Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2001:AD7658

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-12-2001
Datum publicatie
02-01-2002
Zaaknummer
TELEC 00/1312-SIMO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Besluit vergoedingen Telecommunicatiewet 2
Besluit vergoedingen Telecommunicatiewet 4.3
Besluit vergoedingen Telecommunicatiewet 5.1
Telecommunicatiewet 6.5
Telecommunicatiewet 6.6
Telecommunicatiewet 6.9
Telecommunicatiewet 16.1
Telecommunicatiewet 16.2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROTTERDAM

Meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Reg.nr.: TELEC 00/1312-SIMO

Uitspraak

in het geding tussen

1. Koninklijke KPN N.V., gevestigd te Den Haag, eiseres 1;

2. KPN Mobile The Netherlands B.V., gevestigd te Den Haag, eiseres 2,

gemachtigde mr. H.J. de Ru, advocaat te Amsterdam,

en

de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit, verweerder,

gemachtigde mr. E.J. Daalder, advocaat te Den Haag.

1. Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 5 november 1999 heeft verweerder aan eiseres 1 enkele vergoedingen in rekening gebracht.

Tegen dit besluit hebben eiseres 1 en KPN Telecom B.V., gevestigd te Den Haag (hierna: KPN Telecom), bij brief van 16 december 1999 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 12 mei 2000 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft mr. A.Th. Meijer, toentertijd advocaat te Amsterdam en kantoorgenoot van de gemachtigde van eiseressen, bij brief van 20 juni 2000, aangevuld bij brief van 4 juli 2000, namens eiseressen en KPN Telecom beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij brief van 20 december 2000 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 november 2001. Eiseressen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde en door mr. E.R. van Staden, advocaat te Amsterdam en kantoorgenoot van de gemachtigde van eiseressen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, met bijstand van mr. I.E.M. Verheijen, werkzaam bij verweerder.

Ter zitting is het beroep voorzover ingesteld namens KPN Telecom ingetrokken.

2. Overwegingen

2.1. Juridisch kader

Artikel 16, eerste en tweede lid, van de Telecommunicatiewet (hierna: Tw), in werking getreden met ingang van 1 april 1999, luidt:

“1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de vergoeding van de kosten die is verschuldigd door degene ten behoeve van wie werkzaamheden of diensten zijn verricht ingevolge het bepaalde bij of krachtens deze wet voorzover de vergoeding verband houdt met deze werkzaamheden of diensten.

2. Bij het vaststellen van de vergoeding kunnen mede worden betrokken kosten, verband houdend met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij en krachtens deze wet ten aanzien van de desbetreffende werkzaamheden of diensten.”.

De in artikel 16.1 van de Tw bedoelde algemene maatregel van bestuur is het, eveneens met ingang van 1 april 1999 in werking getreden, Besluit vergoedingen Telecommunicatiewet (hierna: Besluit vergoedingen Tw).

Artikel 2 van het Besluit vergoedingen Tw luidt:

“1. De vergoeding dient ter dekking van de kosten van de werkzaamheden of diensten die ingevolge het bepaalde bij of krachtens de wet door Onze Minister of het college [verweerder] worden verricht.

2. De vergoeding bestaat uit:

a. een bedrag dat verband houdt met de kosten van het verrichten van werkzaamheden of diensten in het kader van de aan Onze Minister of het college bij of krachtens de wet opgedragen uitvoeringstaak; of

b. een bedrag dat verband houdt met de kosten van het verrichten van werkzaamheden of diensten in het kader van de aan Onze Minister of het college bij of krachtens de wet opgedragen toezichthoudende taak; of

c. een jaarlijkse bijdrage als bedoeld in artikel 16.1, vierde of vijfde lid, van de wet.

3. De vergoeding wordt per kalenderjaar vastgesteld.

4. Het bedrag, bedoeld in het tweede lid, onder a, wordt eenmaal in rekening gebracht.

5. Het bedrag en de jaarlijkse bijdrage, bedoeld in het tweede lid, onder b en c, zijn per kalenderjaar verschuldigd en worden eens per kalenderjaar in rekening gebracht.”.

In artikel 4, derde lid, van het Besluit vergoedingen Tw is bepaald dat bij de toerekening van de in die bepaling vermelde kosten aan de eveneens daarin vermelde categorieën, de kosten van werkzaamheden of diensten die ten behoeve van aanbieders met een aanmerkelijke macht op de markt worden verricht, afzonderlijk worden gecategoriseerd.

In artikel 5, eerste lid, van het Besluit vergoedingen Tw is, voorzover hier van belang, bepaald dat bij ministeriële regeling de hoogte van de vergoeding per categorie of subcategorie van gelijksoortige werkzaamheden of diensten wordt vastgesteld.

Op grond daarvan heeft de minister van Verkeer en Waterstaat vastgesteld de, eveneens met ingang van 1 april 1999 in werking getreden, Regeling vergoedingen OPTA 1999 II (hierna: de Regeling).

In artikel 1 van de Regeling worden de vergoedingen voor de kosten van werkzaamheden of diensten onderscheiden in een afzonderlijk tarief voor de registratie enerzijds en voor het toezicht anderzijds. Het tarief voor de registratie (opgenomen onder het kopje: ”vergoeding voor registratie”) betreft een eenmalige vergoeding, het tarief voor het toezicht (opgenomen onder het kopje: “jaarlijkse vergoeding voor het toezicht”) betreft een jaarlijks verschuldigde vergoeding. In categorie 1 (Registratie voor het aanleggen of aanbieden van een openbaar telecommunicatienetwerk) bedraagt het tarief voor 1999 “per registratie voor spraaknet mobiel aanmerkelijke marktmacht” f 800,-- voor de registratie en f 527.000,-- voor het toezicht. In categorie 4 (Registratie voor het aanbieden van een openbare telecommunicatiedienst) bedraagt het tarief voor 1999 “per registratie voor spraakdiensten mobiel aanmerkelijke marktmacht” f 800,-- voor de registratie en f 452.000,-- voor het toezicht en “per registratie voor spraakdiensten mobiel” (overigens) f 800,-- voor de registratie en f 3800,-- voor het toezicht.

2.2. Feiten en standpunten van partijen

Bij besluit van 20 oktober 1999 heeft verweerder eiseres 1 en haar groepsmaatschappijen als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, voorzover zij aanbieder zijn van een mobiel openbaar netwerk en van een mobiele openbare telefoondienst, op grond van artikel 6.4, eerste lid, van de Tw aangewezen als partij met aanmerkelijke macht op de nationale markt voor mobiele telefonie.

Bij het, in bezwaar gehandhaafde, besluit van 5 november 1999 heeft verweerder aan eiseres 1 een vergoeding van f 527.000,-- in rekening gebracht voor het toezicht in 1999 op het openbare mobiele netwerk van toentertijd KPN Telecom en thans eiseres 2, en een vergoeding van f 452.000,-- voor het toezicht in 1999 op de openbare mobiele dienst.

Eiseressen kunnen zich daarmee niet verenigen. Zij zijn van oordeel dat de desbetreffende onderdelen van de Regeling onverbindend zijn wegens strijd met artikel 16.1, tweede lid, in verbinding met artikel 16.1, eerste lid, van de Tw. Eiseressen hebben daartoe – kort weergegeven – primair aangevoerd dat, aangezien ook voor het in rekening brengen van handhavingskosten (dat wil zeggen de kosten van het door verweerder uitgeoefende bestuurlijke toezicht) het zogenoemde profijtbeginsel geldt, ten onrechte de kosten van het toezicht op de naleving van de uit een aanwijzing als partij met aanmerkelijke marktmacht voor die partij voortvloeiende verplichtingen – uitsluitend – op die partij worden afgewenteld. Het is immers niet die partij die daarvan profijt heeft. Zij krijgt juist allerlei verplichtingen opgelegd en heeft – anders dan in het, normale, geval waarin het toezicht betrekking heeft op een door de betrokken marktpartij van de overheid gevraagde en verkregen prestatie – ook niet om een dergelijke aanwijzing gevraagd. Het zijn daarentegen juist de marktpartijen die van de tot stand gebrachte marktordening de voordelen ondervinden, die daarvan profijt hebben. Het zou dan ook in overeenstemming zijn met het profijtbeginsel om de onderhavige toezichtskosten op die partijen af te wentelen. Eiseressen achten het in dat verband extra schrijnend dat “gewone” mobiele operators slechts een jaarlijkse vergoeding voor het toezicht van f 3800,-- betalen. In verband met het voorgaande is naar het oordeel van eiseressen vervolgens ook artikel 4, derde lid, van het Besluit vergoedingen Tw onverbindend, nu het opnemen van die bepaling ertoe strekt het onrechtmatig doorberekenen van de toezichtskosten aan de telecommunicatieonderneming die is aangewezen als partij met aanmerkelijke marktmacht mogelijk te maken. Subsidiair hebben eiseressen aangevoerd: dat de – in hun ogen exorbitante – hoogte van de in geding zijnde vergoedingen ontoereikend is gemotiveerd, zodat het ervoor moet worden gehouden dat in onvoldoende mate sprake is van het door de wet vereiste verband tussen de vergoeding en de dienst; dat de vergoedingen naar tijdsevenredigheid moeten worden geheven, nu de aanwijzing als partij met aanmerkelijke marktmacht eerst op 20 oktober 1999 heeft plaatsgevonden; dat de Regeling met ingang van 1 april 1999 in werking is getreden, zodat in elk geval over het eerste kwartaal van 1999 geen vergoedingen kunnen zijn verschuldigd.

Verweerder heeft in beroep zijn in het bestreden besluit ingenomen standpunt gehandhaafd. Verweerder bestrijdt niet dat (ook) ten aanzien van de onderhavige vergoedingen het profijtbeginsel van toepassing is. Verweerder is echter van opvatting dat aan de uit dat beginsel voortvloeiende vereisten niet alleen wordt voldaan ingeval de met het toezicht gemoeide kosten in rekening worden gebracht bij degenen die – daadwerkelijk – profijt hebben (gehad) van de in dat verband uitgevoerde werkzaamheden en diensten, maar ook indien deze in rekening worden gebracht bij degene(n) tot wie het toezicht (de handhaving) is gericht. Aan die opvatting ligt onder meer ten grondslag dat de laatstbedoelde marktpartij(en) ook als veroorzaker(s) van de kosten moet(en) worden aangemerkt. Voorts heeft verweerder gesteld dat eiseressen wel degelijk – mede – profijt hebben van het toezicht op de naleving van het marktordenende instrument van de aanwijzing als partij met aanmerkelijke marktmacht. Ook heeft verweerder erop gewezen dat het ongerijmd zou zijn als de nieuwkomers op de telecommunicatiemarkt, ten behoeve van wie dit instrument nu juist is ontwikkeld, daaraan substantieel zouden moeten meebetalen. Dat zou de toetreding tot die markt ook significant belemmeren. Verder acht verweerder het vrijwel ondoenlijk om, indien de kosten toch op de door eiseressen voorgestane wijze zouden moeten worden verdeeld, te bepalen welke marktpartijen daarbij moeten worden betrokken en vervolgens een adequate vergoedingsmaatstaf te ontwikkelen. Verweerder heeft tevens gesteld dat uit artikel 2, eerste lid, van het Besluit vergoedingen Tw volgt dat in beginsel alle kosten gedekt moeten worden. Ten slotte heeft verweerder opgemerkt dat de tekst van de Regeling ook geen andere toepassing toelaat.

2.3. Beoordeling

De rechtbank overweegt als volgt.

De onderhavige vergoedingen moeten, ook blijkens de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 16.1 van de Tw (memorie van toelichting; vgl. PG Tw, blz. 517) en van het Besluit vergoedingen Tw (nota van toelichting; Stb. 1999, nr. 130, blz. 9), worden aangemerkt als retributies. Dat betekent dat het gaat, althans dient te gaan, om een vergoeding die de overheid in rekening brengt in verband met de toekenning door de overheid van een bijzonder individualiseerbaar voordeel aan een deelnemer aan het economisch verkeer.

Voor het opleggen van retributies is een wettelijke grondslag vereist (die gelet op artikel 104 van de Grondwet moet kunnen worden herleid tot een wet in formele zin). Voorts geldt dat de retributieve vergoedingen uitsluitend betrekking mogen hebben op diensten ten aanzien waarvan dat bij of krachtens de wet uitdrukkelijk is bepaald, dat zij de werkelijke kosten niet mogen overschrijden en dat – ook overigens – het door de wet vereiste verband tussen de vergoeding en de dienst in voldoende mate aanwezig moet zijn (vgl. de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 14 oktober 1998 (AB 1999, nr. 275).

Niet in geschil is dat op zichzelf de Regeling correct jegens eiseres 1 is toegepast.

Met eiseressen is de rechtbank echter van oordeel dat het bestreden besluit niettemin in rechte geen stand kan houden.

Niet in geschil is dat ook voor het in rekening brengen van de kosten van het door verweerder uitgeoefende toezicht het profijtbeginsel geldt. Zulks vloeit ook zonder twijfel voort uit artikel 16.1, tweede lid, in verbinding met artikel 16.1, eerste lid, van de Tw. In artikel 16.1, eerste lid, van de Tw – waarvan de werking zich ook uitstrekt over de vergoedingen voor het toezicht, bedoeld in artikel 16.1, tweede lid, van de Tw – is de toepasselijkheid van het profijtbeginsel immers tot uitdrukking gebracht door de formulering “ten behoeve van wie werkzaamheden of diensten zijn verricht”.

In de memorie van toelichting is met betrekking tot artikel 16.1 van de Tw voorts onder meer het volgende opgenomen (vgl. PG Tw, blz. 512-513):

“Het voorgestelde artikel 16.1 biedt (…) een algemeen kader om bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels te stellen over de vergoeding die is verschuldigd door degene ten behoeve van wie werkzaamheden of diensten zijn verricht. (…)

Voor de uitvoering van het onderhavige wetsvoorstel is doorberekening van toelatings- en handhavingskosten (…) van aanmerkelijk belang. Een belangrijk argument hiervoor is dat mag worden verwacht dat een burger of bedrijf een zeker belang of voordeel zal hebben bij de door de overheid te verrichten toelatings- of handhavingsactiviteiten. Niet minder belangrijk is het streven naar kostendekking (…).

Bij het vaststellen van de verschuldigde vergoeding zal in elk geval nadrukkelijk rekening worden gehouden met de zogenaamde toelatings- en handhavingskosten. Hiermee wordt onder meer uitvoering gegeven aan de aanbevelingen van de ambtelijke werkgroep uit het rapport "Maat houden, een kader voor doorberekening van toelatings- en handhavingskosten”. (…)

De werkgroep onderscheidt vier verschillende categorieën van kosten: voor toelating, post-toelating, preventieve handhaving en voor repressieve handhaving.

(…)

Voor toelatings- en post-toelatingskosten geldt dat deze bij particulieren in rekening kunnen worden gebracht, omdat er sprake is van een individueel toerekenbaar voordeel. Ook in het voorgestelde artikel 16.1 wordt hiervan uitgegaan. Ten aanzien van de doorberekening van de zogenaamde preventieve en repressieve handhavingskosten is het beeld meer complex van aard. Deze kosten zouden in beginsel niet in rekening gebracht dienen te worden gebracht bij burgers en bedrijven, met name niet omdat handhaving niet individueel toerekenbaar is en het individuele profijt moeilijk is vast te stellen. Onder in het rapport van de werkgroep aangegeven omstandigheden kan echter een uitzondering worden gemaakt op dit uitgangspunt. In het kader van de telecommunicatiewetgeving is er sprake van de in het rapport bedoelde omstandigheden, met name gelet op het feit dat er in principe een beperkt aantal partijen is dat een specifiek aan hen toerekenbaar profijt heeft van de door de overheid verrichte handhavingsactiviteiten. Indicatief hiervoor is in elk geval dat de telecommunicatiewetgeving zich toch vooral kenmerkt als marktordenende regelgeving. (…) Volledigheidshalve zij hier nog wel benadrukt dat de kosten van repressieve strafrechtelijke handhaving zonder uitzondering niet mogen worden toegerekend. Artikel 16.1, tweede lid, geeft de noodzakelijke wettelijke basis om op een lager regelgevingsniveau vast te kunnen stellen dat handhavingskosten inderdaad kunnen worden betrokken bij het vaststellen van de hoogte van de verschuldigde vergoedingen.”.

De nadere memorie van antwoord aan de Eerste Kamer bevat onder meer de volgende passage (vgl. PG Tw, blz. 516):

“In het algemeen geldt dat handhavingskosten niet voor doorberekening in aanmerking komen. In specifiek aangegeven omstandigheden kan er echter sprake zijn van een uitzondering op dit uitgangspunt. In de telecommunicatiesector is hier sprake van, gelet op het feit dat deze sector een specifiek aan die sector toerekenbaar profijt heeft van de door de overheid verrichte toezichtsactiviteiten.”.

In de nota van toelichting bij het Besluit vergoedingen Tw (Stb. 1999, nr. 130, blz. 6-7) is onder meer vermeld:

“Op dit principe [dat handhavingskosten in beginsel niet in rekening worden gebracht] kan een uitzondering worden gemaakt indien sprake is van een of enkele partijen die een specifiek aan hen toerekenbaar profijt hebben van de regelgeving.

(…)

Deze uitzondering is van toepassing op het telecommunicatieveld en de daarbij behorende wetgeving. De telecommunicatiewetgeving heeft een voornamelijk marktordenend karakter dat in het algemeen in het voordeel werkt van degenen die binnen die ordening vallen.

(…)

Overigens is het uitgangspunt dat de toezichtskosten in de telecommunicatiesector worden doorberekend, niet nieuw. (…) Sinds 1994 is het aantal marktpartijen waarbij toezichtskosten worden doorberekend, uitgebreid (…). De motviering daarvoor is terug te voeren op het streven naar verdergaande liberalisering van de telecommunicatiemarkt. (…) Het is steeds de bedoeling geweest om de kosten van dit voortschrijdende proces grotendeels te verhalen op partijen die de voordelen van de toegang tot de telecommunicatiemarkt toekomen.”.

Uit deze passages blijkt dat de wetgever en de opsteller van het Besluit vergoedingen Tw voor ogen hebben gehad dat – naast de gevallen waarin het toezicht rechtstreeks is verbonden met een concrete prestatie van de zijde van de overheid ten behoeve van een bepaalde telecommunicatieonderneming waarop artikel 16.1, eerste lid, van de Tw betrekking heeft (bijvoorbeeld registratie, vergunningverlening, nummertoekenning) – het profijtbeginsel ook toepassing kan vinden indien het gaat om het toezicht op de naleving van het instrumentarium dat ordening (meer in het bijzonder: liberalisering) van de telecommunicatiemarkt ten doel heeft.

De vraag die thans voorligt, is of het in rekening brengen van alle kosten die zijn gemoeid met het toezicht op de naleving van de uit een aanwijzing als partij met aanmerkelijke marktmacht voortvloeiende verplichtingen aan de als zodanig aangewezen marktpartij, zich verdraagt met het aldus gepositioneerde profijtbeginsel. Die vraag beantwoordt de rechtbank ontkennend.

Niet valt in te zien waarom – alleen – de als partij met aanmerkelijke marktmacht aangewezen telecommunicatieonderneming profijt zou hebben van het toezicht op de naleving van de uit de artikelen 6.5, 6.6 en 6.9 van de Tw voor haar voortvloeiende verplichtingen. Voorzover al sprake is van in voldoende mate individueel toerekenbaar profijt, ligt dat in overwegende mate bij die marktpartijen die zich jegens de aangewezen marktpartij op die verplichtingen (zouden kunnen) beroepen. Indien de regelgever inderdaad de onderhavige toezichtskosten wil doorberekenen, ligt het dan ook veeleer in de rede deze doorberekening te doen plaatsvinden aan die marktpartijen die daadwerkelijk profijt hebben van (het toezicht op de naleving van) de aanwijzing. Hoewel niet kan worden ontkend dat ook de aangewezen partij tot op zekere hoogte – mede – profiteert van de liberalisering van de telecommunicatiemarkt, is daarin in elk geval geen grond gelegen om alle kosten op haar af te wentelen.

De rechtbank onderschrijft niet dat ook aan het profijtbeginsel wordt voldaan indien de onderhavige kosten van het toezicht worden doorberekend aan degene tot wie dat toezicht is gericht. De totstandkomingsgeschiedenis van artikel 16.1 van de Tw en van het Besluit vergoedingen Tw wijst evident in een andere richting. Mede gelet op het feit dat eiseressen niet hebben gevraagd om een aanwijzing als partij met aanmerkelijke marktmacht, kan ook niet worden gezegd dat eiseressen de veroorzakers van de toezichtskosten zijn. Het in dit verband door verweerder gedane beroep op de, aldus aangeduide, checklist op blz. 56 van het rapport “Maat houden, een kader voor doorberekening van toelatings- en handhavingskosten” ziet eraan voorbij dat het daar gaat om kosten die het gevolg zijn van een, reeds begane, overtreding en dus niet om kosten van preventief toezicht.

Dat het wellicht moeilijk is de kring van marktpartijen voor het eventueel doorberekenen van de onderhavige kosten adequaat af te bakenen en een geschikte vergoedingsmaatstaf te formuleren, en dat de toetreding tot de markt voor nieuwkomers in geval van doorberekening (mede) aan hen wellicht wordt belemmerd, maakt het voorgaande niet anders. De rechtbank wijst er in dit verband op dat artikel 16.1, tweede lid, van de Tw – anders dan artikel 16.1, eerste lid, van de Tw – niet imperatief is geredigeerd. Doorberekening is derhalve niet verplicht, zodat ook kan worden gekozen voor het, geheel of gedeeltelijk, ten laste van de algemene middelen brengen van deze kosten. Artikel 2, eerste lid, van het Besluit vergoedingen Tw verzet zich daar in elk geval niet tegen. De rechtbank kan zich overigens niet aan de indruk onttrekken dat bij het streven naar het volledig doorberekenen van alle gemaakte kosten aan de beperkingen van het juridisch kader is voorbijgezien.

De onderdelen van de Regeling op grond waarvan de in geding zijnde vergoedingen zijn vastgesteld, zijn dan ook in strijd met het in artikel 16.1, tweede lid, in verbinding met artikel 16.1, eerste lid, van de Tw neergelegde profijtbeginsel. De Regeling moet derhalve in zoverre onverbindend worden geacht. Nu bij het bestreden besluit vergoedingen zijn gehandhaafd die berusten op een in zoverre onverbindende regeling, moet het bestreden besluit op die grond onrechtmatig worden geacht.

Het beroep dient gelet op het voorgaande gegrond te worden verklaard en het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Verweerder dient, met inachtneming van hetgeen de rechtbank in deze uitspraak heeft overwogen, een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van eiseressen.

De rechtbank stelt vast dat niet kan worden geoordeeld dat artikel 4, derde lid, van het Besluit vergoedingen Tw als zodanig eveneens onverbindend is. Uitwerking van die bepaling in de ministeriële regelingen, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van het Besluit vergoedingen Tw, overeenkomstig artikel 16.1 van de Tw is immers niet bij voorbaat onmogelijk.

Gelet op hiervoor overwogene kan hetgeen eiseressen subsidiair hebben aangevoerd buiten bespreking blijven.

De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseressen in verband met de behandeling van het beroep tot aan deze uitspraak redelijkerwijs hebben moeten maken. De rechtbank bepaalt de proceskosten op f 1420,-- aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Van overige kosten waarop een veroordeling in de proceskosten betrekking kan hebben, is de rechtbank niet gebleken.

Met het oog op een mogelijke aanpassing van de regelgeving merkt de rechtbank nog op dat artikel 16.1 van de Tw op zichzelf niet in de weg staat aan een voorziening van regelgevende aard waarbij een beperkt gedeelte van de onderhavige kosten wordt doorberekend aan de telecommunicatieonderneming die is aangewezen als partij met aanmerkelijke marktmacht.

Gelet op het voorgaande wordt als volgt beslist.

3. Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt het bestreden besluit,

bepaalt dat verweerder een nieuwe beslissing neemt op het bezwaar van eiseressen met inachtneming van deze uitspraak,

bepaalt dat verweerder aan eiseressen het door hen betaalde griffierecht van f 450,-- vergoedt,

veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van f 1420,--.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. Th.G.M. Simons als voorzitter en mr. E.I. van den Bos-Boomsma en mr. H.S.G. Verhoeff als leden.

De beslissing is, in tegenwoordigheid van mr. S.B.H. Fijneman als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 december 2001.

De griffier: De voorzitter:

Afschrift verzonden op:

Een belanghebbende – waaronder in elk geval eiseressen worden begrepen – en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.