Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2002:AD8430

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-01-2002
Datum publicatie
24-01-2002
Zaaknummer
10/091432-00
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer van de berechte zaak: 10/091432-00

Datum uitspraak: 24 januari 2002

Na aanhouding onbepaalde tijd: verschenen

VONNIS

van de ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROTTERDAM, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[Verdachte]

geboren te [woonplaats] op [geboortedatum] 1964,

wonende te [adres]

ten tijde van het onderzoek ter terechtzitting gedetineerd in de Penitentiaire Inrichtingen

“De Schie” te Rotterdam.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 20 november 2001 en 10 januari 2002.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding onder parketnummer 10/091432-00, zoals deze ter terechtzitting d.d. 20 november 2001 overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd. Van deze dagvaarding en vordering zijn kopieën in dit vonnis gevoegd (bladzijden genummerd 1A t/m 1E).

DE EIS VAN DE OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. M.P.M Reinders heeft gerekwireerd - zakelijk weergegeven -de vrijspraak van het onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde en bewezenverklaring van het onder 1 meest subsidiair, feit 2 primair en feit 3 ten laste gelegde en de veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar met aftrek van voorarrest.

DE ONTVANKELIJKHEID VAN DE OFFICIER VAN JUSTITIE IN DE VERVOLGING

Namens de verdachte heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte geen eerlijk proces heeft gehad als bedoeld in artikel 6 lid 1 en lid 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), aangezien in de onderhavige zaak bij herhaling de rechten van verdachte zijn geschonden, en dat de officier van justitie mitsdien niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging.

De rechtbank overweegt daaromtrent het volgende en houdt daarbij de puntsgewijze indeling van de pleitnota van de raadsman aan.

- De inbreuk op art. 6 lid 3 EVRM;

De rechtbank overweegt ten dien aanzien dat niet is gebleken van zodanige beperkingen in het ongestoorde contact tussen verdachte en zijn raadsman dat dit een inbreuk op art. 6 lid 3 EVRM oplevert.

De beslissing van de beklagcommissie uit de commissie van toezicht van de Penitentiaire Inrichtingen “De Schie” van 8 februari 2001 geeft onvoldoende aanleiding tot een ander oordeel te komen. Uit de beslissing blijkt niet op grond van welke feiten de beklagcommissie tot haar oordeel is gekomen.

- Verdachte is aan meer beperkingen onderworpen, dan de wet (art. 225 Inv. Wet Sv.) toelaat;

Op 2 augustus 2001 is de verdachte uit de Penitentiaire Inrichtingen “De Schie” gelicht op bevel van de officier van justitie. De rechtbank heeft eerder in raadkamer geoordeeld dat het daartegen gerichte bezwaar ongegrond diende te worden verklaard, aangezien dit bezwaar geen doel meer trof, nu het bevel reeds ten uitvoer was gelegd. De rechtbank heeft daarbij ten overvloede overwogen, dat verdachte zich tijdens zijn verhoor op zijn zwijgrecht heeft beroepen, zodat hij ook om die reden niet in enig rechtens te respecteren belang was geschaad. Volstaan kan worden met deze constatering.

Nadat op 8 augustus 2001 door de rechtbank het bezwaar van verdachte tegen de hem door de officier van justitie opgelegde beperkingen gegrond was verklaard, zijn deze beperkingen terstond door de rechter-commissaris overgenomen. De beperkingen als zodanig waren noodzakelijk, maar werden opgelegd door de officier van justitie die daartoe niet bevoegd

was. Volstaan kan worden met de constatering van deze onjuistheid.

- Op 2 november 2001 heeft de rechtbank het bezwaar van verdachte tegen de weigering van de rechter-commissaris om een aanvullend rapport van de deskundige Van Vugt aan het dossier toe te voegen gegrond verklaard;

Wat er ook zij van de beslissing van de rechter-commissaris om een aanvullend rapport van de deskundige Van Vugt niet aan het dossier toe te voegen, het door de raadsman gestelde verzuim is door de beslissing van de raadkamer om dat rapport alsnog aan het dossier toe te voegen, tijdig hersteld, zodat de verdachte hierdoor niet in zijn verdediging is geschaad.

- Het niet verrichten van technisch onderzoek naar een met bloed en uitwerpselen besmeurde stok in de woning van verdachte;

De rechtbank overweegt dat in de woning van verdachte direct na het aantreffen van het slachtoffer, technisch onderzoek heeft plaats gevonden. Tijdens dat onderzoek werd onder het matras dat op het bed van de slaapkamer van de zoon lag geen stok of bloed aangetroffen. Daaromtrent is een aanvullend proces-verbaal opgemaakt door de technische recherche d.d. 19 november 2001

- De weigering van zowel de rechter-commissaris als de officier van justitie de zoon [naam] als getuige te horen;

Dit mogelijk verzuim is hersteld nu [getuige] alsnog ter terechtzitting van 10 januari 2002 is verschenen. [Getuige] beriep zich toen op zijn verschoningsrecht.

- De ernstige beschadiging van de woning door politie en justitie;

Niet gebleken is van een zodanig uitzonderlijk optreden door de politie bij de doorzoeking van de woning van verdachte, dat deswege de ontvankelijkheid van de officier van justitie is komen te vervallen.

- De stellingen van de raadsman dat de politie getuigen, waaronder de vader en moeder van verdachte zou hebben geïntimideerd en opzettelijk processen-verbaal in strijd met de waarheid zou hebben opgemaakt, acht de rechtbank feitelijk onjuist; daarvan is geenszins gebleken.

Gezien het bovenstaande acht de rechtbank de door de raadsman gestelde schending van het recht op een eerlijk proces van zijn cliënt ongegrond, ook wanneer de beweerde schendingen in onderlinge samenhang worden bezien, zodat dit verweer door de rechtbank wordt verworpen.

Nu ook overigens geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die zouden moeten leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie, is de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging.

NIET BEWEZEN

Het onder 1 ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

BEWEZEN

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 primair en 3 ten laste gelegde heeft begaan op de wijze als vermeld in de hierna ingevoegde bijlage (bladzijde genummerd 2A), die van dit vonnis deel uitmaakt.

Hetgeen onder 2 primair en onder 3 meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezen verklaarde tenlastelegging kennelijke verschrijvingen voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

BEWIJS

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de inhoud van wettige bewijsmiddelen. De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist, in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

TOELICHTING OP DE BEWEZENVERKLARING

Verdachte oefende ten tijde van het overlijden van [slachtoffer] samen met zijn echtgenote het ouderlijk gezag over [slachtoffer] uit. Verdachte maakte zich blijkens zijn uitlatingen daarover aan een leerkracht van de school die [slachtoffer] bezocht, ernstig zorgen over de mogelijkheid dat zijn echtgenote [slachtoffer] zodanig (hard) zou slaan dat deze daardoor zou komen te overlijden. Verdachte heeft van die vrees mededeling gedaan aan een leerkracht van [slachtoffer].

Op de dag van het overlijden van [slachtoffer]moet verdachte daarom er ernstig rekening mee hebben gehouden dat zijn echtgenote heftig zou kunnen reageren na de thuiskomst van [slachtoffer] van school en daarbij [slachtoffer] meermalen met kracht zou slaan, nu [slachtoffer] weer in haar bed had geplast en gepoept.

Die middag is verdachte daarvan getuige geweest en heeft overigens ook zelf enige klappen of tikken aan [slachtoffer] uitgedeeld.

Verdachte is ernstig tekortgeschoten in de zorgplicht die hij ten aanzien van zijn dochter had door [slachtoffer] en haar moeder in de woning achter te laten zonder zich ervan te vergewissen in welke toestand [slachtoffer] toen verkeerde en zonder in voldoende mate na te gaan of de verhouding tussen haar moeder en [slachtoffer] zich hersteld had. Nadat verdachte was teruggekeerd van het doen van boodschappen heeft hij voorts nagelaten zich ervan te vergewissen hoe het met [slachtoffer] was.

Nadat verdachte, na het doen van boodschappen, in de echtelijke woning was teruggekeerd, heeft hij in strijd met zijn zorgplicht nagelaten zich ervan te vergewissen hoe de situatie van [slachtoffer] was. [Slachtoffer] was toen nog in leven en aangenomen moet worden dat indien verdachte toen terstond een arts had gewaarschuwd [slachtoffer] niet zou zijn overleden.

STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

De bewezen feiten leveren op:

2. primair: opzettelijk iemand tot wiens onderhoud, verpleging en verzorging hij krachtens de wet verplicht is, in hulpeloze toestand laten, welk misdrijf de dood ten gevolge heeft gehad, strafbaar gesteld bij artikel 255 van het Wetboek van Strafrecht in verbinding met artikel 257 van het Wetboek van Strafrecht;

3. handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, strafbaar

gesteld bij art. 55, eerste lid van de Wet wapens en munitie.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn strafbaar.

STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is strafbaar.

MOTIVERING VAN DE STRAF

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het eerst bewezen feit, de omstandigheden waaronder dit feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

In verband met de ernst van het onder 2 primair bewezen verklaarde feit, heeft bij de bepaling van de straf het onder 3 bewezen verklaarde feit geen rol van betekenis gespeeld.

Verdachte heeft zijn dochter [slachtoffer] in hulpeloze toestand achter gelaten, terwijl hij wist dat zijn dochter door haar moeder door het meermalen slaan met een bamboestok ernstig was mishandeld. Er is geruime tijd niet naar [slachtoffer] omgekeken en ze is in een kale, slecht verwarmde kamer aan haar lot overgelaten, slechts gekleed in een pyjama. Verdachte heeft niet aan [slachtoffer] gevraagd hoe zij zich voelde en of zij pijn had. Verdachte heeft verzuimd [slachtoffer] lichamelijk te verzorgen en hij heeft niet op tijd gezorgd voor medische hulp.

Het gevolg van dit nalaten van verdachte is dat [slachtoffer] op 20 december 2000 is komen te overlijden.

De rechtbank acht het hiervoor vermelde feit van buitengewoon ernstige aard. Verdachte heeft ernstig gefaald in zijn zorgplicht als vader ten behoeve van zijn 8-jarig dochtertje.

Het meisje moet veel pijn en angst hebben gehad voor haar overlijden.

Dit feit heeft gevoelens van diepe geschoktheid in de maatschappij veroorzaakt.

Op dit ernstige feit kan dan ook niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf.

Alles afwegende komt de rechtbank tot de conclusie dat de na te noemen straf passend en geboden is.

VOORLOPIGE HECHTENIS

De rechtbank is in verband met de bewezenverklaring van oordeel dat de voorlopige hechtenis moet worden opgeheven nu met betrekking tot het onder 2 bewezenverklaarde feit geen vrees voor herhaling valt te duchten.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De op te leggen straf is behalve op de reeds genoemde artikelen gegrond op het artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging;

- verklaart niet bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit 1 heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

- verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit 2 primair en feit 3, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder feit 2 primair en feit 3 meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

- stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

- verklaart de verdachte terzake van de overige feiten strafbaar;

- veroordeelt de verdachte terzake van de bewezen verklaarde feiten tot een gevangenisstraf voor de tijd van 18 (zegge: achttien) maanden;

- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van heden en beveelt de onmiddellijke invrijheidstelling.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. C.G. Nunnikhoven, voorzitter,

en mrs. M. Daalmeijer en G.M.J. Kruijthof, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H.C. Fraaij, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 januari 2002.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.