Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2001:AD9382

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
28-11-2001
Datum publicatie
21-02-2002
Zaaknummer
AW 01/782-ZET
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2003:AN7576
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

verweerder heeft

- het wachtgeld van eiser over de periode 1 augustus 2000 tot 2 november 2000 op nihil gesteld.

- een bedrag van netto f 8.022,95 teruggevorderd aan ingevolge besluit I onverschuldigd betaald wachtgeld, onder mededeling dat de vordering wordt gebruteerd indien deze niet voor 1 januari 2001 is voldaan.

- de netto vordering wegens afgedragen loonbelasting verhoogd tot een bedrag van bruto f 11.134,63. Verweerder heeft daarbij tevens besloten tot verrekening met de lopende wachtgelduitkering over te gaan tot ongeveer f 1.000,00 per maand.

Uitspraak vernietigd. Centrale Raad, 23 oktober 2003, 02/667

Wetsverwijzingen
Rijkswachtgeldbesluit 1959 14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2002/39
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROTTERDAM

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Reg.nr.: AW 01/782-ZET

Uitspraak

in het geding tussen

A, wonende te B, eiser,

gemachtigde M.C. van der Heijden,

en

de Minister van Binnenlandse Zaken en koninkrijksrelaties (uitvoeringsinstantie USZO Diensten BV), verweerder.

1. Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 8 december 2000 (hierna: besluit I), verzonden op 19 december 2000, heeft verweerder het wachtgeld van eiser over de periode 1 augustus 2000 tot 2 november 2000 op nihil gesteld. In dat besluit is kennelijk abusievelijk vermeld dat de uitvoeringsinstantie dit besluit mede namens de Minister van Financiën heeft genomen.

Bij besluit van 21 december 2000 (hierna: besluit II) heeft verweerder een bedrag van netto f 8.022,95 teruggevorderd aan ingevolge besluit I onverschuldigd betaald wachtgeld, onder mededeling dat de vordering wordt gebruteerd indien deze niet voor 1 januari 2001 is voldaan.

Bij besluit van 23 januari 2001(hierna: besluit III) heeft verweerder de netto vordering wegens afgedragen loonbelasting verhoogd tot een bedrag van bruto f 11.134,63. Verweerder heeft daarbij tevens besloten tot verrekening met de lopende wachtgelduitkering over te gaan tot ongeveer f 1.000,00 per maand.

Tegen besluiten I en III heeft eiser respectievelijk bij brieven van 24 januari 2001 en 6 februari 2001 bezwaar gemaakt en verzocht de verrekening hangende bezwaar te schorsen.

Bij besluit van 19 februari 2001, verzonden op 26 februari 2001, heeft verweerder de bezwaren tegen de besluiten I en II ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft eiser bij brief van 6 april 2001 beroep ingesteld.

Bij brief van 11 april 2001 heeft eiser verweerder verzocht om een afwijkende betalingsregeling.

Bij besluit van 2 mei 2001 (hierna: besluit IV) heeft verweerder de verrekening vanaf mei 2001 tot met april 2001 gesteld op f 200,00 per maand.

De rechtbank heeft aanleiding gezien in haar beoordeling de vraag te betrekking of besluit IV mede in dit geding betrokken dient te worden.

Verweerder heeft bij brief van 6 juli 2001 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 november 2001. Aanwezig waren eiser en zijn gemachtigde. Verweerder is met kennisgeving niet verschenen.

2. Overwegingen

De rechtbank ontleent aan de gedingstukken dat eiser met ingang van 1 augustus 2000 eervol ontslag is verleend als ambtenaar van de belastingdienst, in welk verband eiser in juli 2000 wachtgeld heeft aangevraagd. Bij besluit van 23 augustus 2000 heeft verweerder eiser met ingang van 1 augustus 2000 wachtgeld ingevolge het Rijkswachtgeldbesluit 1959 (verder: RWB) toegekend. Bij brief van 31 oktober 2000 heeft verweerder eiser bericht dat hem is gebleken dat hij niet als werkzoekende bij het Arbeidsbureau staat ingeschreven en hem verzocht binnen 14 dagen de reden van niet-inschrijving mee te delen. Eiser heeft verweerder hierop bericht dat hij er abusievelijk vanuit ging dat zijn inschrijving bij de sollicitantenbank van het Arbeidsbureau vestiging X als een dergelijke inschrijving gold en dat hij zich alsnog als werkzoekende heeft ingeschreven. Eiser heeft daarbij een bewijs van inschrijving per 2 november 2000 overgelegd. Verweerder heeft bij brief van 12 december 2000 eiser bericht dat hem zodra hij zich aanmeldde voor wachtgeld een informatiepakket is toegezonden waarin de aan het wachtgeld verbonden verplichtingen zijn vermeld, zodat hij geacht wordt bekend zijn met de verplichting tot inschrijving. In die brief is voorts aangekondigd dat een sanctie zal volgen over de periode 1 augustus 2000 tot 2 november 2000. Een en ander heeft geleid tot de besluiten I, II en III en na bezwaar het bestreden besluit.

De rechtbank stelt met het oog op de artikelen 7:11 en 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (verder: Awb) voorop dat eiser uitsluitend bezwaar heeft gemaakt tegen de besluiten I en III en niet tegen besluit II, hetgeen verweerder in het bestreden besluit heeft miskend. Nu verweerder zich in het bestreden besluit met betrekking tot het bezwaar tegen de terugvordering uitsluitend heeft gebogen over de netto vordering van f 8.022,95 kan het bestreden besluit op dit onderdeel wegens strijd met artikel 7:11 van de Awb niet in stand blijven. In zoverre is het beroep gegrond.

verweerder zal opnieuw op het bezwaar tegen besluit III dienen te beslissen, in welk verband de rechtbank nog opmerkt dat zij geen aanleiding ziet het bezwaar tegen besluit III tevens op te vatten als een bezwaar tegen besluit II. De rechtbank overweegt hiertoe enerzijds dat het bezwaar zich uitdrukkelijk richt tot besluit III en niet binnen 6 weken na bekendmaking van besluit II is ingediend en dat besluit III anderzijds ook een andere strekking heeft dan besluit II, gelet op de daarin opgenomen brutering en verrekeningsbeslissing. De rechtbank merkt in dit verband ter voorlichting van partijen voorts nog op dat zij van oordeel is dat besluit III uitsluitend op zelfstandig rechtsgevolg is gericht voorzover het besluit II aanvult. Een ander oordeel zou leiden tot een ongewenste doorkruising van de strekking van artikel 6:7 van de Awb.

De rechtbank is van oordeel dat besluit IV geen wijziging van het bestreden besluit hangende beroep inhoudt als bedoeld in artikel 6:18 van de Awb. De rechtbank overweegt hiertoe dat besluit II anders dan besluit III geen invorderingsbeslissing bevat. Nu het bestreden besluit - weliswaar zoals zojuist overwogen ten onrechte - een heroverweging van besluit II en niet van besluit III behelst, bevat het bestreden besluit dan ook geen handhaving van de in besluit III vervatte invorderingsbeslissing, zodat besluit IV dan ook geen wijziging daarvan kan inhouden. De rechtbank neemt in dit verband in aanmerking dat met betrekking tot ambtenarenzaken - anders dan in sociale zekerheidszaken - niet is voorzien in wet- of regelgeving houdende het voorschrift dat een terugvorderingsbesluit tevens een invorderingscomponent dient te bevatten.

Ter zitting is door eiser overigens meegedeeld dat hij met verweerder inmiddels een verrekening van f 100,00 per maand is overeengekomen, waaruit moet worden afgeleid dat verweerder besluit IV niet heeft gehandhaafd.

Met betrekking tot de vraag of verweerder besluit I terecht heeft gehandhaafd overweegt de rechtbank als volgt.

Ingevolge het eerste lid van artikel 4a van het RWB is de betrokkene zolang hij de leeftijd van 55 jaar nog niet heeft bereikt verplicht zich bij de arbeidsvoorzieningsorganisatie van zijn woonplaats als werkzoekende te doen inschrijven uiterlijk op de eerste werkdag, volgende op die waarop het ontslag ingaat dan wel het recht op wachtgeld ontstaat.

Ingevolge artikel 13, derde lid, aanhef en onder c, van het RWB kan voorzover hier van belang het wachtgeld geheel of ten dele vervallen worden verklaard indien de betrokkene de in artikel 4a, eerste lid, bedoelde inschrijving teniet doet of nalaat haar op de door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie bepaalde tijdstippen te doen verlengen.

Ingevolge artikel 5 van de Sanctieregeling arbeidsmarktgedrag (verder: Sanctieregeling), Stcrt. 2000, 15, wordt bij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting bedoeld in artikel 13, derde lid, aanhef en onder c, van het RWB een korting toegepast van 5, 10 of 20% gedurende de verzuimtermijn afhankelijk van de duur van het verzuim (met een maximum van 52 weken).

Ingevolge artikel 14, tweede lid, aanhef en onder d, van het RWB wordt voorzover hier van belang het wachtgeld niet uitbetaald voor de duur dat betrokkene niet als werkzoekende bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie ingeschreven staat, tenzij hij aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest om te voldoen aan de in artikel 4a, eerste lid, gestelde verplichting.

Ingevolge het eerste lid van artikel 69 van de Arbeidsvoorzieningswet 1996 komt voorzover hier van belang het recht zich als werkzoekende door de Arbeidsorganisatie te laten registreren toe aan Nederlanders.

Ingevolge het eerste lid van artikel 79 van de Arbeidsvoorzieningswet 1996 komt het recht op arbeidsbemiddeling door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie toe aan degenen die ingevolge artikel 69, eerste lid, als werkzoekende zijn geregistreerd.

Niet in geschil is dat eiser gedurende de periode in geding niet als werkzoekende bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, ook wel Arbeidsbureau genoemd, stond ingeschreven. Daarmee is vast komen te staan dat eiser de verplichting als bedoeld in artikel 4a, eerste lid, van het RWB niet is nagekomen. Nu evenmin is in geschil is dat eiser redelijkerwijs in staat was zich in te laten schrijven (registreren) als bedoeld in artikel 69 van de Arbeidsvoorzieningswet 1996 diende verweerder ingevolge artikel 14, tweede lid, aanhef en onder d, van het RWB het wachtgeld niet uit te betalen.

De strekking van artikel 14, tweede lid, van het RWB brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich mee dat indien achteraf blijkt dat ten onrechte wachtgeld is uitbetaald, die uitbetaling met terugwerkende kracht dient te worden ingetrokken, tenzij dit in strijd komt met het rechtszekerheidsbeginsel of - gelet op het feit dat het hier geen wettelijke bepaling betreft - met artikel 3:4, tweede lid, van de Awb.

Nu in het beroepschrift is erkend dat verweerder eiser voorafgaande aan de toekenning van wachtgeld via een informatiepakket op de hoogte heeft gesteld van de aan het wachtgeld verbonden verplichtingen, is de rechtbank van oordeel dat eiser redelijkerwijs op de hoogte had kunnen zijn dat het zich niet laten registreren als werkzoekende bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie consequenties zou hebben voor het recht op (uitbetaling van) wachtgeld. Dat eiser mogelijkerwijs heeft gedacht dat hij met zijn inschrijving bij de sollicitantenbank had voldaan aan het zich laten registreren bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie als bedoeld in artikel 69 van de Arbeidsvoorzieningswet 1996 kan hier niet aan afdoen, nu doel en strekking van die registratie een geheel andere is. Registratie brengt immers zoals in het verweerschrift is opgemerkt een recht op bemiddeling als bedoeld in artikel 79 van die wet met zich mee. De hier aan de orde zijnde herziening acht de rechtbank derhalve niet strijdig met de rechtszekerheid.

Wel acht de rechtbank onverkorte toepassing van artikel 14, tweede lid, aanhef en onder d, van het RWB onevenredig. De rechtbank overweegt in dit verband als volgt.

De rechtbank ziet te weinig verschil tussen niet tijdige inschrijving bij de aanvang van de wachtgeldperiode en niet tijdige verlenging van de inschrijving of het tenietdoen ervan na toekenning van wachtgeld om het verschil tussen een korting van 10% over een verzuimperiode van maximaal 112 kalenderdagen en gehele weigering over de verzuimperiode van 3 maanden te rechtvaardigen.

Nu uit niet tijdige inschrijving als hier aan de orde niet zonder meer geoordeeld kan worden dat eiser zich niet beschikbaar hield voor werk in dienstverband, terwijl uit de inschrijving in de sollicitantenbank bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie kan worden afgeleid dat eiser zich juist wel beschikbaar hield, acht de rechtbank een gehele herziening van (de uitbetaling) van het wachtgeld gedurende 3 maanden onevenredig in verhouding tot het verzuim, dit temeer daar vergelijkbare verzuimen na een aanvankelijke inschrijving veel lichter worden gesanctioneerd.

Het bestreden besluit komt voorzover het ziet op handhaving van besluit I derhalve wegens strijd met artikel 3:4, tweede lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking. Het beroep is derhalve ook op dit onderdeel gegrond. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat een korting van 20% voor de duur van het verzuim, in analogie met de zwaarste sanctie waarin het Sanctiebesluit met het oog op artikel 13, derde lid, aanhef en onder c, van het RWB voorziet, wel de rechterlijke toets zou kunnen doorstaan.

Verweerder zal bij het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar tevens dienen te onderzoeken in hoeverre dit gevolgen heeft voor de afdoening van het bezwaar tegen besluit III.

De rechtbank merkt in dit verband nog op dat het eiser uiteraard vrijstaat om, gelet op hetgeen ten aanzien van het bestreden besluit is overwogen, verweerder te verzoeken terug te komen op besluit II.

De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep tot aan deze uitspraak redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank bepaalt de proceskosten op f 1.420.00 aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Van overige kosten waarop een veroordeling in de proceskosten betrekking kan hebben, is de rechtbank niet gebleken.

3. Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt het bestreden besluit,

bepaalt dat verweerder met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar neemt op het bezwaar tegen besluit I en alsnog beslist op het bezwaar tegen besluit III,

bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan eiser het door hem betaalde griffierecht van f 60,00 vergoedt,

veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van f 1.420,00 en wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die deze kosten aan eiser moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K.L. van Zetten.

De beslissing is, in tegenwoordigheid van mr. drs. R. Stijnen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 november 2001.

De griffier: De rechter:

Afschrift verzonden op:

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiser wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.