vergunningen.

Ingevolge artikel 3.3, tiende lid (tot 26 juli 2001: achtste lid), van de Tw wordt de vergunning verleend voor een bij die vergunning te bepalen termijn en kan zij worden verlengd met een door de minister te bepalen termijn.

Op grond van artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder b, van de Tw wordt een vergunning geweigerd indien een doelmatig gebruik van het frequentiespectrum dat vordert.

Ingevolge artikel 3.7, tweede lid, aanhef en onder b, van de Tw kan een vergunning onder andere worden ingetrokken indien de vergunninghouder de aan de vergunning verbonden voorschriften niet nakomt.

Artikel 9 van het Frequentiebesluit luidt:

"1. Onze Minister kan een vergunning die is verleend door middel van een veiling of een vergelijkende toets niet verlengen, tenzij het algemeen maatschappelijk, cultureel of economisch belang verlenging naar het oordeel van Onze Minister vordert en de vergunninghouder uiterlijk een jaar, doch niet eerder dan twee jaar voor het tijdstip waarop de periode waarvoor de vergunning is verleend, is verstreken, schriftelijk om verlenging heeft verzocht.

2. Indien de vergunning betrekking heeft op frequentieruimte bestemd voor de categorie commerciële omroep besluit Onze Minister over een verzoek tot verlenging als bedoeld in het eerste lid, niet dan in overeenstemming met Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.

3. In het geval een vergunning wordt verlengd kunnen de aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen worden gewijzigd en kunnen nieuwe voorschriften en beperkingen aan de vergunning worden toegevoegd."

2.2. Feiten

Het kabinet is - al sedert in elk geval 1997 - voornemens over te gaan tot een integrale herverdeling van het frequentiespectrum voor de publieke en de commerciële radio-omroep (veelal aangeduid als zero base). Wat de (her)verdeling van de etherfrequenties voor de commerciële omroep betreft, is daarbij steeds uitgangspunt geweest dat zulks door middel van een veiling zal geschieden.

In 1997 heeft een tussentijdse verdeling plaatsgevonden van frequenties bestemd voor de landelijke commerciële omroepen en in 1998 voor de niet-landelijke commerciële omroepen (veelal aangeduid als pakket I, respectievelijk pakket II). Daarbij heeft het kabinet telkens kenbaar gemaakt dat voorafgaand aan zero base geen verdere tussentijdse verdelingen van frequenties meer zouden plaatsvinden.

Eiseres verzorgt, met gebruikmaking van de aan haar in het kader van pakket I krachtens artikel 17, eerste lid, van de WTV voor de periode tot 1 september 2000 verleende machtiging voor een AM-frequentie, het commerciële radioprogramma Arrow Classic Rock Radio.

Jazz Radio verzorgt, met gebruikmaking van de aan haar in het kader van pakket I bij besluit van verweerder van 25 augustus 1997 krachtens artikel 17, eerste lid, van de WTV voor de periode tot 1 september 2000 verleende machtiging voor enkele FM-frequenties, thans het commerciële radioprogramma Business Nieuws Radio.

Voorafgaand aan het besluit van verweerder van 25 augustus 1997 heeft de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (hierna: OC&W) bij besluit van eveneens 25 augustus 1997 (MLB/JZ/1997/18620) aan Jazz Radio toestemming als bedoeld in artikel 167, tweede lid, van de Mediawet (oud) verleend voor het verzorgen van een commercieel radioprogramma via de ether. In artikel 3 van deze toestemming is bepaald dat Jazz Radio de programmaformule zoals die werd gehanteerd op 1 april 1997 dient te handhaven zolang de krachtens artikel 17, eerste lid, van de WTV verleende machtiging van kracht is. De programmaformule was door Jazz Radio in haar aanvraag als volgt geformuleerd:

"Het programma van Jazzradio bestaat uit een muziekprogramma met aandacht voor Jazz, Blues, Rythm & Blues, Salsa, Latin-Jazz, Soul, Funk, Populaire muziek, Cross-Overs en Wereldmuziek. Het programma wordt onderbroken voor nieuwsbulletins en reclameblokken."

Artikel 11 van de bij het besluit van verweerder van 25 augustus 1997 aan de machtiging van Jazz Radio verbonden voorschriften en beperkingen luidt:

"Gebruiksdoel

a. Het omroepstation mag slechts worden gebruikt voor het uitzenden van een omroepprogramma overeenkomstig de daarvoor gegeven toestemming door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (MLB/JZ/1997/18620).

(...)

c. De machtiging vervalt op het moment waarop de toestemming op grond van de Mediawet wordt ingetrokken of vervalt."

De implementatie van zero base was aanvankelijk voorzien per 1 september 1999. Door oorzaken van in overwegende mate technische aard is de implementatietermijn enkele malen opgeschoven.

In verband daarmee heeft verweerder bij het besluit van 10 augustus 2000, naar aanleiding van haar aanvraag, de aan Jazz Radio verleende vergunning (evenals de overige in het kader van pakket I en pakket II verleende dan wel verlengde vergunningen, waaronder die van eiseres) met toepassing van artikel 9 van het Frequentiebesluit en artikel 3.3, achtste lid (oud), van de Tw verlengd tot 1 september 2001 of zoveel eerder als de nieuwe verdeling van frequenties wordt geïmplementeerd.

Bij brief van 19 augustus 1999 heeft de staatssecretaris van OC&W het Commissariaat voor de Media (hierna: CvdM) naar aanleiding van door hem ontvangen klachten verzocht te onderzoeken in welke zin de programmering van het aanvankelijk door Jazz Radio uitgezonden programma JFK is gewijzigd ten opzichte van de bij zijn besluit van 25 augustus 1997 verleende toestemming, bedoeld in artikel 167, tweede lid, van de Mediawet (oud). Achtergrond van die klachten vormde het gegeven dat Jazz Radio per 1 januari 1999 ertoe was overgegaan (overdag) niet langer het programma JFK maar het programma Business Nieuws Radio uit te zenden.

Bij brief van 26 augustus 1999 heeft het CvdM de staatssecretaris van OC&W medegedeeld:

"Wij kunnen niet anders dan concluderen dat het dagprogramma bestaat uit een nieuwsprogramma, dat onderbroken wordt door reclameboodschappen en dat Jazzradio met de doorgevoerde programmawijziging niet blijft binnen de gestelde voorwaarden".

Bij brief van 2 februari 2001 heeft het kabinet de Tweede Kamer bericht dat de (afronding van de) veiling was voorzien in september 2001 en de (afronding van de) implementatie omstreeks januari 2002. Vervolgens is tussen het kabinet en de Tweede Kamer een discussie ontstaan over - onder meer - het verdelingsmechanisme, welke heeft geleid tot de instelling van de zogenoemde commissie-Bouw. Bij brief van 23 maart 2001 heeft het kabinet het rapport van de commissie-Bouw en het kabinetsstandpunt daaromtrent aan de Tweede Kamer aangeboden. Daarbij is vermeld dat indien uitvoering van de voorstellen van de commissie-Bouw op onoverkomelijke problemen zou blijken te stuiten, het kabinet zou terugvallen op de oorspronkelijke keuze voor verdeling door middel van een veiling.

Op 26 juni 2001 heeft het kabinet de Tweede Kamer bericht dat inderdaad moet worden vastgehouden aan een veiling als verdelingsmechanisme. Daarbij is, in algemene termen, tevens aangegeven dat het in de brief van 2 februari 2001 opgenomen tijdschema (verder) onder druk is komen te staan. Op 4 en 5 juli 2001 heeft overleg plaatsgevonden tussen het kabinet en de Tweede Kamer. Bij die gelegenheid is de - aldus aangeduide - motie-Wagenaar aanvaard, waarin het kabinet wordt verzocht de technische en juridische merites in kaart te brengen van de mogelijkheden tot verdeling door middel van een vergelijkende toets waarbij soortgelijke criteria als bij de verdeling van pakket II worden gehanteerd, alsmede zorg wordt gedragen voor diversiteit door middel van - kort gezegd - compartimentering van enkele kavels.

In verband daarmee heeft verweerder bij besluit van 17 augustus 2001, naar aanleiding van haar aanvraag, de aan Jazz Radio verleende vergunning (evenals de overige in het kader van pakket I en pakket II verleende dan wel verlengde vergunningen, waaronder die van eiseres) opnieuw verlengd, ditmaal tot 1 september 2002. Ook tegen dat besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt, waarop verweerder inmiddels heeft beslist. Tegen die beslissing op bezwaar heeft eiseres vervolgens eveneens beroep ingesteld.

Bij besluit van 17 juli 2001 heeft het CvdM beslist op het verzoek van onder anderen eiseres om op grond van artikel 71c, tweede lid, aanhef en onder b, van de Mediawet de aan Jazz Radio verleende toestemming, bedoeld in artikel 167, tweede lid, van de Mediawet (oud) (thans: artikel 71a, eerste lid), in te trekken. Daarbij heeft het CvdM overwogen nog steeds te staan achter de (in de brief van 26 augustus 1999 verwoorde) conclusie "dat Jazz Radio met haar dagprogrammering niet blijft binnen de gestelde voorwaarden." Niettemin heeft het CvdM op de in het besluit uiteengezette gronden het verzoek om intrekking van de toestemming afgewezen en voorts besloten af te zien van het opleggen van een bestuurlijke boete aan Jazz Radio. Tegen dat besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt, waarop het CvdM inmiddels heeft beslist. Tegen die beslissing op bezwaar heeft eiseres vervolgens beroep ingesteld bij de rechtbank te 's-Gravenhage.

Bij brief van 31 augustus 2001 heeft het kabinet aan de motie-Wagenaar uitvoering gegeven. In die brief concludeert het kabinet dat een vergelijkende toets met soortgelijke criteria als bij de verdeling van pakket II niet mogelijk is. De gewenste compartimentering staat daar los van en kan zowel bij een veiling als bij een vergelijkende toets worden toegepast. Een breder opgezette vergelijkende toets met toepassing van inhoudelijke/kwalitatieve criteria acht het kabinet op zichzelf wel mogelijk, maar niet wenselijk. Het kabinet houdt daarom vast aan een veiling als verdelingsmechanisme, waarbij het kabinet ervan uitgaat dat de implementatie per 1 september 2002 wordt afgerond.

Ter zitting van 24 oktober 2001 in het kader van de behandeling van de zaak met het reg.nr. VTELEC 01/2232-SIMO en ter zitting van 1 november 2001 in het kader van de behandeling van de zaak met het reg.nr. VTELEC 01/2318-SIMO heeft verweerder ten overstaan van de president van deze rechtbank verklaard dat het streven was om in januari 2002 een besluit op grond van artikel 3, eerste en derde lid, van het Frequentiebesluit te nemen, waarna de veiling in mei/juni 2002 haar beslag zou kunnen krijgen. Vervolgens zou vanaf september 2002 de implementatie een aanvang kunnen nemen. De afronding van de - gefaseerde - implementatie was voorzien tegen het einde van 2002. Verweerder achtte dit door hem gepresenteerde tijdschema zowel uit organisatorisch als uit technisch oogpunt goed haalbaar. Verweerder heeft verder aangegeven dat ervan kon worden uitgegaan dat de internationale coördinatie van de zero base-frequenties tegen het einde van 2001 zou zijn voltooid.

Bij brief van 1 februari 2002 heeft het kabinet de Tweede Kamer bericht dat er thans geen beletselen van technische aard meer zijn om tot een (her)verdeling van de zero base-frequenties over te gaan. Het kabinet heeft in die brief voorts kenbaar gemaakt dat inmiddels is gekozen voor een tijdelijke verdeling voor de periode van 1 september 2002 tot 1 september 2003. Daarbij zijn uit de zero base-frequenties ten behoeve van de landelijke commerciële omroep negen kavels met FM-frequenties en drie kavels met AM-frequenties samengesteld. De tijdelijke verdeling houdt allereerst in dat de vergunningen van de zittende partijen opnieuw worden verlengd, ditmaal tot 1 september 2003, en wel in de vorm van een tijdelijke vergunning voor een van de zero base-kavels, waarvan zoveel als mogelijk is de kernfrequenties van de huidige FM-pakketten deel uitmaken. De daarna resterende kavels zullen in het kader van de tijdelijke verdeling door middel van een voor tijdelijk gebruik ingerichte vergelijkende toets worden toegekend. Vóór afloop van de termijn van de nieuwe tijdelijke vergunningen zal een definitieve verdeling voor de duur van acht jaar moeten plaatsvinden, die zal ingaan per 1 september 2003. Het wordt aan het nieuwe kabinet overgelaten te besluiten omtrent het verdelingsmechanisme.

2.3. Standpunten van partijen

Eiseres kan zich met het bestreden besluit niet verenigen.

Het beroep van eiseres berust - uiteindelijk - op de volgende twee beroepsgronden:

- Verlenging van de in het kader van pakket I en II verleende dan wel verlengde vergunningen (waaronder de vergunning van Jazz Radio) is onrechtmatig, indien niet tegelijkertijd ook de overige, nieuw beschikbaar gekomen, frequenties worden verdeeld.

- Jazz Radio is artikel 11, onder a, van de aan haar vergunning verbonden voorschriften en beperkingen niet nagekomen. Daarmee is sprake van een intrekkingsgrond. In die omstandigheden kan verlenging van die vergunning niet aan de orde zijn. Daarom had verweerder de aanvraag van Jazz Radio om verlenging van haar vergunning moeten afwijzen.

De achtergrond van het bezwaar en beroep van eiseres is deze, dat zij beoogt dat de aan Jazz Radio toegekende FM-frequenties beschikbaar komen voor verdeling. Eiseres meent in dat geval, gelet op de gang van zaken bij de verdeling van pakket I, zo al niet het beste dan toch een zeer sterk recht te hebben op toewijzing van die frequenties.

Verweerder is allereerst van oordeel dat verdeling - met inbegrip van een tussentijdse verdeling - van nieuwe frequenties ten tijde van het bestreden besluit nog niet aan de orde was en ook niet kon zijn, zodat daarin geen beletsel kan zijn gelegen voor verlenging van de bestaande vergunningen, waaronder die van Jazz Radio.

Verweerder heeft voorts betoogd dat het toezicht op de naleving van de Mediawet niet aan hem is opgedragen en dat hij zich daarom niet een zelfstandig oordeel kan en mag vormen over de vraag of door Jazz Radio nog wordt voldaan aan artikel 11, onder a, van de aan haar vergunning verbonden voorschriften en beperkingen. Nu het CvdM er - gemotiveerd - voor heeft gekozen de toestemming op grond van de Mediawet van Jazz Radio niet in te trekken, dient verweerder zich daarom van (handhavend) optreden terzake te onthouden.

Jazz Radio heeft zich achter verweerder geschaard.

2.4. Beoordeling

Met betrekking tot de eerste beroepsgrond verwijst de rechtbank naar de, door haar onderschreven, uitspraak van de president van deze rechtbank van 22 november 2001 (reg.nr. VTELEC 01/2318-SIMO). Die uitspraak is gedaan naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening van eiseres met betrekking tot het - primaire - besluit van verweerder van 29 mei 2001, waarbij de aanvraag van eiseres van 27 maart 2001 om tijdelijke toewijzing van een of meer FM-frequenties is afgewezen.

Uit die uitspraak, die in het verlengde ligt van de uitspraken van de president van 15 augustus 2001 (reg.nr. VTELEC 01/1242-SIMO) en 14 november 2001 (reg.nr. VTELEC 01/2232-SIMO) en van de uitspraken van de rechtbank van 15 oktober 2001 (reg.nr. TELEC 00/838-SIMO) en 8 januari 2002 (reg.nr. TELEC 01/1064-SIMO) vloeit voort dat verweerder - ook - ten tijde van het thans bestreden besluit het uitgangspunt mocht hanteren dat, na pakket I en II, voorafgaand aan zero base geen tussentijdse verdeling van nieuwe frequenties meer zal plaatsvinden, alsmede dat er - ook - toen geen aanleiding was om ten aanzien van eiseres een uitzondering op dit uitgangspunt te maken. Derhalve deed zich op het in het onderhavige geding van belang zijnde tijdstip de weigeringsgrond van artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder b, van de Tw voor.

Daarmee is gegeven dat de eerste beroepsgrond geen doel kan treffen.

Met betrekking tot de tweede beroepsgrond stelt de rechtbank vast dat het standpunt van verweerder in rechte niet houdbaar is.

Niet in geschil is dat het geval, bedoeld in artikel 11, onder c, van de aan de vergunning van Jazz Radio verbonden voorschriften en beperkingen, zich niet voordoet. Het CvdM heeft immers de aan Jazz Radio verleende toestemming, bedoeld in artikel 167, tweede lid, van de Mediawet (oud) (thans: artikel 71a, eerste lid), niet ingetrokken, terwijl deze ook niet is vervallen.

Verweerder miskent echter dat artikel 11, onder a, van de aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen een, in het kader van de bij de verdeling van pakket I voor de toepassing van artikel 17, eerste lid, van de WTV gehanteerde criteria, door verweerder zelf opgelegd voorschrift is. Dat voorschrift heeft, naast artikel 11, onder c, ook een zelfstandige betekenis. Nu op grond van de brief van het CvdM van 26 augustus 1999 en het besluit van het CvdM van 17 juli 2001 moet worden aangenomen dat Jazz Radio dat voorschrift niet is nagekomen, doet zich de in artikel 3.7, tweede lid, aanhef en onder b, van de Tw neergelegde - discretionaire - intrekkingsgrond voor. Waar verweerder ook voor de toepassing van deze bepaling het bevoegde bestuursorgaan is, dient hij zich terzake wel degelijk een eigen oordeel te vormen.

Voor toepassing van artikel 9 van het Frequentiebesluit is allereerst vereist dat het algemeen maatschappelijk, cultureel of economisch belang naar het oordeel van verweerder verlenging van een vergunning vordert. In het onderhavige geding is niet in geschil dat die situatie, op zichzelf, zich voordoet. Bij de daarop volgende besluitvorming over de vraag of inderdaad van de bevoegdheid tot verlenging gebruik wordt gemaakt (en zo ja, voor welke termijn), dient verweerder vervolgens de betrokken daarvoor in aanmerking komende belangen af te wegen. Die belangenafweging kan ertoe leiden dat - niettemin - van verlenging wordt afgezien (en is in elk geval ook van belang bij de besluitvorming over de termijn waarvoor wordt verlengd).

Indien zich ten aanzien van de betrokken vergunning(houder) een van de imperatieve intrekkingsgronden van artikel 3.7, eerste lid, van de Tw voordoet, zal verweerder niet tot verlenging kunnen besluiten. Indien - zoals in het onderhavige geval - blijkt dat de betrokken vergunninghouder (een van) de aan zijn vergunning verbonden voorschriften niet (langer) nakomt en dat derhalve sprake is van een discretionaire intrekkingsgrond, dient verweerder dit gegeven - in het licht van alle relevante overige feiten en omstandigheden - bij de belangenafweging te betrekken.

Verweerder heeft zulks echter, in strijd met artikel 3:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), nagelaten. Als gevolg daarvan berust het bestreden besluit, in strijd met artikel 7:12, eerste lid, eerste volzin, van de Awb, ook niet op een deugdelijke motivering.

Het beroep dient daarom gegrond te worden verklaard en het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

Verweerder dient, met inachtneming van hetgeen de rechtbank in deze uitspraak heeft overwogen, een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van eiseres. Voor de goede orde merkt de rechtbank daarbij op dat in deze uitspraak in geen enkel opzicht een oordeel is vervat omtrent de uitkomst van de alsnog door verweerder te maken belangenafweging.

De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep tot aan deze uitspraak redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank bepaalt de proceskosten op € 644,00 aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Van overige kosten waarop een veroordeling in de proceskosten betrekking kan hebben, is de rechtbank niet gebleken.

Gelet op het voorgaande wordt als volgt beslist.

3. Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt het bestreden besluit,

bepaalt dat verweerder met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing neemt op het bezwaar van eiseres,

bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 204,20 (f 450,00) vergoedt,

veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 644,00 en wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die deze kosten aan eiseres moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. Th.G.M. Simons als voorzitter en mr. J. Riphagen en mr. J.C. Gerritse als leden.

De beslissing is, in tegenwoordigheid van mr. P. Hirschhorn als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2002.

Een belanghebbende - waaronder in elk geval eiseres wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.