Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2001:AD9381

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-12-2001
Datum publicatie
21-02-2002
Zaaknummer
AW 99/2875-FW, AW 99/2874-BOS
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontslagbesluit vlootaalmoezenier.

Uitspraak in hoger beroep bevestigd. LJN AO0612

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 10:1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2002/59 met annotatie van F.A.M. S.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROTTERDAM

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Reg.nr.: AW 99/2875-FW

AW 99/2874-BOS

Uitspraak

in het geding tussen

A, wonende te B, eiser,

gemachtigde mr H.J. Hulsbergen,

en

de Staatssecretaris van Defensie, verweerder,

1. Ontstaan en loop van de procedure

Bij brief van 28 oktober 1999 heeft de gemachtigde van eiser beroep ingesteld tegen de weigering van verweerder een nieuw besluit op bezwaar te nemen na vernietiging door de rechtbank van het besluit op bezwaar van 24 juli 1997.

Bij besluit van 25 november 1999 (hierna: het bestreden besluit ) heeft verweerder alsnog een besluit op bezwaar genomen en eisers bezwaren tegen het koninklijk besluit van 16 januari 1997, waarbij eiser met ingang van 1 februari 1997 eervol ontslag is verleend als vlootaalmoezenier bij de Koninklijke marine, ongegrond verklaard.

Bij brief van 30 december 1999 heeft de gemachtigde van eiser medegedeeld dat het bestreden besluit niet aan eisers grieven tegemoet komt.

Verweerder heeft bij brief van 27 januari 2000 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank op 11 september 2000. Aanwezig waren eiser en zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr drs E.M. Schelkers-Breed.

Ingevolge het bepaalde in artikel 8:10, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft de meervoudige kamer van de rechtbank de verdere behandeling van het beroep verwezen naar de enkelvoudige kamer van de rechtbank.

Bij beslissing van 10 oktober 2000 heeft de rechtbank het onderzoek heropend.

De rechtbank heeft gebruik gemaakt van de haar gegeven bevoegdheid ingevolge artikel 8:44 van de Awb en verweerder opgeroepen te verschijnen teneinde de rechtbank nadere inlichtingen te verstrekken. De comparitie is op 14 december 2000 gehouden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr drs E.M. Schelkers-Breed. Eiser is verschenen met zijn gemachtigde.

Met toestemming van partijen heeft de rechtbank bepaald dat het nader onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft zij het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Fictieve weigering

De gemachtigde van eiser heeft op 12 februari 1997 bezwaar gemaakt tegen het koninklijk besluit van 16 januari 1997 waarbij eiser met ingang van 1 februari 1997 eervol ontslag is verleend als vlootaalmoezenier bij de Koninklijke marine.

Bij besluit van 24 juli 1997 heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld. Dit beroep is bekend onder nummer

AW 98/655-R6.

Bij uitspraak van 6 juli 1999 heeft de rechtbank het beroep van eiser gegrond verklaard en het besluit van 24 juli 1997 van verweerder vernietigd onder de overweging dat het besluit op het bezwaar van eiser inzake zijn ontslag met ingang van 1 februari 1997 niet bevoegdelijk is genomen.

Vervolgens heeft de gemachtigde van eiser op 28 oktober 1999 beroep ingesteld tegen de weigering van verweerder om na de vernietiging een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

Op 25 november 1999 heeft verweerder alsnog een beslissing op bezwaar genomen.

Ingevolge artikel 6:20, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van de wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit gelijkgesteld, het niet tijdig nemen van een besluit. Krachtens artikel 6:20, eerste lid, van de Awb blijft het bestuursorgaan verplicht een besluit op bezwaar te nemen. Ingevolge het vierde lid van dit artikel wordt het beroep tegen het niet tijdig beslissen geacht mede te zijn gericht tegen het besluit op bezwaar tenzij dat besluit aan het bezwaar of beroep geheel tegemoet komt.

Tussen partijen is niet in geschil, en ook de rechtbank is daarvan gebleken, dat verweerder eerst 20 weken na vernietiging door de rechtbank van het besluit op bezwaar van 24 juli 1997 een nieuw besluit heeft genomen. Daarmee is komen vast te staan dat verweerder heeft verzuimd tijdig een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

Nu eiser op de voet van 8:73 van de Awb om schadevergoeding heeft verzocht, is de rechtbank van oordeel dat eiser zijn procesbelang bij zijn beroep gericht tegen de weigering van verweerder na vernietiging een besluit op bezwaar te nemen, niet heeft verloren. Het beroep dient in zoverre gegrond te worden verklaard.

Terzake van het verzoek om schadevergoeding overweegt de rechtbank dat eiser niet heeft onderbouwd welke schade hij heeft geleden als gevolg van verweerders trage besluitvorming. De rechtbank wijst derhalve het verzoek om schadevergoeding af.

Gemachtigde van eiser heeft aangegeven dat het bestreden besluit niet geheel aan de bezwaren van eiser tegemoet komt. Ook de rechtbank heeft dit geconstateerd. Hieruit volgt dat het beroep van eiser gericht tegen het de weigering van verweerder om na vernietiging een nieuw besluit op bezwaar te nemen mede gericht wordt geacht tegen het besluit van 25 november 1999.

2.2. Bestreden besluit

In dit geding dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of het bestreden besluit in stand kan blijven.

Namens eiser is in beroep aangevoerd dat het bestreden besluit niet bevoegd is genomen, nu het besluit op bezwaar dient te worden genomen door de Kroon en deze bevoegdheid niet rechtsgeldig kan worden overgedragen. Bovendien, als al wettelijk is toegelaten dat een machtiging een dergelijk bevoegdheid kan overdragen, dan nog is sprake van een bevoegdheidsgebrek nu de machtiging niet bij koninklijk besluit is genomen. Gemachtigde van eiser heeft betoogd dat door de mandatering aan de directeur personeel van de Koninklijke marine het ontslag van eiser weer wordt getrokken in de kring van personen die zijn ontslag wenselijk achten.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het bestreden besluit bevoegd is genomen, nu verweerder daartoe is gemachtigd door de Kroon. Tijdens de comparitie is namens verweerder gesteld dat het reële besluit door verweerder is genomen en is getekend door de directeur personeel van de Koninklijke marine. Voorts is namens verweerder in dit verband aangegeven dat verweerder bij de intern geldende mandaatregelingen zijn aldaar specifieke genoemde personele bevoegdheden, waaronder de mogelijkheid om op bezwaar te beslissen, heeft gemandateerd aan de Bevelhebber der Zeestrijdkrachten die deze bevoegdheden vervolgens heeft ondergemandateerd aan de directeur personeel van de Koninklijke marine.

De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.

Het bestreden besluit is namens verweerder, die daartoe een machtiging van de Kroon heeft verkregen, door de directeur personeel van de Koninklijke marine genomen. De rechtbank merkt hierbij op dat zij de opmerking van gemachtigde van verweerder tijdens de comparitie dat verweerder het besluit zou hebben genomen en de directeur personeel van de Koninklijke marine dit besluit vervolgens heeft getekend niet kan volgen, nu uit de brief van 11 september 2000 van de directeur personeel van de Koninklijke marine en de brief van 30 oktober 2000 (met bijlage) blijkt dat de directeur personeel van de Koninklijke marine heeft beslist op eisers bezwaren inzake zijn ontslag.

De rechtbank is gebleken, hetgeen door verweerder niet bestreden is, dat het mandaatsbesluit uitvoerende bevoegheden Algemeen militair ambtenarenreglement (hierna: AMAR) en het ondermandaatsbesluit Bevelhebber Zeestrijdkrachten uitvoerdende bevoegdheden AMAR geen bevoegdheid geeft aan de directeur personeel van de Koninklijke marine om het besluit op bezwaar inzake het ontslag van eiser te nemen: immers het mandaatsbesluit en het ondermaandaatsbesluit zien op de bevoegheid tot ontslag aan militairen met een rang beneden de rang van luitenant ter zee 3e klasse/tweede luitenant, of stand en klasse, als bedoeld in artikel 38, tweede lid, AMAR, terwijl eiser in rang is gelijkgesteld met luitenant ter zee der 1e klasse.

Bij brief van 30 oktober 2000 heeft verweerder de directeur personeel Koninklijke Marine alsnog medegedeeld dat gelet op de inhoud en strekking van onder meer het mandaatsbesluit van 24 november 1998 hij ten rechte namens verweerder kon beslissen op het bezwaarschrift van eiser.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee het bestreden besluit voor zijn rekening heeft genomen.

Voor de inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 21 september 1987 heeft de Bisschop voor de Nederlandse Strijdkrachten zijn goedkeuring verleend tot aanstelling van eiser als geestelijk verzorger in dienst van het Ministerie van Defensie.

Bij koninklijk besluit van 24 december 1987 is eiser met ingang van 1 februari 1988 benoemd tot reserve-vlootaalmoezenier bij de dienst van de rooms-katholieke geestelijke verzorging bij de Koninklijke marine voor een periode van twee jaar. Bij koninklijk besluit van 26 oktober 1989 is eiser met ingang van 1 februari 1990 benoemd tot vlootaalmoezenier in vaste dienst.

Verweerder heeft bij brief van 30 oktober 1996 aan eiser medegedeeld dat de intrekking van de kerkelijke goedkeuring per 1 november 1996 gelijk staat aan het verlies van een aanstellingsvereiste tot vlootgeestelijke bij de Koninklijke marine en dat als gevolg hiervan het voornemen is eiser per 1 februari 1997 ontslag uit 's Rijks zeedienst te verlenen.

Bij koninklijk besluit van 16 januari 1997 (het ontslag KB) is eiser met ingang van 1 februari 1997 eervol ontslag verleend als vlootaalmoezenier bij de Koninklijke marine. Bij brief van 6 februari 1997 heeft verweerder het ontslag KB aan eiser doen toekomen.

Verweerder heeft het door eiser hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard bij besluit van 14 juli 1997.

Na vernietiging van dit besluit door deze rechtbank heeft verweerder bij het bestreden besluit de bezwaren van eiser tegen zijn eervol ontslag met ingang van 1 februari 1997 wederom ongegrond bevonden.

Verweerder heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat nu eisers kerkelijke zending door de Ordinarius Militaris van de rooms-katholieke kerk per 1 november 1996 definitief is ingetrokken dit het verlies van een aanstellingsvereiste tot vlootgeestelijke van de Koninklijke marine inhoudt. Verweerder heeft hierbij aangegeven dat naar vast beleid alleen die geestelijke verzorgers worden aangesteld die van de rooms-katholieke kerk (hierna: RK kerk) een machtiging hebben gekregen.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de procedure die heeft geleid tot intrekking van de machtiging het prerogatief vormt van de kerkelijke instantie die de geestelijke verzorgers voordraagt voor benoeming.

Namens eiser is in beroep - kort weergegeven - aangevoerd dat het enkel wegvallen van de goedkeuring van de RK kerk tot aanstelling bij het Ministerie van Defensie niet automatisch had mogen leiden tot ontslagverlening. Verweerder heeft nagelaten het besluit zorgvuldig voor te bereiden en daarbij alle partijen en van belang zijnde personen te horen en kennis te nemen van alle van belang zijnde stukken en verklaringen. Verweerder had daarbij een zelfstandige onderzoeksplicht ten aanzien van de stellingen waarop de Ordinarius Militaris zijn intrekking van de goedkeuring heeft gebaseerd. Voorts had verweerder de belangen van eiser bij instandhouding van zijn aanstelling en de gevolgen van zijn ontslag in ogenschouw dienen te nemen.

Van toepassing is het koninklijke besluit van 17 januari 1967, houdende bepalingen betreffende het ontslag van de geestelijke verzorgers in de krijgsmacht.

Artikel I, onderdeel D, aanhef en sub 7, luidt als volgt:

Een geestelijke verzorger kan niet worden ontslagen dan:

Ter zake van het verlies van een vereiste voor de benoembaarheid, door het bevoegd gezag gesteld bij een regeling aan de benoeming voorafgegaan, tenzij het vereiste alleen voor de aanvang van het ambt geldt;

De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of verweerder in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om eiser te ontslaan wegens het verlies van een vereiste voor benoembaarheid, zonder daarbij zelf onderzoek te doen naar de redenen voor het verlies daarvan. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en heeft daartoe het volgende overwogen.

De rechtbank onderschrijft het standpunt van verweerder dat in het onderhavige geval het hanteren van de ontslaggrond inzake het verlies van een vereiste voor benoembaarheid was aangewezen en dat het beoordelen van de bekwaamheid of geschiktheid van eiser in zijn pastoraal functioneren en de daarmee samenhangende ontslaggrond om die reden buiten beschouwing dienen te blijven.

De rechtbank kan verweerder volgen in zijn standpunt dat het niet op zijn weg ligt te beoordelen of de kerkrechtelijke rechtsgang die eiser ter zake van het verlies van de kerkelijke goedkeuring ter beschikking stond, is aan te merken als een met voldoende waarborgen omklede procedure. Daarmee is gegeven dat verweerder ook geen afweging behoeft te maken of door een eigen onderzoek alsnog vermeende gebreken in de kerkrechtelijke rechtsgang zouden moeten worden gecompenseerd.

Het oordeel van de civiele rechter in de door eiser tegen de Ordinarius voor de Nederlandse strijdkrachten aangespannen procedure maakt dit voor verweerder niet anders.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder door de uitkomst van de kerkrechtelijke rechtsgang af te wachten alvorens tot het ontslag over te gaan voldoende recht heeft gedaan aan zijn verplichting om de belangen van eiser af te wegen tegen het organisatiebelang. Het standpunt van verweerder dat het niet wenselijk is een geestelijk verzorger te handhaven die de steun van zijn eigen kerkelijke instantie ontbeert komt de rechtbank niet onredelijk voor. Een andersluidend standpunt zou immers inhouden dat verweerder verantwoordelijkheid gaat dragen voor de inhoudelijke invulling van de geestelijke verzorging, hetgeen nadrukkelijk niet de bedoeling is van de constructie waarin om rechtspositionele redenen het aanstellen van geestelijk verzorgers als burgerpersoneel in dienst van het Ministerie van Defensie is geregeld.

Ook in de zorgplicht ten aanzien van eiser op het punt van bijscholing en bemiddeling is verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet in gebreke gebleven.

Gezien het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit de rechterlijke toetsing kan doorstaan. Het beroep hiertegen dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de koste die eiser in verband met de behandeling van het beroep tegen de bestreden besluiten tot aan deze uitspraak redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank bepaalt de proceskosten op ¦ 355--, aan kosten van door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand. Van overige kosten waarop een veroordeling in de proceskosten in verband met het beroep tegen de bestreden besluiten betrekking kan hebben, is de rechtbank niet gebleken. Wel dient verweerder het betaalde griffierecht aan eiser te vergoeden.

3. Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen van verweerder op de uitspraak van de rechtbank van 6 juli 1999 gegrond,

verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond,

bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan eiser het door hem betaalde griffierrecht van ƒ 225,-- vergoedt,

veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van ƒ 355,-- en wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die deze kosten aan eiser moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr E.I. van den Bos-Boomsma. Deze beslissing is in tegenwoordigheid van C.E. Delvaux, als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 december 2001.

de griffier: de rechter:

afschrift verzonden op:

Een belanghebbende - waaronder in elk geval eiser wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.